ECLI:NL:RBDHA:2026:17554

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL23.26063 en NL24.11777
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit derdelander uit Oekraïne

Eiser, een derdelander uit Marokko met tijdelijke bescherming in Nederland op grond van de Richtlijn tijdelijke beschermingen, betwist de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming en de oplegging van terugkeerbesluiten. De minister heeft meerdere terugkeerbesluiten genomen en ingetrokken, waarbij het laatste besluit van 9 februari 2026 het voorgaande verving.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het ingetrokken besluit van 22 augustus 2023 en verklaart het beroep tegen eerdere besluiten niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het laatste terugkeerbesluit is ongegrond, omdat eiser zijn beroep op artikel 8 EVRM Pro niet voldoende heeft onderbouwd. De enkele stelling van een stabiele relatie en sociale banden in Nederland is onvoldoende om het terugkeerbesluit te weerleggen.

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen eerdere terugkeerbesluiten is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het laatste terugkeerbesluit is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.26063 en NL24.11777

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Mikolacjzyk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming [1] en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het beëindigen van zijn tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Verder oordeelt de rechtbank dat artikel 8 van Pro het EVRM zich niet verzet tegen het laatste aan eiser opgelegde terugkeerbesluit. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser bij besluit van 22 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [2] Op 31 januari 2024 heeft de minister het besluit van 22 augustus 2023 ingetrokken.
2.1.
Op 21 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen, waarin eiser is medegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. [3]
2.2.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats de voorlopige voorziening tegen het besluit van 22 augustus 2023 toegewezen en bepaald dat eiser moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep. [4] Eiser heeft het eerder ingediende beroep niet ingetrokken.
2.3.
Bij besluit van 11 juli 2025 heeft de minister eiser meegedeeld dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Op 24 juli 2025 laat de minister eiser weten dat dit besluit als ‘niet verzonden’ moet worden beschouwd.
2.4.
Bij besluit van 9 februari 2026 heeft de minister het besluit van 11 juli 2025 formeel ingetrokken, het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken en aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft daar op 5 mei 2026 gronden tegen gericht.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiser komt uit Marokko. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit [5] . Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 30 mei 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
3.1.
De minister heeft de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 ingetrokken omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had geoordeeld dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. [6] In een brief van 31 januari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep echter gehandhaafd.
3.2.
De minister heeft op 21 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten.
3.3.
De rechtbank en de Afdeling hebben prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. [7] Deze vragen zijn beantwoord in het arrest Kaduna. [8] Het Hof oordeelde dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook oordeelde het Hof dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
3.4.
De Afdeling heeft in uitspraken uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. [9] Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. [10]
3.5.
Bij besluit van 9 februari 2026 heeft de minister eiser medegedeeld dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit.
Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming/terugkeerbesluit per 4 september 2023
4. De minister heeft het besluit van 22 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming en tot oplegging van een terugkeerbesluit ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Eiser heeft ook geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarom is het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 22 augustus 2023 niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 9 februari 2026
5. Zoals hierboven is omschreven vervang het terugkeerbesluit van 9 februari 2026 twee eerdere terugkeerbesluiten, namelijk die van 21 februari 2024 en die van 11 juli 2025. Eiser heeft op verschillende momenten beroepsgronden ingediend gericht tegen die eerdere terugkeerbesluiten. Nadat die besluiten zijn ingetrokken is eiser gevraagd gronden in te dienen tegen het terugkeerbesluit van 9 februari 2026. Eiser heeft toen alleen gronden ingediend die zien op de vraag of artikel 8 van Pro het EVRM zich verzet tegen het opleggen van een terugkeerbesluit. De rechtbank begrijpt dit zo dat niet langer in geschil is, zoals eiser eerder onder andere aanvoerde, of het eerder opgelegde terugkeerbesluit prematuur was en tot welke datum in 2025 de tijdelijke bescherming doorliep. Eiser heeft ook geen belang meer bij een beoordeling van die gronden. De rechtbank verklaart dit deel van het beroep voor zover dat nog wel in geschil zou zijn daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank gaat daarom alleen in op de door eiser tegen het terugkeerbesluit van 9 februari 2026 aangevoerde beroepsgronden.
5.1.
De rechtbank stelt volledigheidshalve vast dat de minister op zitting zijn standpunt uit het verweerschrift heeft laten vallen. In het verweerschrift stelde de minister zich namelijk op het standpunt dat eiser geen procesbelang zou hebben bij beoordeling van het huidige terugkeerbesluit, omdat dit zou zijn uitgewerkt door zijn (tijdelijke) terugkeer naar Marokko. De minister heeft dit standpunt laten vallen omdat uit rechtspraak volgt dat procesbelang ook blijft bestaan bij een uitgewerkt terugkeerbesluit. [11]
Verzet artikel 8 van Pro het EVRM zich tegen het opleggen van een terugkeerbesluit?
6. Eiser betoogt dat artikel 8 van Pro het EVRM zich tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit verzet. Eiser heeft namelijk een stabiele en exclusieve relatie met zijn partner sinds 2018. De partner van eiser zal niet mee kunnen reizen naar Marokko, omdat de familie van eiser de relatie afkeurt. De vertrekplicht van eiser zal dus een einde aan de relatie betekenen, terwijl eiser en zijn partner samen een stabiel leven hebben opgebouwd in Nederland. Eiser is in Nederland ook sociale banden aangegaan. Eisers vertrek uit Nederland zal betekenen dat hij zijn hele sociale leven kwijtraakt. Het terugkeerbesluit is daarom een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn familieleven en op zijn privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, aldus eiser.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich namelijk terecht op het standpunt dat eiser zijn beroep op artikel 8 van Pro het EVRM niet (met stukken) heeft onderbouwd. De enkele stelling dat eiser een stabiele en exclusieve relatie met zijn partner heeft en dat zij hun relatie niet in Marokko tot uiting kunnen brengen vanwege familieproblemen acht de minister daarvoor terecht onvoldoende. Dat geldt ook voor de enkele stelling dat eiser veel sociale banden in Nederland is aangegaan en daarom privéleven zou hebben opgebouwd. Hoewel verder juist is dat artikel 8 van Pro het EVRM ook een rol speelt bij de vraag of een terugkeerbesluit kan worden opgelegd, hecht de minister terecht waarde aan het feit dat eiser geen aanvraag heeft ingediend voor verblijf op grond van dat artikel.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 22 augustus 2023, 18 maart 2024 en 11 juli 2025, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 9 februari 2026, is ongegrond.
7.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 bestaande uit een punt voor het beroep tegen het ingetrokken besluit van 22 augustus 2023 en een punt voor het beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2023 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 maart 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 juli 2025 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 februari 2026 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen
2.Geregistreerd onder nummers NL23.26063 en NL23.26965,
3.Geregistreerd onder de nummers NL24.11777 en NL24.14459,
5.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
6.ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
7.Rechtbank Den Haag (z.p. Amsterdam) 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394 en ABRvS 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
8.HvJEU 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
10.TK 2024-2025, 19637, nr. 3434.
11.ABRvS 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1178.