ECLI:NL:RBDHA:2026:18765

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL26.26145 en NL26.26146
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 8:54 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:83 Algemene wet bestuursrechtArt. 30, eerste lid Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Duitsland

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 2 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland reeds verantwoordelijk was voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op Duitsland vanwege onvoldoende effectieve bescherming, discriminatie en psychische klachten. Hij stelde dat Nederland de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.

De rechtbank oordeelde dat er geen sprake is van structurele tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem en dat eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak dit bevestigen. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de situatie in Duitsland fundamenteel is gewijzigd of dat hij individuele problemen zodanig onderbouwde dat Nederland de aanvraag aan zich had moeten trekken.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde dat de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen. Tevens werd het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de asielzoeker wordt overgedragen aan Duitsland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.26145 en NL26.26146
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is.
1.1
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 22 juni 2026 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Crockett als tolk, en de gemachtigde van verweerder.
1.2
Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.26146) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser heeft op 2 maart 2026 in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Duitsland is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. [2]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat in het geval van Duitsland niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit zijn verklaringen blijkt immers dat hij in Duitsland geen effectieve bescherming, zorgvuldige procedure en daadwerkelijke toegang tot rechtsbijstand heeft gehad. Ook verklaart eiser dat hij negatieve ervaringen in de opvang heeft gehad, dat hij is gediscrimineerd vanwege zijn seksuele oriëntatie, dat hij incidenten met de politie heeft gehad en dat hij psychische klachten heeft. Eiser voert verder aan dat verweerder de asielaanvraag aan zich moest trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij voor Duitsland uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er geen sprake is van structurele tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 11 september 2024 [3] geoordeeld dat voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in de uitspraken van 14 februari 2025 [4] en 8 oktober 2025. [5] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er in Duitsland sprake is van een fundamentele systeemfout in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt zoals bedoeld in het Jawo-arrest. [6] Eiser is hier niet in geslaagd.
5.1
Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie in Duitsland ten opzichte van de eerdere Afdelingsuitspraken zodanig is gewijzigd dat van die beoordeling niet langer kan worden uitgegaan. De situatie in Duitsland zoals die in het AIDA-rapport update 2024 naar voren komt, geeft (voor wat betreft de opvangsituatie) geen ander beeld van de situatie in Duitsland dan in eerdere rapporten is weergegeven en die is beoordeeld door de Afdeling. [7] Eisers beroep op het AIDA-rapport slaagt daarom niet. Ook in eisers gestelde eigen ervaringen in Duitsland heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat voor Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Die ervaringen heeft eiser immers niet onderbouwd. Mocht eiser toch problemen ervaren in Duitsland of daar discriminatie of geweld ervaren, dan stelt verweerder terecht dat het op de weg van eiser ligt om daarover te klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiser niet willen of kunnen helpen, of dat klagen bij voorbaat geen zin zal hebben. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding eiser te volgen in zijn stelling dat voor Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser heeft gesteld dat hij psychische klachten heeft, maar heeft hier geen medische documenten van overgelegd. Verder is niet gesteld of gebleken dat sprake is van een behandeling waarbij eiser bij overdracht het risico loopt op verslechtering van zijn gestelde psychische klachten. De overgelegde bladzijdes uit zijn dagboek zijn hiervoor onvoldoende. Voor zover eiser stelt dat hij kwetsbaar is, heeft verweerder er terecht op gewezen dat eventuele medische problemen ook in Duitsland kunnen worden behandeld en Nederland deze bij de overdracht kan delen met Duitsland. Voor zover eiser doelt op de door hem aangevoerde individuele omstandigheden die zien op betwisting van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, die in dat kader al door verweerder zijn betrokken en beoordeeld, hoeft verweerder deze omstandigheden niet nogmaals te betrekken bij de motivering waarom hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [8]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat verweerder zijn asielaanvraag niet in behandeling hoeft te nemen en eiser terecht wordt overgedragen aan Duitsland.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
9. Nu er uitspraak wordt gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [9] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht.
2.Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
6.ECLI:EU:C:2019:218.
7.Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 2 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4181.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5358.
9.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.