Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17534

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL25.46252
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 18 lid 1 sub d DublinverordeningArt. 12 lid 4 DublinverordeningArt. 2 onder l Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en intrekking subsidiaire bescherming

Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 4 juli 2025 een asielaanvraag in Nederland in, die de minister niet in behandeling nam omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn. Eerder had Duitsland aan eiser subsidiaire bescherming verleend, welke op 4 juni 2025 was ingetrokken. De minister baseerde het niet in behandeling nemen op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening, maar de rechtbank oordeelde dat dit onjuist was en dat artikel 12, vierde lid, van toepassing is.

De rechtbank volgde het arrest Qassioun van het Hof van Justitie, dat stelt dat artikel 18, eerste lid, onder d, niet ziet op situaties van intrekking van eerder verleende bescherming, maar dat artikel 12, vierde lid, van toepassing is bij een verlopen of ingetrokken verblijfstitel. De minister had het besluit onvoldoende gemotiveerd, waardoor het beroep gegrond was, maar het motiveringsgebrek was in beroep hersteld, zodat het beroep uiteindelijk werd afgewezen.

Eiser voerde aan dat overdracht aan Duitsland indirect refoulement zou opleveren, maar de rechtbank stelde vast dat er geen systeemfouten in de Duitse asielprocedure of opvangvoorzieningen zijn en dat Duitsland gehouden is het non-refoulementbeginsel te respecteren. Ook de stelling dat de overdrachtstermijn was verstreken werd verworpen omdat een voorlopige voorziening de termijn opschortte.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit wegens onvoldoende motivering maar laat de rechtsgevolgen in stand en wijst het beroep af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46252

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Heida),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M. Dalhuizen).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Volgens de minister ligt de verantwoordelijkheid voor de behandeling van die aanvraag bij Duitsland. Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal hierna te bespreken beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft de aanvraag daarom terecht niet in behandeling genomen. Omdat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, is het beroep gegrond. Maar de minister heeft dit motiveringsgebrek in beroep hersteld, zodat eiser alsnog geen gelijk krijgt. De rechtbank licht dit hierna toe.
1.2.
De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop (2) en de relevante feiten (3) uiteen. De rechtbank beoordeelt eerst onder 4 of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Daarbij betrekt zij het arrest Qassioun. [1] Vervolgens beoordeelt de rechtbank of een overdracht aan Duitsland indirect refoulement oplevert (5). Daarna bespreekt de rechtbank de beroepsgrond over het verstrijken van de uiterste overdrachtstermijn (6). Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (7).

Procesverloop

2. Eiser heeft op 4 juli 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 22 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op een enkelvoudige zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister – mr. P. Boelhouwer – deelgenomen. Het onderzoek is op die zitting gesloten. Op 10 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep verwezen naar de meervoudige kamer. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van dezelfde datum bepaald dat eiser niet aan Duitsland mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist. [2]
2.3.
De zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat zijn de relevante feiten?
3. Eiser komt uit Syrië. Hij heeft op 19 april 2024 in Duitsland een asielaanvraag ingediend. De Duitse autoriteiten hebben hem op 15 augustus 2024 internationale bescherming verleend in de vorm van subsidiaire bescherming. Deze status is op 4 juni 2025 ingetrokken. Dat besluit staat sinds 25 juni 2025 in rechte vast. De minister heeft Duitsland daarom op 17 juli 2025 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Op 23 juli 2025 zijn de Duitse autoriteiten hiermee akkoord gegaan. Daarbij hebben de Duitse autoriteiten meegedeeld dat overdracht niet meer nodig was, omdat eiser zelf al naar Duitsland was gereisd. Eiser heeft zich echter op 4 augustus 2025 opnieuw gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter Apel. Naar aanleiding daarvan heeft de minister op 15 september 2025 een nieuw terugnameverzoek op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening bij de Duitse autoriteiten ingediend. Duitsland heeft ook dit verzoek op 19 september 2025 aanvaard.
Is Duitsland verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
4. Eiser betoogt dat de Dublinverordening niet op hem van toepassing is en dat daarom geen sprake is van een rechtsgeldig overdrachtsbesluit. Volgens eiser zijn het claimverzoek, het claimakkoord en het overdrachtsbesluit ten onrechte gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Die bepaling heeft betrekking op afgewezen asielverzoeken. De situatie van eiser verschilt daarvan, omdat Duitsland hem eerst internationale bescherming heeft verleend en deze pas later heeft ingetrokken.
4.1.
Het Hof van Justitie heeft in het arrest Qassioun geoordeeld dat artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening niet ziet op de situatie waarin een eerder verleende verblijfstitel niet wordt verlengd of vernieuwd. Volgens het Hof van Justitie volgt uit de tekst van die bepaling dat in zo’n geval eerder positief is beslist op het verzoek om internationale bescherming. [3] Daarom is geen sprake van een ‘afwijzing’ in de zin van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Het Hof van Justitie komt op grond van een systematische en teleologische uitleg tot dezelfde conclusie. [4]
4.1.1.
De rechtbank stelt vast dat het in dit geval niet gaat om het niet verlengen van een eerdere verblijfstitel, maar om intrekking van internationale bescherming. Het arrest Qassioun is echter ook op die situatie van toepassing, omdat ook in dat geval eerder positief is beslist op het verzoek om internationale bescherming. De minister heeft dit op de zitting van 30 april 2026 ook niet betwist. Dit betekent dat de minister het overdrachtsbesluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Het besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit.
4.2.
De minister heeft zich in het verweerschrift van 10 november 2025, en op beide zittingen, subsidiair op het standpunt gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. De rechtbank ziet hierin aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.
4.2.1.
Uit het arrest Qassioun volgt dat de situatie van een derdelander met een verlopen verblijfstitel niet in artikel 18, eerste lid, onder d, maar in artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening is geregeld. [5] Eiser valt onder die bepaling. Zijn eerdere subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland kan worden aangemerkt als ‘verblijfstitel’. [6] Niet in geschil is dat hij het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten en de verblijfstitel is minder dan twee jaar verlopen [7] . De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat geen sprake is van een verlopen verblijfstitel omdat de status is ingetrokken. Met die intrekking is immers een einde gekomen aan de geldigheid van de eerder verleende verblijfstitel. In zoverre verschilt de situatie niet wezenlijk van die waarin een verblijfstitel niet wordt verlengd of vernieuwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de tekst van artikel 12, vierde lid, niet volgt dat deze bepaling uitsluitend ziet op verblijfstitels die door tijdsverloop zijn geëindigd.
Indien de Uniewetgever een onderscheid had willen maken tussen een verlopen, niet-verlengde of ingetrokken verblijfstitel, had het voor de hand gelegen dat expliciet in de bepaling tot uitdrukking te brengen. Voor de door eiser voorgestane beperkte uitleg van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening ziet de rechtbank daarom geen aanleiding.
4.2.2.
De minister kon het overdrachtsbesluit daarom niet baseren op artikel 18, eerste lid, onder d, maar wel op artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond dat de Dublinverordening niet op eiser van toepassing is, slaagt dus niet.
4.2.3.
Dat artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening niet in het claimverzoek en het claimakkoord zijn genoemd, maakt dit niet anders. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen, betekent het noemen van een onjuiste grondslag in een claimverzoek of/en claimakkoord niet dat geen geldig claimakkoord tot stand is gekomen. Wel geldt dat de minister de betrokken lidstaat volledig moet informeren. [8] Daaraan is voldaan. In beide claimverzoeken is vermeld dat eiser internationale bescherming had in Duitsland en wanneer die verblijfstitel is ingetrokken. De Duitse autoriteiten konden daarom voldoende geïnformeerd op het claimverzoek beslissen en hebben zich ook tweemaal verantwoordelijk geacht. De rechtbank betrekt hierbij ook dat pas met het arrest Qassioun duidelijk is geworden dat in een situatie als de onderhavige artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening als de juiste grondslag heeft te gelden, en niet artikel 18, eerste lid, onder d.
Moet de minister het risico op indirect refoulement beoordelen?
5. Eiser betoogt dat zijn overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op refoulement met zich meebrengt, omdat hij vreest dat de Duitse autoriteiten hem direct na overdracht naar Syrië zullen terugsturen.
5.1.
Uit de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 [9] en de Afdeling van 12 juni 2024 [10] volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als de verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat. Eiser heeft niet onderbouwd gesteld dat dergelijke systeemfouten zich voordoen. Voor zover eiser in dit verband heeft aangevoerd dat hij in Duitsland geen rechtsmiddel kon instellen tegen de intrekking van zijn asielstatus, volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser heeft zelf een bijlage met rechtsmiddelen-informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij die mogelijkheid wél had. [11] Dat die rechtsbijstand niet gratis is, doet daaraan niet af. De Procedurerichtlijn verplicht enkel tot kosteloze rechtsbijstand bij een procedure tegen de afwijzing van een eerste asielverzoek. Als eiser problemen ondervindt met procedures, zijn gemachtigde of zijn behandeling door de Duitse autoriteiten, moet hij dat voorleggen aan de (hogere) Duitse instanties. Er zijn geen aanwijzingen dat die autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.
5.2.
Het is de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat zich systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voordoen in Duitsland. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat. Dit dient in Duitsland te worden beoordeeld. Bovendien heeft Duitsland met de expliciete claimakkoorden te kennen gegeven de asielaanvraag van eiser te zullen behandelen. Daarbij is Duitsland gehouden de uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM voortvloeiende verplichtingen, waaronder het verbod van (indirect) refoulement, in acht te nemen. [12] Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Is de uiterste overdrachtsdatum verstreken?
6. Eiser heeft in beroep opgemerkt dat de overdrachtstermijn op 23 juli 2025 (de datum van het eerste claimakkoord van de Duitse autoriteiten) is gaan lopen en niet pas op 19 september 2025 (de datum van het tweede claimakkoord). Voor zover eiser hiermee betoogt dat de overdrachtstermijn is verstreken, volgt de rechtbank hem daarin niet. Zelfs als wordt uitgegaan van 23 juli 2025 als aanvangsdatum, is de overdrachtstermijn niet verstreken. De voorzieningenrechter heeft namelijk op 10 december 2025, en dus binnen zes maanden na 23 juli 2025, een voorlopige voorziening getroffen. Daarmee is de overdrachtstermijn opgeschort. Na deze uitspraak vangt daarom een nieuwe overdrachtstermijn van zes maanden aan. [13] Alleen daarom al slaagt deze beroepsgrond niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit daarom. De rechtbank laat uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.401,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 30 april 2026, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1). [14]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 september 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.401,00 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid mr. R. Barzilay, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.HvJEU (Qassioun) 30 oktober 2025, ECLI:EU:C:2025:838.
3.Punt 54.
4.Punten 56-65.
5.Punt 59. Zie ook conclusie bij dit arrest, punt 43 en 58.
6.Zie ook de ruime definitie van ‘verblijfstitel’ in artikel 2, onder l, van de Dublinverordening. Dat het begrip ruim moet worden opgevat volgt ook uit HvJEU (E.S.) 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:683 onder 35.
7.Uit het besluit van de Duitse autoriteiten van 4 juni 2025 blijkt niet dat sprake is van een intrekking met terugwerkende kracht.
8.ABRvS 19 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1563, onder 2.1 en ABRvS 24 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2289, onder 7.3 en ABRvS 19 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1563, onder 2.1.
9.Hof van Justitie, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
10.ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
11.Duitse intrekkingsbesluit van 4 juni 2025, pagina 12.
12.ABRvS 30 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2580, onder 4.
13.ABRvS 27 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3506, ABRvS 18 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM5523 en ABRvS 23 februari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS8549. Zie ook HvJEU (Petrosian) 29 januari 2009, ECLI:EU:C:2009:41, onder 45 en 53 en HvJEU (Khir Amayry) 13 september 2017, ECLI:EU:C:2017:675, onder 55.
14.De rechtbank heeft in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 december 2025 al een punt toegekend voor de zitting van 11 november 2025.