ECLI:NL:RBDHA:2026:18825

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
11920244
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 6:44 lid 1 BWArt. 150 RvArt. 194 RvArt. 195 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia door vergunningplichtige advisering via tussenpersoon bij effectenleaseovereenkomsten

Afnemer sloot via een tussenpersoon effectenleaseovereenkomsten met Dexia, waarbij Dexia geld leende aan Afnemer dat werd gebruikt om aandelen te kopen. De tussenpersoon beschikte niet over de vereiste vergunning voor beleggingsadvies, maar trad wel als adviseur op. Afnemer leed verlies door waardedaling van de aandelen en vorderde schadevergoeding van Dexia wegens onrechtmatig handelen.

De rechtbank sluit aan bij bestaande jurisprudentie en oordeelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door overeenkomsten aan te gaan terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon vergunningplichtige advisering gaf zonder vergunning. Er is sprake van een causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de door Afnemer geleden schade.

Dexia's verzoek tot inzage van het intakeformulier van Afnemer wordt afgewezen vanwege het verschoningsrecht van de gemachtigde. De vorderingen van Dexia worden afgewezen. Dexia wordt veroordeeld tot betaling van de schade, vermeerderd met wettelijke rente, en de proceskosten. De schade wordt berekend op basis van betaalde termijnen en restschuld minus ontvangen voordelen en eerdere betalingen.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding aan Afnemer wegens onrechtmatig handelen door vergunningplichtige advisering via tussenpersoon zonder vergunning.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag
AR/c
Zaak-/rolnr.: 11920244 RL EXPL 25-18832
28 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[partij A sub 1] ,

2. [partij A sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
verweerders in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak en verweerster in het incident,
eiseres in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Eisers in conventie worden hierna gezamenlijk aangeduid als Afnemer (mannelijk enkelvoud) of afzonderlijk als [partij A sub 1] en [partij A sub 1] . Gedaagde in conventie wordt hierna aangeduid als Dexia.

1.Kern van de zaak

1.1.
Afnemer heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. Afnemer leende geld van Dexia, stelde dat vervolgens weer ter beschikking van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Afnemer betaalde met name rente (inleg), per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de looptijd van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest Afnemer het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zo laag dat Afnemer verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door Afnemer schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door Afnemer geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 1 oktober 2025;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van Dexia, tevens
  • de incidentele conclusie inzake vordering tot inzage ex artikel 195 Rv Pro, tevens houdende conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van de zijde van Afnemer;
  • de conclusie van antwoord in het incident, tevens van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van de zijde van Dexia;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens houdende akte uitlaten producties in conventie van de zijde van Afnemer;
  • de in het geding gebrachte producties.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
Afnemer heeft de volgende leaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
[contractnummer 1]
19 september 2000
Capital Effect
240 mnd
€ 21.758,40
[contractnummer 2]
16 oktober 2000
Capital Effect
240 mnd
€ 81.693,60
3.2.
Tussen Afnemer en Dexia is nog een Capital Effect overeenkomst gesloten met contractnummer [contractnummer 3] . Deze overeenkomst is voor Afnemer winstgevend geweest. Als in het vervolg van het vonnis over ‘de overeenkomsten’ wordt gesproken, wordt daarmee
nietdeze overeenkomst bedoeld. Deze overeenkomst zal apart benoemd worden.
3.3.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met het volgende resultaat:
Contractnr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald?
[contractnummer 1]
Onbekend
- € 1.573,90
Verrekend met dividendopbrengsten en conform hofmodel
[contractnummer 2]
Onbekend
- € 8.729,97
Ja
3.4.
Met betrekking tot de overeenkomst met contractnummer [contractnummer 3] is geen eindafrekening overgelegd.
3.5.
Volgens opgave van Dexia heeft Afnemer op grond van de overeenkomsten in totaal een bedrag van € 24.987,90 aan maandtermijnen en een bedrag van € 8.729,97 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft Afnemer € 3.623,86 aan dividenden ontvangen en € 3.166,01 aan fiscaal voordeel genoten. Op 1 mei 2012 heeft Dexia een bedrag van € 7.312,92 uitgekeerd aan Afnemer, volgens Dexia twee derde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente. Op 9 april 2025 heeft Dexia een bedrag van € 19.700,96 aan Afnemer uitgekeerd.
3.6.
De gemachtigde van Afnemer, Leaseproces, heeft bij brief van 30 augustus 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen onder meer op grond van onrechtmatige daad. Tevens is het recht voorbehouden ook nog andere gronden aan te voeren.
4. De vorderingen en het verweer in de hoofdzaak en in de incidenten in conventie en in reconventie
4.1.
Afnemer vordert dan wel verzoekt, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
-
in de hoofdzaak:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afnemer
  • voor recht zal verklaren dat Afnemer schade heeft geleden als gevolg van het
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan Afnemer van al datgene dat Afnemer aan
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Afnemer,
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert dan wel verzoekt, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
-
in het incident, voorwaardelijk:
 Afnemer ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken
van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens Afnemer in deze
procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend;
-
in de hoofdzaak:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan Afnemer verschuldigd is;
  • Afnemer zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in de incidentenalgemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie Afnemer.
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Recent is daar een aantal uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bijgekomen. [2] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van nietigheid of vernietigbaarheid krachtens
de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
het incidentele verzoek van Dexia
5.4.
Dexia verzoekt dat Afnemer wordt veroordeeld het intakeformulier van zijn gemachtigde aan Dexia te verstrekken. Een zogenoemd “exhibitieverzoek” komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende uit artikel 194 Rv Pro voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:
- degene die het verzoek doet, dient voldoende belang te hebben,
- het moet gaan om bepaalde gegevens,
- aangaande een rechtsbetrekking waarin hij/zij partij is.
5.5.
Daargelaten de vraag of aan deze vereisten is voldaan, oordeelt de kantonrechter dat op grond van het tweede lid van artikel 194 Rv Pro geen inzage van het intakeformulier verlangd kan worden. In het tweede lid onder a van artikel 194 Rv Pro is, kortgezegd, bepaald dat beoefenaren van vertrouwensberoepen ter zake van hetgeen hen in hun hoedanigheid is toevertrouwd niet gehouden zijn om aan het exhibitieverzoek te voldoen. In beginsel betreft dit alle met de beroepsbeoefenaar gewisselde stukken en is het aan de beroepsbeoefenaar om te bepalen of die informatie hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd. Er is dus bij hoge uitzondering ruimte om van de beroepsbeoefenaar te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Ook van Afnemer als cliënt van de beroepsbeoefenaar kan (ervan uitgaande dat Afnemer, althans zijn gemachtigde, in het bezit is van het intakeformulier) geen inzage worden verlangd omdat gewichtige redenen als bedoeld in het tweede lid onder b van artikel 194 Rv Pro, zich daartegen verzetten. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens Afnemer destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens, via een toegewezen exhibitieverzoek, bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.6.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van Afnemer worden begroot op € 87,00.
verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van Afnemer inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [3] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.7.
Afnemer heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [adviesbureau] . Tussen partijen is niet in geschil dat deze tussenpersoon niet beschikte over een voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [4] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 Nadere Pro regeling toezicht effectenverkeer (NR) 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenlease-overeenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer, ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.8.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon Afnemer heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Afnemer, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op Afnemer als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door Afnemer gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door Afnemer in 2004 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.9.
Afnemer stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“ [partij A sub 1] c.s. is in contact gekomen met [adviesbureau] doordat hij ongevraagd is benaderd door een adviseur, te weten de heer [de adviseur] (hierna te noemen ‘de adviseur’). Er hebben vervolgens meerdere huisbezoeken plaatsgevonden.
Tijdens de huisbezoeken is er gesproken over de financiële situatie van [partij A sub 1] c.s. Er is gesproken over het werk van [partij A sub 1] c.s., wat hij verdiende en wat zijn vaste lasten waren. [partij A sub 1] c.s. heeft zijn gehele financiële plaatje doorgenomen met de adviseur. [partij A sub 1] c.s. heeft aangegeven dat hij als doel had om te sparen voor zijn pensioen en voor de kinderen. [partij A sub 1] c.s. had op dat moment geen vaste aanstelling en wilde anticiperen op een mogelijk pensioengat. Omdat [partij A sub 1] c.s. overwaarde had op zijn woning, vroeg hij zich af of het verstandig was hiermee te sparen. De adviseur gaf aan dat dit mogelijk was en dat hij hier een geschikte constructie voor kon adviseren.
Hij adviseerde [partij A sub 1] c.s. om twee Capital Effect overeenkomsten af te sluiten met een maandbetaling van ongeveer NLG 200,- en een maandbetaling van ongeveer NLG 750,-. De adviseur presenteerde de Capital Effect overeenkomsten als een geschikt pro-duct voor [partij A sub 1] c.s. om vermogen op te bouwen voor het pensioen van [partij A sub 1] c.s. en voor de toekomst van de kinderen. De adviseur had alleen maar mooie verhalen geschetst. Er werd verteld dat niet mis kon gaan en dat er belegd werd in goede Nederlandse bedrijven.
De adviseur adviseerde [partij A sub 1] c.s. om ter bekostiging van de Capital Effect overeenkomsten zijn hypotheek over te sluiten naar de Westland Utrecht, waarbij [partij A sub 1] c.s. zijn oude hypotheek af zou lossen en NLG 90.000 in het bestaande effectendepot van [partij A sub 1] c.s. zou storten. Hierdoor zou [partij A sub 1] c.s. op het effectendepot voldoende geld voorhanden hebben om de maandbetalingen van de Capital Effect overeenkomsten te kunnen betalen. middels deze constructie zou [partij A sub 1] c.s. genoeg vermogen op kunnen bouwen om zijn doelen te verwezenlijken. [partij A sub 1] c.s. vertrouwde op het advies en dat de producten alsmede de constructie geschikt was voor hem.
De adviseur heeft [partij A sub 1] c.s. niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met de inleg de rentelasten voor een lening (de effectenleaseovereenkomst) werd betaald en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als [partij A sub 1] c.s. had geweten van de risico’s, dan had hij de overeenkomsten nooit afgesloten.
[partij A sub 1] c.s. had nauwelijks ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en heeft het advies van de adviseur opgevolgd. [partij A sub 1] c.s. vertrouwde volledig op de deskundigheid van de adviseur. De aanvraag voor de overeenkomsten is door de adviseur in gang gezet. De overeenkomsten zijn getekend in het bijzijn van de adviseur. De overeenkomsten werden door de adviseur naar Bank Labouchere verzonden.”
5.10.
Afnemer heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van de aanvraagformulieren van de overeenkomsten, waar boven staat [adviesbureau] en ATP-nummer [nummer] is ingevuld;
  • kopieën van de overeenkomsten, voorzien van de tekst “Adviseur: [nummer] - [adviesbureau] .”;
  • een notariële nota van afrekening, waaruit blijkt dat Afnemer met een nieuwe lening van Westland Utrecht ten bedrage van NLG 275.000,-- de oude hypothecaire lening van ruim NLG 175.000,-- zou aflossen en NLG 90.000,00 in een effectendepot zou storten;
  • een schermafbeelding van de website van Van den [adviesbureau] Adviesgroep, waarop onder andere te lezen is:
“Voor al uw verzekeringen, uw hypotheken, uw leningen, spaarregelingen, pensioenen en beleggingen is van den [adviesbureau] Adviesgroep een goede keuze. U krijgt een deskundig advies, volledig toegesneden op uw persoonlijke omstandigheden. We stemmen al uw financiële regelingen nauwkeurig op elkaar af, waardoor u een stuk voordeliger uit bent.”
aanhoudingsverzoek
5.11.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven 's-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.12.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.13.
Dexia heeft tegen de bewuste overwegingen (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat de gemachtigde van Afnemer ten onrechte op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vaststellingsplicht rust, en;
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.14.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals Afnemer onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [5] [6] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft Afnemer, tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia betwist dat informatie die de tussenpersoon heeft verkregen over de financiële omstandigheden van Afnemer daadwerkelijk gebruikt is om Afnemer te adviseren. Zij wijst erop dat Afnemer zelf stelt dat er geen onderzoek is gedaan naar haar financiële situatie. Hierbij ziet Dexia echter over het hoofd dat dit verwijt met betrekking tot het gebrekkige onderzoek is gericht tot Dexia. Volgens Afnemer heeft de tussenpersoon uitgebreid geïnformeerd naar de financiële situatie van Afnemer en daarbij zijn wensen voor de toekomst met hem besproken, om vervolgens op basis daarvan een persoonlijk advies te geven. Volgens Dexia heeft de gemachtigde van Afnemer in een andere zaak in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken opgenomen, op grond waarvan ook getwijfeld moet worden aan de juistheid van deze weergave van Afnemer. Wat daarvan zij, Dexia heeft de door Afnemer geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Haar betoog dat Afnemer zijn stellingen op grond van artikel 150 Wetboek Pro van burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet bewijzen, gaat daarom niet op. In dat artikel staat weliswaar dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt (tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit), maar dat is pas aan de orde als de andere partij die feiten gemotiveerd heeft betwist. Bij onvoldoende concrete en gemotiveerde betwisting van een stelling mag de rechter immers van de juistheid van die stelling uitgaan, zonder dat daarvan bewijs wordt verlangd. Dat betekent dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen, en dat dus ook het leveren van tegenbewijs niet aan de orde is. Als de door de Afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, had Dexia dit kunnen weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar wel is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen Afnemer en de adviseur van de tussenpersoon en er voor haar geen aanleiding was eerder onderzoek te doen omdat Afnemer pas zeer laat een beroep heeft gedaan op advisering, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals Afnemer, en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent, betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat de onmogelijkheid haar betwisting met feiten te onderbouwen voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.15.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan Afnemer. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met Afnemer kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot Afnemer voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.16. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met Afnemer de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens Afnemer onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan Afnemer omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [7] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van Afnemer in conventie5.17. De door Afnemer gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemer niet alleen als klant aanbracht maar Afnemer tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.18.
De als gevolg hiervan door Afnemer geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de Afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Afnemer heeft bij conclusie van repliek in conventie een brief van de Belastingdienst met als bijlage de aangifte inkomstenbelasting van [partij A sub 1] over het jaar 2000 overgelegd (productie N), waaruit volgens Afnemer volgt dat Dexia het verkeerde belastingtarief (50%) heeft gebruikt. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft in het arrest van 16 april 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:1327) uitgelegd hoe de berekening gemaakt moet worden om het fiscaal voordeel te begroten in de gevallen waar de Wet IB 1964 van toepassing is. Daaruit volgt dat in deze zaak bij de berekening van het fiscaal voordeel moet worden uitgegaan van het lagere, door Afnemer genoemde tarief. Afnemer heeft naar het oordeel van de kantonrechter namelijk voldoende gemotiveerd betwist dat het rentetarief van 50% moet worden gehanteerd, om dat uit de bijlage bij de brief van de Belastingdienst blijkt dat het inkomen van [partij A sub 1] -de Koster lager was dan het inkomen van [partij A sub 1] (“partners arbeidsinkomen huwelijkse periode NLG 19.854”). Daarom moet uitgegaan worden van het stipinkomen van [partij A sub 1] van NLG 28.560,00 en het daarbij horende lagere door Afnemer genoemde tarief van 37,95%.
5.19.
In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). Afnemer heeft zijn schade berekend op € 20.502,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dexia heeft deze schadeberekening betwist. Dexia heeft gewezen op het bedrag van € 19.700,96 (inclusief € 10.922,77 aan wettelijke rente) dat zij op 9 april 2025 aan Afnemer als “onverplichte uitbetaling” heeft uitgekeerd. Dexia stelt zich op het standpunt dat dit bedrag voor € 10.922,77 uit rente bestaat zodat € 8.778,19 in mindering strekt op de schade van Afnemer. Volgens Dexia bedraagt de schade van Afnemer daarmee € 11.215,77. Afnemer betwist niet dat hij de onverplichte uitbetaling heeft ontvangen, maar weerspreekt dat daarvan € 10.922,77 rente is, althans dat Dexia dat niet inzichtelijk heeft gemaakt.
5.19.
Als een schuldenaar bij een aanbod tot betaling voor de toerekening van deze betaling een andere volgorde aanwijst dan volgt uit artikel 6:44 lid 1 BW Pro, kan een schuldeiser dat aanbod tot betaling weigeren zonder daardoor in verzuim te komen. Afnemer heeft als schuldeiser de betaling van Dexia als schuldenaar niet geweigerd. In beginsel geldt daarom dat deze betaling moet worden toegerekend op de door Dexia voor deze betaling aangegeven wijze. Dexia heeft echter niet gesteld, en dat blijkt ook niet uit de processtukken, dat zij bij het aanbod tot betaling een andere volgorde van toerekening heeft aangewezen. Een andere volgorde van toerekening kan niet op een later moment alsnog door Dexia worden aangewezen. Dat betekent dat de kantonrechter ervan moet uitgaan dat de schadeberekening van Afnemer juist is en de betaling van Dexia van € 19.700,96 conform artikel 6:44 lid 1 BW Pro in mindering dient te strekken op de vordering van Afnemer.
5.20.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.21.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door Afnemer aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het incidentele verzoek van Afnemer
5.22.
Afnemer verzoekt Dexia – in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie niet langer voorwaardelijk – op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier en de bij Dexia in bezit zijnde ondertekende overeenkomst. Uit het voorgaande volgt dat Afnemer in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd.
vorderingen Dexia
5.23.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.24.
Omdat Afnemer inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van Afnemer gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
De proceskosten in conventie van Afnemer worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 93,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 957,47
5.25.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter:
in het incident van Afnemer
6.1.
wijst het verzoek af;
6.2.
compenseert de proceskosten;
in het incident van Dexia
6.3.
wijst het verzoek af;
6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten van Afnemer, tot op heden begroot op € 87,00;
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemer niet alleen als klant aanbracht maar Afnemer tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat;
6.6.
verklaart voor recht dat Afnemer schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade aan Afnemer te vergoeden;
6.7.
veroordeelt Dexia om binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan Afnemer te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.19, waarop conform artikel 6:44 lid 1 BW Pro in mindering strekt het door Dexia op 9 april 2025 aan Afnemer betaalde bedrag van € 19.700,96;
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 957,47, te betalen binnen veertien (14) dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien (14) dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
6.12.
wijst de vorderingen af;
6.13.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van Afnemer gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.B. Verkleij, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2025:1317.
3.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
4.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
5.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
6.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
7.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.