ECLI:NL:RBDHA:2026:17804

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL26.20199 en NL26.20201
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 4:84 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 32 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen wegens Dublinverordening en medische situatie

Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Asiel en Migratie die hun asielaanvragen niet in behandeling nam, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank heeft de beroepen op 24 juni 2026 behandeld en beoordeelt of de besluiten zorgvuldig zijn genomen en of de overdracht aan Duitsland een reëel risico op ernstige gezondheidsverslechtering inhoudt.

Eisers stelden dat de minister onzorgvuldig handelde door onvoldoende uitstel te verlenen voor het indienen van een zienswijze, mede vanwege de medische situatie van eiseres die ernstige psychische problemen heeft. De rechtbank oordeelt dat het verleende uitstel in overeenstemming is met het beleid en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die nader uitstel rechtvaardigden. Ook is het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing, waardoor Nederland mag vertrouwen op de Duitse autoriteiten.

Eisers voerden aan dat overdracht aan Duitsland leidt tot een reëel risico op aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheid van eiseres, onder verwijzing naar het arrest C.K. en medische stukken. De rechtbank stelt vast dat de medische stukken geen verband aantonen tussen de overdracht en een verslechtering van de gezondheidstoestand. Ook het beroep op het arrest Tarakhel faalt omdat eisers onvoldoende aannemelijk maken dat zij zonder aanvullende garanties geen adequate zorg en toegang tot de asielprocedure in Duitsland krijgen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de besluiten tot niet in behandeling nemen van de asielaanvragen. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter H. Hanssen - Telman en griffier N. Wetterauw op 1 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20199 en NL26.20201

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] ,

v-nummer: [v-nummer] ,
en

[naam] ,

v-nummer: [v-nummer] ,
mede namens hun minderjarige kinderen:

[naam] ,

v-nummer: [v-nummer] ,

[naam] ,

v-nummer: [v-nummer] ,

[naam] ,

v-nummer: [v-nummer] ,

[naam] ,

v-nummer: [v-nummer] ,

tezamen: eisers,

(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 9 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen dit besluit. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen. Op deze verzoeken wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist. [1]
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen 24 juni 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, mr. Bouius als waarnemer van de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Ook een tolk was aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de besluiten tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en de besluiten tot het niet in behandeling nemen van de aanvragen in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland op 26 januari 2026 een verzoek tot overname gedaan bij Duitsland. Duitsland heeft dit verzoek op 29 januari 2026 aanvaard.
Is het besluit op een zorgvuldige manier tot stand gekomen?
5. Eisers betogen dat de bestreden besluiten niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Zij wijzen erop dat hun gemachtigde na bekendmaking van de voornemens heeft verzocht om uitstel tot en met 17 april 2026 voor het indienen van een zienswijze, wegens een aangekondigde vakantie en een volle agenda. De minister heeft slechts uitstel verleend tot en met 2 april 2026 en vervolgens op 9 april 2026 de bestreden besluiten genomen. De gemachtigde heeft daardoor geen zienswijze hebben kunnen indienen. Het onthouden van dit uitstel is excessief formalistisch. Eisers wordt hierdoor een instantie is ontnomen.
5.1.
Daarnaast stellen eisers dat de minister ook vanwege de medische situatie van eiseres het volledige gevraagde uitstel had moeten toekennen. Eiseres heeft tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat zij ernstige psychische problemen heeft en dat zij daarvoor in Duitsland op de intensive care en in een psychiatrisch ziekenhuis heeft verbleven. Ze heeft ook verklaart dat ze medicatie gebruikt voor paniekaanvallen en depressie. Eiseres heeft het recept van deze medicatie tijdens het gehoor aan de gehoormedewerker getoond, hetgeen volgens eisers in ieder geval een begin van bewijs vormt. Ook de oudste zoon van eisers heeft de medische problematiek van zijn moeder aangekaart tijdens zijn gehoor. Dat haar wordt tegengeworpen dat geen medische documenten zijn overgelegd, is volgens eisers dan ook slechts ten dele juist. Gelet op het voorgaande hadden deze omstandigheden volgens eisers aanleiding moeten vormen voor de minister om het gevraagde uitstel te verlenen, zodat aanvullende medische stukken konden worden overgelegd. Ook om deze reden is volgens eisers het besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen. Eisers stellen gelet op het voorgaande dat de minister in strijd heeft gehandeld met art. 3:2 van Pro de Awb [3] en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
6. De minister stelt zich op het standpunt dat er uitstel is verleend in overeenstemming met het beleid uit paragraaf C1/2.12 van de Vc. [4] Er is namelijk uitstel verleend tot 2 april 2026 en dit is vijf werkdagen na de laatste vakantiedag van gemachtigde (26 maart 2026). De medische stukken zijn volgens de minister geen grond om uitstel te verlenen op grond van paragraaf C1/2.12 van de Vc.
7. De rechtbank overweegt dat de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen een essentieel onderdeel is van de besluitvormingsprocedure. Dit blijkt ook uit vaste rechtspraak [5] van de Afdeling. [6] Er is wel een termijn verbonden aan de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Bij een voornemen om de aanvraag niet in behandeling te nemen, is die termijn uiterlijk twee weken. [7] Eisers kunnen om uitstel vragen voor het indienen van de zienswijze. In paragraaf C1/2.12 Vc staat het beleid van de minister voor het verlenen van uitstel voor het indienen van de zienswijze uitgewerkt. Paragraaf 2.6 Vc bepaalt dat paragraaf 2.12 Vc wat betreft uitstel voor het indienen van een zienswijze van overeenkomstige toepassing is. Het beleid van de minister voorziet in vijf limitatief opgesomde omstandigheden waarbij uitstel door de minister wordt verleend.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde op 19 januari 2026 een vakantiemelding heeft gedaan, waarin zij aangaf afwezig te zijn van 4 maart 2026 tot en met 26 maart 2026. De minister heeft vervolgens uitstel verleend van tot en met vijf dagen na de laatste vakantiedag, namelijk tot 2 april 2026. De minister heeft daarmee een termijn gegeven, die in overeenstemming is met de in het beleid neergelegde termijn in het geval van vakantie van een gemachtigde. In de enkele stelling van eisers dat de agenda van de gemachtigde dermate gevuld was dat daarom nader uitstel werd gevraagd, heeft de minister geen aanleiding behoeven te zien om nader uitstel te verlenen. De minister heeft ook terecht geen aanleiding gezien om uitstel te verlenen gelet op de medische situatie van eiseres. Dit alleen al omdat eisers niet in dit kader hebben verzocht om uitstel voor het indienen van de zienswijze. Bovendien is het verzamelen van medische documenten geen in het beleid opgenomen reden voor nader uitstel.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eisers geen sprake is van een bijzondere omstandigheid, als bedoeld in 4:84 van de Awb, op grond waarvan de minister van het beleid had moeten afwijken. De drukke agenda van de gemachtigde kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. De minister mocht dat ook het bestreden besluit nemen zonder de volledige termijn van het gevraagde uitstel te verlenen. De handelswijze van de minister is niet onzorgvuldig.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. Eisers hebben niet betwist dat de minister ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat ten aanzien van Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. [8] In hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is dan ook het kader waarbinnen de rechtbank de overige door eisers aangevoerde gronden zal beoordelen.
Artikel 17 Dublinverordening Pro
9. Eisers betogen dat overdracht aan Duitsland, gelet op het arrest C.K., leidt tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van eiseres. Eiseres heeft verschillende medische stukken overgelegd die zijn opgesteld door haar behandelaars in Duitsland. Uit deze stukken blijkt dat eiseres sinds november 2024 onder behandeling staat en opgenomen is geweest na een suïcidepoging in verband met een ernstige depressie. Daarnaast hebben eisers een ‘Ärztliches Attest’ van 15 mei 2025 overgelegd. Daarin staat dat de reismogelijkheden van eiseres vanwege paniekaanvallen beperkt zijn en dat zij niet kan vliegen. Dat eiseres daarna naar Nederland is gereisd, doet niet af aan dit oordeel, volgens eisers. Dit deed zij vanuit angst om te worden teruggestuurd naar Turkije door Duitsland. Verder is eiseres inmiddels ook in Nederland onder behandeling. Eiseres heeft een uitnodiging voor een afspraak bij Kleur GGZ op 7 mei 2026, een overzicht van medicatie en een brief van 7 mei 2026 van Kleur GGZ aan haar huisarts overgelegd. Onder verwijzing naar paragraaf 5 van Werkinstructie 2021/3 stellen eisers dat de minister, gelet op deze medische informatie, een BMA [9] -onderzoek had moeten laten verrichten. Nu dat niet is gebeurd, zijn de bestreden besluiten volgens eisers onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
9.1.
Eisers verwijzen daarnaast naar een uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2026. [10] Volgens eisers ging het in deze uitspraak ook over een vreemdeling met suïcidale gedachten die overgedragen zou worden aan Duitsland waarbij de minister nader onderzoek had moeten verrichten, omdat er twijfel bestond over de aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand door de overdracht naar Duitsland.
10. De minister erkent de medische problematiek van eiseres, maar stelt zich op het standpunt dat uit de overlegde documenten niet blijkt dat er door de overdracht naar Duitsland een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eiseres’ gezondheidstoestand te verwachten valt. De minister stelt daarom dat er geen geslaagd beroep kan worden gedaan op het arrest C.K. De minister meent dat het ‘Ärztliches Attest’ onduidelijk is, niet blijkt dat het is opgemaakt door een behandelaar en daarnaast ziet het niet op een behandeling. Uit dit document blijkt volgens de minister dat de reismogelijkheden beperkt zijn, maar wordt er niet gezegd dat reizen geheel onmogelijk is. Daarnaast wijst de minister erop dat eiseres na opstellen van dit stuk ook naar Nederland is gereisd, dus dat reizen mogelijk bleek. Uit de brief van 7 mei 2026 van Kleur GGZ blijkt volgens de minister evenmin dat overdracht niet kan plaatsvinden. Verder wijst de minister erop dat op grond van artikel 32 van Pro de Dublinverordening, met toestemming van eiseres, haar medische gegevens kunnen worden gedeeld met Duitsland, zodat de autoriteiten hiervan op de hoogte zijn op het moment dat eiseres wordt overgedragen. Daarnaast benoemt de minister dat er voor een overdracht eventueel een fit-to-fly beoordeling plaatsvindt.
11. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest C.K. tegen Slovenië [11] en de rechtspraak van de Afdeling [12] volgt dat overdracht van een asielzoeker achterwege moet blijven als die overdracht zelf een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou inhouden. Eiseres moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van haar gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden aantonen.
Uit WI 2021/39 [13] volgt dat eiseres, in geval van suïcidedreiging, objectieve medische stukken van een behandelaar moet overleggen die aantonen dat de behandelaar het risico dat eiseres suïcide zal plegen, als gevolg van de overdracht, als reëel inschat. Wanneer er door de behandelaar niet wordt gesproken over een reëel risico of verhoogd suïciderisico of waar dit onvoldoende is gerelateerd aan de daadwerkelijke overdracht, zal er geen BMA-onderzoek worden opgestart.
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat er niet is voldaan aan het arrest C.K. Uit de overlegde medische stukken blijkt dat eiseres kampt met medische klachten, maar niet dat de overdracht naar Duitsland zorgt voor een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang in de gezondheidstoestand van eiseres. Hoewel het overlegde ‘Ärztliches Attest’ noemt dat eiseres beperkt is in haar reismogelijkheden vanwege dagelijkse paniekaanvallen en dat zij ongeschikt is om te vliegen, volgt hieruit niet dat de overdracht naar Duitsland een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang in de gezondheidstoestand te weeg brengt. De rechtbank betrekt daarbij dat niet is gebleken dat eiseres per vliegtuig aan Duitsland zal moeten worden overgedragen. Ook uit de brief van Kleur GGZ blijkt dat er sprake is van medische problematiek, maar niet dat deze problematiek specifiek te maken heeft of verergerd wordt door een mogelijke overdracht aan Duitsland. Uit de overgelegde medische stukken blijkt dan ook niet dat een overdracht naar Duitsland zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand.
11.2.
De uitspraak van de Afdeling waar eisers naar verwijzen ziet naar het oordeel van de rechtbank op een andere situatie. In die zaak was de vreemdeling in Duitsland door landgenoten geïntimideerd, gepest en psychisch mishandeld. Deze ervaringen hadden zijn traumaklachten significant verergerd en geleid tot hernieuwde gevoelens van onveiligheid, hyperalertheid en ernstige angstklachten. Hoewel geen medische stukken waren overgelegd waaruit bleek dat dat een behandelaar het suïciderisico als reëel of hoog inschatte, stond de beschreven psychische problematiek wel in rechtstreeks verband met (de terugkeer naar) Duitsland. Bij eiseres is daarvan geen sprake. Uit de overgelegde medische stukken volgt niet dat haar psychische klachten of eventuele verslechtering daarvan in verband staan met een overdracht aan Duitsland of daar zijn veroorzaakt. Uit de medische rapporten volgt dat zij deze klachten reeds tijdens haar eerdere verblijf in Duitsland had, zonder dat de behandelaars de overdracht als oorzaak of verergerende factor aanwijzen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Arrest Tarakhel
12. Eisers stellen, onder verwijzing naar het arrest Tarakhel, [14] dat eisers en met name eiseres als bijzonder kwetsbare personen moeten worden aangemerkt en dat daarom garanties nodig zijn om een effectief (herhaald) asielverzoek te kunnen indienen in Duitsland, zodat verdere behandeling is gegarandeerd. Eisers zijn ervan overtuigd dat zij in Duitsland geen toegang krijgen tot de asielprocedure, maar direct zullen worden uitgezet naar Turkije.
13. De minister stelt dat in geval van Duitsland mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er daarom kan worden uitgegaan dat eisers toegang hebben tot de asielprocedure, zorg en opvang in Duitsland. Daarom hoeven er ook geen aanvullende garanties aan Duitsland te worden gevraagd.
14. Het beroep van eisers op het arrest Tarakhel slaagt niet. In dit arrest heeft het Hof overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. De bewijslast dat er sprake is van deze bijzondere kwetsbaarheid en dat daarom niet mag worden uitgegaan het interstatelijk vertrouwensbeginsel ligt bij de vreemdeling. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet met concrete bewijzen aannemelijk hebben gemaakt dat zij zonder aanvullende garanties in Duitsland geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen en toegang tot de asielprocedure zullen krijgen. Er mag in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van worden uitgegaan dat eisers in Duitsland zullen worden toegelaten tot de opvang en dat (noodzakelijke) medische/psychische zorg voor hen beschikbaar is. Daarbij is van belang dat eiseres blijkens de door haar overlegde stukken ook al toegang heeft gehad tot medische voorzieningen. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek hebben geaccepteerd en daarmee hebben gegarandeerd de asielaanvragen van eisers in behandeling te zullen nemen, overeenkomstig de op Duitsland rustende internationale verplichtingen. Onder deze omstandigheden zijn er geen individuele garanties van de Duitse autoriteiten vereist voor de overdracht van eisers.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Deze verzoeken worden behandeld onder de zaaknummers NL26.20200 en NL26.20202.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Vreemdelingencirculaire.
6.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Zie artikel 3.109c, achtste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:588) en 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4770) waarbij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBLIM:2025:8989) is bevestigd.
9.Bureau Medische Advisering.
11.Het arrest van het Hof van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.
12.Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980.
13.Werkinstructie 2021/3 “BMA-advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.
14.Arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.