Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17338

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL25.6925
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens beschermenswaardig gezinsleven

Eiseres, een Syrische vrouw, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar dochter, referente, in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af omdat niet was aangetoond dat er sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dus geen beschermenswaardig gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelt dat de minister een te streng toetsingskader hanteerde door exclusieve afhankelijkheid te eisen, wat niet vereist is volgens jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Afdeling bestuursrechtspraak. De rechtbank concludeert dat er wel degelijk sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele band en bijkomende elementen van afhankelijkheid, waaronder langdurige samenwoning, financiële en medische afhankelijkheid, en psychische problemen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een nieuwe belangenafweging moet plaatsvinden. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag is gegrond verklaard en het besluit van de minister vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6925
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank besluit van de minister.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [referente] (hierna: referente) heeft op 8 juli 2022 ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referente’. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 14 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 januari 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is de minister bij de afwijzing gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van de zaak
3. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1966 en zij is de moeder van referente. Eiseres en referente hebben beiden de Syrische nationaliteit en zijn samen vanuit Syrië naar Turkije gevlucht. Daarna heeft referente de reis alleen voortgezet omdat het voor haar moeder te gevaarlijk was om de illegale grensoverschrijding verder af te leggen. Eiseres bleef achter in Turkije en referente zorgde op afstand voor haar moeder. Inmiddels is eiseres in Nederland en heeft zij een asielaanvraag ingediend. Eiseres en referente verblijven nu samen in de woning van referente.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, afgewezen omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Om die reden bestaat er volgens de minister ook geen familie- of gezinsleven tussen hen, zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. [1] De minister stelt zich op het standpunt dat referente niet exclusief bij eiseres heeft gewoond, nu zij heeft verklaard in Syrië ook regelmatig met haar echtgenoot dagen door te hebben gebracht. De minister kan daarom niet uitgaan van een dermate grote afhankelijkheid dat eiseres niet alleen gelaten kon worden. Ook de financiële afhankelijkheid is volgens de minister onvoldoende aannemelijk gemaakt. Er is door eiseres en referente niet aangetoond dat zij voor de financiële steun bij elkaar moeten zijn of wonen. Daarnaast is niet gebleken dat de medische afhankelijkheid tussen eiseres en referente zodanig groot is, dat alleen eiseres de hulp aan referente zou kunnen bieden. De zorg die referente vanuit Nederland voor eiseres in Turkije verzorgt, zou op afstand kunnen worden voorgezet. Ook van emotionele afhankelijkheid is volgens de minister geen sprake. Tot slot meent de minister dat de banden van eiseres met Turkije en Syrië altijd groter zijn dan met Nederland. Omdat er geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM is, hoefde de minister geen belangenafweging te maken. [2]
Toetsingskader
5.1.
Eiseres voert aan dat de minister een te strenge toets heeft gehanteerd bij de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, door te stellen dat niet is gebleken of is aangetoond dat eiseres exclusief of in grote mate afhankelijk is van referente. Deze eis volgt niet uit de jurisprudentie van het EHRM. [3] Ter onderbouwing verwijst zij naar de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019. [4]
5.2.
De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat bij relaties tussen meerderjarige kinderen en hun ouders voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM sprake moet zijn van ‘
more than the normal emotional ties’ (een meer dan gebruikelijke emotionele band). Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar ‘
additional elements of dependancy’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). [5] Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
5.3.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 juli 2025 [6] overwogen dat uit haar uitspraak van 27 maart 2024 [7] en het arrest [persoon] [8] van het EHRM volgt dat voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is vereist dat een vreemdeling exclusief afhankelijk is van een referent en zonder een referent niet zelfstandig kan functioneren.
5.4.
De rechtbank toetst de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele band – evenals het EHRM – vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025 en maakt deze overwegingen de hare. [9]
5.5.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit in grote mate uitgaat van exclusieve afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Zo stelt de minister [10] over de medische zorg dat niet is gebleken dat eiseres
de enigeis die de gestelde hulp aan referente zou kunnen bieden. De minister stelt ook zich op het standpunt dat niet ten onrechte is geconcludeerd dat er geen sprake is van exclusieve afhankelijkheid. Dit is naar oordeel van de rechtbank, gezien het bovenstaande juridische kader, een te streng en onjuist criterium. [11] Volgens de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019 [12] is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid bovendien niet vereist dat eiseres volledig en exclusief van zorg afhankelijk is van referente. De minister heeft zich daarnaast ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres en referente niet zonder elkaar kunnen functioneren. Ook dit is een onjuist en te streng toetsingskader. De beroepsgrond slaagt.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6.1.
Vervolgens is aan de orde of de minister terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister ten onrechte tot deze conclusie gekomen. Daarbij is het volgende redengevend.
6.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres en referente tot hun vertrek uit Syrië in 2021 altijd hebben samengewoond en tot hetzelfde gezin behoorden. Referente was toen 32 jaar. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank te weinig gewicht toegekend aan de rol die referente in het gezin had. De minister heeft onvoldoende bij de beoordeling betrokken dat de vader van referente in het buitenland werkte en dat eiseres sinds 2006 gescheiden is. Referente heeft hierover verklaard dat eiseres en referente samenwoonden alsof het een huwelijk betrof, zelfs nadat referente was gehuwd. Zo sliepen ze samen in een slaapkamer en deelden zij de woonkamer. Daarnaast deelden zij in Syrië hun inkomsten en leefkosten met elkaar. Referente heeft verder verklaard dat zij in Syrië de huur betaalde, alle boodschappen deed en eiseres hielp bij het huishouden, omdat laatstgenoemde dit zelf niet meer kon. Dat referente vanaf haar huwelijk ook wel eens de nacht heeft doorgebracht bij haar echtgenoot, doet aan het voorgaande niet af, nu zij haar hoofdverblijf bij haar moeder bleef houden en verreweg de meeste tijd met haar moeder samenwoonde.
6.3.
Ook niet in geschil is – zo bleek ter zitting – dat referente en haar moeder in Syrië een gedeelde financiële huishouding hebben gevoerd en dat eiseres hieraan bijdroeg. Referente heeft verklaard dat het pensioen van eiseres na de illegale uitreis uit Syrië is stopgezet. De rechtbank stelt vast dat niet meer in geschil is dat eiseres vanaf haar uitreis van Syrië geen eigen inkomen meer heeft gehad. De minister acht het verder aannemelijk dat referente haar moeder vanuit Nederland financieel heeft ondersteund. Dat de minister stelt dat het niet duidelijk is waarom eiseres voor deze steun bij referente moet wonen, omdat financiële steun naar het standpunt van de minister op afstand kan worden uitgeoefend, is bij uitstek een element voor de belangenafweging.
6.4.
Over de huidige medische problematiek van eiseres overweegt de rechtbank dat deze niet in geschil is. De minister werpt eiseres tegen dat er geen stukken over haar medische situatie in Syrië zijn overgelegd. De rechtbank overweegt dat aan eiseres niet kan worden tegengeworpen dat zij geen stukken over haar periode in Syrië heeft overgelegd, nu er sprake is van een vluchtsituatie. Referente heeft over de medische situatie in Syrië verklaard dat zij de boodschappen voor haar moeder deed omdat haar moeder dat niet kon. Dit impliceert een vorm van mantelzorg. Daarbij ontkent de minister niet dat de medische situatie van eiseres in Turkije alleen maar is verslechterd. De rechtbank overweegt dat referente heeft verklaard dat zij vanuit Nederland heeft geprobeerd om zoveel mogelijk hulp op afstand te regelen. Referente heeft verklaard dat eiseres niet meer zelfstandig de algemene dagelijkse levensverrichtingen kan vervullen zoals douchen en eten klaarmaken. Referente belt eiseres drie keer per dag om haar aan te sporen haar medicatie in te nemen en te eten. Uit een verklaring van een arts van 12 mei 2023 van een polikliniek psychiatrie in Turkije volgt dat eiseres voor een angststoornis behandeld wordt. Deze arts raadt het aan om, uit het oogpunt van de behandeling, met verwanten te wonen. Hieruit leidt de rechtbank af dat er sprake is van medische afhankelijkheid van moeder aan haar dochter.
6.5.
Wat betreft de medische afhankelijkheid van referente aan eiseres en de emotionele afhankelijkheid tussen hun beiden, overweegt de rechtbank dat het niet in geschil is dat referente aan een depressie lijdt. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister dat niet is gebleken van een onvrijwillige scheiding geen recht doet aan de feitelijke situatie. Referente heeft verklaard dat zij samen van Syrië naar Turkije zijn gevlucht, maar dat eiseres niet in staat was om de illegale grensoverschrijding te maken. Referente heeft de vlucht in haar eentje moeten doorzetten en eiseres bleef tijdelijk achter. Referente heeft vervolgens in Turkije getracht werk te vinden en een plek om met haar moeder te verblijven. Toen dit niet lukte, en zij ervoer dat Syriërs in Turkije worden gediscrimineerd, voelde zij zich uit plichtsbesef genoodzaakt om verder te vluchten om elders werk en een plek voor haarzelf en haar moeder te vinden. Referente had immers inkomsten nodig voor de kosten van levensonderhoud voor haarzelf en haar moeder. De rechtbank maakt uit de verklaringen van referente op dat het altijd de bedoeling is geweest om zich weer met haar moeder te verenigen. Referente heeft verder uitgelegd hoeveel moeite zij heeft met de scheiding van haar moeder en dat zij kampt met schuldgevoelens. Referente heeft herhaaldelijk benadrukt dat de band met haar moeder sterker is dan die met haar echtgenoot en dat zij om die reden de gezinshereniging met haar moeder voorrang heeft gegeven boven een gezinshereniging met haar echtgenoot. Referente is de enige dochter van eiseres en ook de enige van de familie met wie zij nog contact heeft. Zij heeft uitgelegd op welke wijze het ontbreken van eiseres haar belemmert het dagelijks leven. De rechtbank overweegt ten slotte dat uit de medische stukken volgt dat referente psychische klachten ervaart gerelateerd aan de vluchtsituatie en de scheiding met moeder. Naar het oordeel van de rechtbank onderstreept dit de sterke emotionele afhankelijkheid tussen elkaar.
6.6.
Over de banden van eiseres met het land van herkomst tot slot het volgende. Daargelaten wat dit element zegt over de band tussen referente en eiseres, overweegt de rechtbank dat eiseres weliswaar geboren en getogen in Syrië is maar dat haar band met Syrië sinds de vluchtsituatie moet worden genuanceerd. Haar band met Turkije was slechts tijdelijk en noodgedwongen. Inmiddels woont eiseres in Nederland en is zij in afwachting van een beslissing op haar asielaanvraag.
6.7.
Concluderend maken het lange samenwonen, de financiële afhankelijkheid, de medische omstandigheden van eiseres en haar afhankelijkheid van referente, de psychische problemen van referente, de sterke emotionele afhankelijkheid tussen beiden en de beperkte banden met het land van herkomst en met Turkije, dat tussen eiseres en referent sprake is van emotionele banden die de gebruikelijke banden tussen ouders en kinderen overstijgen. Dit leidt dan ook tot de conclusie dat sprake is van beschermenswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiseres en referente. Dit betekent dat de minister een belangenafweging moet maken. Gezien de gewijzigde omstandigheden draagt de rechtbank de minister op om een nieuwe hoorzitting te laten plaatsvinden in het kader van de te maken belangenafweging.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat de minister een nieuwe hoorzitting moet houden, geeft de rechtbank de minister hiervoor twaalf weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 16 januari 2025;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194, - aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
2.Dit volgt uit de uitspraak van 27 maart 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2024:1189.
3.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
6.ECLI:NL:RVS:2025:3275, rechtsoverweging 3.3.
7.ECLI:NL:RVS:2024:1189, rechtsoverweging 4 en 4.1.
8.Arrest van 10 december 2024, [persoon] tegen Nederland, nr. 4470/21, paragraaf 49.
9.ECLI:NL:RBDHA:2025:22362, r.o. 9 tot en met 9.5.
10.Op pagina 8 van het bestreden besluit.
11.Zie bijvoorbeeld r.o. 9.2. van de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9087 en de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025.