Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17122

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
NL25.47536 en NL25.47537 en NL25.50449
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 64 VwArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvragen wegens termijnoverschrijding

Eisers, afkomstig uit Guinee en Ivoorkust, dienden asielaanvragen in die door de minister op 17 september 2025 werden afgewezen. Zij stelden beroep in, maar deden dit te laat, namelijk op 30 september 2025, terwijl de termijn op 24 september 2025 verliep. De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, ondanks de ernstige ziekte en het overlijden van de schoonmoeder van de gemachtigde, omdat van een professionele rechtshulpverlener een hogere standaard wordt verwacht.

De rechtbank ziet daarom geen grond om het beroep ontvankelijk te verklaren en behandelt het niet inhoudelijk. Eisers vroegen ook om een voorlopige voorziening om niet uitgezet te worden, maar dit verzoek is niet-ontvankelijk omdat inmiddels aan eisers uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

De rechtbank overweegt dat ambtshalve toetsing van het refoulementverbod niet aan de orde is zolang geen terugkeerbesluit wordt uitgevoerd. Het beroep op het arrest van het Hof van Justitie van 4 juni 2026 slaagt niet om deze situatie te veranderen. De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van de kosten van het verzoek om voorlopige voorziening, maar kent geen vergoeding toe voor de zitting.

De uitspraak bevestigt het belang van tijdige beroepsprocedures en de hoge eisen aan professionele rechtshulpverleners bij het bewaken van termijnen in asielzaken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens te late indiening en verleent een beperkte kostenvergoeding aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.47536 (beroep)
NL25.47537 (beroep)
NL25.50449 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [v-nummer 1] (eiseres)
[v-nummer 2] (eiser)
[v-nummer 3] ([minderjarige 1])
[v-nummer 4] ([minderjarige 2])
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres], eiseres,

[eiser], eiser en verzoeker,
mede namens hun minderjarige kinderen,
[minderjarige 1]en
[minderjarige 2],
hierna samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. S. de Schutter),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van hun asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. De voorzieningenrechter komt tot oordeel dat het verzoek van verzoeker ook niet-ontvankelijk is. Hieronder legt de rechtbank/voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres en eiser hebben allebei een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 17 september 2025 deze aanvragen in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Eiser heeft ook aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt niet te worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
2.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft de beroepen en het verzoek op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, C. Smits-Chatin als tolk in de Franse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiseres is afkomstig uit Guinee. Eiser is afkomstig uit Ivoorkust en naar Guinee gevlucht wegens problemen met de familie van zijn voormalige vriendin. Eiseres en eiser hebben elkaar in Guinee ontmoet en problemen gekregen met de man aan wie eiseres was uitgehuwelijkt. Zij zijn samen naar Nederland gevlucht. De minister heeft de asielrelazen van eiseres en eiser niet geloofwaardig geacht.
4. Eiseres en eiser hebben in Nederland een tweeling gekregen. [minderjarige 1] is geboren met een ernstige hartafwijking en bijkomende medische problemen. Aan eiseres en de kinderen is daarom in een van de besluiten van 17 september 2025 voorlopig uitstel van vertrek verleend als bedoeld in artikel 64 van Pro de Vw.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
5. Met betrekking tot het verzoek van eiser om niet te worden uitgezet totdat op zijn beroep is beslist, is de rechtbank van oordeel dat het belang bij een toewijzing van dat verzoek is vervallen. Op 12 november 2025 heeft de minister namelijk een aanvullend besluit genomen waarin is bepaald dat ook eiser/verzoeker voorlopig uitstel van vertrek krijgt op grond van artikel 64 van Pro de Vw. Het terugkeerbesluit is daarmee komen te vervallen. Het verzoek is dan ook niet-ontvankelijk.
Ontvankelijkheid
4. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het ingestelde beroep van eisers ontvankelijk is. Iemand die beroep instelt, moet dat tijdig doen. [2] Een te laat beroep is niet-ontvankelijk. Een niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [3]
4.1.
Niet in geschil is dat het beroep niet tijdig is ingesteld. De termijn voor het instellen van beroep verliep op 24 september 2025. Het beroep is ingediend op 30 september 2025. De vraag die voorligt is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
4.2.
In de uitspraken van 30 januari 2024 heeft de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van de verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. [4] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft deze uitspraken gevolgd in asielzaken [5] .
4.3.
De rechtbank moet beoordelen of het niet tijdig indienen van het beroepschrift aan eisers kan worden toegerekend. Als de belanghebbende gedurende de overschreden beroepstermijn werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener, blijft gelden dat diens handelen in beginsel voor het risico van de indiener komt. Van een professionele rechtshulpverlener mag volgens het CBb immers onder meer worden verwacht dat deze de termijnen bewaakt, eventueel gebruik maakt van de mogelijkheid om een pro-formaberoepschrift in te dienen, in geval van een capaciteitstekort inspanningen verricht om dit op te vangen en tijdig voorzieningen treft voor vervanging bij eventuele uitval. Een termijnoverschrijding zal om die reden doorgaans niet verschoonbaar zijn. Uitzondering op dit uitgangspunt kunnen zijn (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de professionele rechtshulpverlener zelf. De lat ligt hier dus hoger dan bij individuele burgers, vanwege de professionaliteit die in geval van beroepsmatig handelen mag worden verwacht. [6]
4.4.
De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde heeft aangegeven dat haar schoonmoeder in september 2025 plotseling zeer ernstig ziek werd en is opgenomen in het ziekenhuis. Begin oktober 2025 is zij plotseling overleden.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden, hoe invoelbaar die ook zijn, onvoldoende zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Zoals hierboven omschreven wordt er van een professionele rechtshulpverlener immers een hogere standaard verwacht met betrekking tot het bewaken van de termijnoverschrijding, dan voor andere personen. De rechtbank betrekt hierbij dat de gemachtigde een kantoorgenoot heeft en dat zij een pro-formaberoepsschrift had kunnen (laten) indienen. Dat zij door de ziekte van haar schoonmoeder niet in meer staat was om ook dat niet meer te kunnen doen, is niet gebleken.
4.6.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het beroep niet-ontvankelijk is en zal het beroep niet inhoudelijk behandelen.
Ambtshalve beoordeling van de asielaanvraag
5. Eisers voeren aan dat de rechtbank bij een niet-ontvankelijkheidsverklaring van het beroep ambtshalve moet toetsen of er een schending dreigt van artikel 3 van Pro het EVRM [7] .
5.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling [8] volgt dat onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden, zoals bedoeld in het Bahaddar-arrest [9] , de noodzaak kan bestaan om een nationale procedureregel, zoals een niet-ontvankelijkheidsverklaring vanwege termijnoverschrijding, niet tegen te werpen. Dit ter voorkoming van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor als onmiskenbaar is dat de minister bij uitzetting van eisers het refoulementverbod zou schenden. Ook uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) [10] blijkt dat het risico op een schending van het refoulementverbod bij de uitvoering van een terugkeerbesluit ambtshalve door de rechtbank moet worden beoordeeld.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat inmiddels aan alle eisers voorlopig uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw. Er is dus geen terugkeerbesluit opgelegd aan eisers en eisers worden dus (nog) niet uitgezet. De rechtbank concludeert dan ook dat een situatie zoals hierboven omschreven, waarbij de rechter ambtshalve toetst of de uitvoering van een terugkeerbesluit een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM, of artikel 4 van Pro het Handvest [11] zal opleveren, in deze procedure (nog) niet aan de orde is.
5.3.
Ook het beroep van eisers op het arrest van het Hof van 4 juni 2026 [12] slaagt niet. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn [13] de rechtbank bij een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een asielaanvraag de bevoegdheid geeft om een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. [14] Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de rechtbank die bevoegdheid óók in geval van een termijnoverschrijding moet gebruiken. Ook de Procedurerichtlijn gaat er namelijk vanuit dat voor het instellen van beroep termijnen gelden, zo blijkt uit artikel 46, vierde lid, van de Procedurerichtlijn.
5.4.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen grond is om in deze situatie ambtshalve een refoulementsbeoordeling te doen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank verklaart de beroepen en het verzoek niet-ontvankelijk.
7. De rechtbank stelt vast dat het verzoek wel terecht was ingesteld, omdat aan eiser een terugkeerbesluit was opgelegd. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten die eiser/verzoeker in verband van het instellen van zijn verzoek heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een wegingsfactor 1). Omdat het belang bij het verzoek al vóór de zitting was vervallen, kent de rechtbank geen vergoeding toe voor het bijwonen van de zitting.

Beslissing

De rechtbank in de zaken geregistreerd onder nummer NL25.47536 en NL25.47537:
- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.50449:
  • verklaart het verzoek niet-ontvankelijk; en
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zoals volgt uit artikel 6:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zoals volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Zie onder andere de uitsprak van de Afdeling van 2 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3150).
6.Zie de hierboven genoemde uitspraak met het kenmerk ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 5.1.
7.Het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
8.Bijvoorbeeld de uitspraken van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664 en van 20 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5298.
9.Van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, van 19 februari 1998, Bahaddar tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
10.Zie het arrest Ararat van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
11.Het handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
12.Met kenmerk ECLI:EU:C:2026:448 (Ebilum).
13.Richtlijn 2013/32/EU.
14.Zie overweging 46 en 54 van dat arrest.