ECLI:NL:RBDHA:2026:18919

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL24.17465
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 72 lid 3 VwRichtlijn 2001/55/EGVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming van derdelander op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming

Eiser, een derdelander afkomstig uit India en tijdelijk beschermd op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (RTB) vanwege zijn verblijf in Oekraïne, betwistte de beëindiging van zijn facultatieve tijdelijke bescherming door de minister. De minister had in een brief van 5 februari 2024 medegedeeld dat de bescherming zou eindigen op 4 maart 2024, een wijziging ten opzichte van een eerder besluit dat de bescherming per 4 september 2023 zou beëindigen.

De rechtbank stelde vast dat de brief van 5 februari 2024, hoewel deels een besluit intrekkend, voor het overige een bestuurlijk rechtsoordeel bevatte dat niet als besluit kwalificeerde, maar dat in dit geval gelijkgesteld kon worden met een besluit, zodat beroep mogelijk was. De rechtbank volgde de eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest Kaduna) die bevestigden dat de facultatieve tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 kon eindigen.

Eiser bracht geen nieuwe feiten of argumenten naar voren die het eerdere oordeel konden weerleggen. De rechtbank verklaarde het beroep daarom ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak bevestigt dat de minister de bescherming terecht heeft beëindigd en dat de rechtspositie van eiser vanaf die datum is gewijzigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17465

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over het beëindigen van de facultatieve tijdelijke bescherming die eiser was toegekend op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (hierna: RTB). [2] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eiser terecht heeft meegedeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming is geëindigd op 4 maart 2024. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1
Met de brief van 5 februari 2024 heeft de minister eiser bericht dat hij tot 4 maart 2024 valt onder de RTB en dat een eerder besluit, waarin stond dat de einddatum van de facultatieve tijdelijke bescherming 4 september 2023 was, wordt ingetrokken. Ook staat in deze brief dat eiser na 4 maart 2024 wel in Nederland mag blijven, omdat hij een verblijfsvergunning heeft, maar dat hij na 4 maart 2024 geen recht meer heeft om te wonen of te werken onder de richtlijn.
2.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de brief van 5 februari 2024.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
2.4
De minister heeft op 12 juni 2026 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

3.1
Eiser komt uit India. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de RTB.
3.2
De referent van eiser, een onderwijsinstelling, heeft op 13 december 2023 namens eiser een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend. Bij brief van 28 december 2023 heeft de minister referent bericht van plan te zijn een verblijfsdocument aan eiser te verstrekken met een geldigheidsduur van 12 februari 2024 tot mei 2028, onder de beperking ‘studie’.
3.3
De minister heeft eiser bij besluit van 28 augustus 2023 bericht dat de facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de RTB met ingang van 4 september 2023 zou eindigen, maar heeft dat in de nu bestreden brief gewijzigd in 4 maart 2024. Aanleiding voor die wijziging was de uitspraak van de Afdeling [3] van 17 januari 2024 [4] waarin is bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfs-vergunning niet op 4 september 2023 kon worden beëindigd, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024.
3.4
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [5] en 25 april 2024 [6] prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ [7] . De prejudiciële vragen van de Afdeling zijn voor de minister aanleiding geweest om derdelanders - in afwachting van de beantwoording van deze vragen - weer dezelfde rechten te verlenen als ontheemden die onder de RTB vallen (de bevriezingsmaatregel). [8]
3.5
De gestelde prejudiciële vragen zijn door het HvJ beantwoord in een arrest van
19 december 2024 (arrest Kaduna) [9] . Het HvJ heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft, zolang de lidstaat de algemene beginselen van het Unierecht in acht neemt. Ook heeft het HvJ geoordeeld dat het de lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is geëindigd.
3.6
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [10] met inachtneming van het arrest Kaduna geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 heeft kunnen beëindigen. Bij brief van 3 juni 2025 [11] heeft de minister vervolgens meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op
10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest Kaduna einduitspraak [12] gedaan.
3.7
Bij primair besluit van 20 maart 2026 heeft de minister de verblijfsvergunning regulier die aan eiser was verleend ingetrokken vanaf 8 april 2024. Dit besluit is ook een terugkeerbesluit. In zijn bericht van 7 april 2026 heeft eiser aangegeven het niet eens te zijn met dit besluit. De rechtbank heeft dit bericht als bezwaar doorgestuurd naar de minister.
Kon eiser beroep instellen tegen de brief van 5 februari 2024?
4.1
De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de brief van 5 februari 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb [13] omdat deze brief alleen maar informatie geeft over de gevolgen van de uitspraak van de Afdeling van
17 januari 2024. In die uitspraak is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van zogenoemde derdelanders van rechtswege, dat wil zeggen: automatisch, op 4 maart 2024 eindigt. De brief roept dus geen nieuwe juridische gevolgen in het leven. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk
4.2
De rechtbank stelt voorop dat de brief van 5 februari 2024 wel een besluit is voor zover daarin het besluit van 28 augustus 2023 wordt ingetrokken. Dat onderdeel van de brief wordt door eiser echter niet betwist. De rechtbank overweegt dat de brief voor het overige niet méér inhoudt dan de mededeling aan eiser, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de RTB op
4 maart 2024 eindigt en wat hiervan de gevolgen zijn. Deze mededeling aan eiser is niet op rechtsgevolg gericht, maar puur informatief van aard. De wijziging in de rechtspositie van eiser vloeit namelijk van rechtswege voort – zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 – uit de RTB en de daarop gebaseerde besluitvorming van de Raad van de Europese Unie (Raad). Dat oordeel heeft de Afdeling later bevestigd. [14] Deze mededeling is dan ook niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb.
4.3
De mededeling in de brief is ook geen feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw [15] . De minister heeft in de brief van 5 februari 2024 naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling zijn visie gegeven over de rechtspositie van eiser. De mededeling van de minister is daarom naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een bestuurlijk rechtsoordeel. De minister heeft in de brief een zelfstandig en definitief bedoeld rechtsoordeel gegeven over de toepasselijkheid van een op eiser van toepassing zijnde regeling.
4.4
Een bestuurlijk rechtsoordeel is geen besluit. In uitzonderingsituaties moet een bestuurlijk rechtsoordeel echter als besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. [16]
4.5
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval voor eiser geen andere manier was om de vraag of de facultatieve tijdelijke bescherming voor hem geëindigd was bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. Er was immers geen daadwerkelijk besluit genomen aan de hand waarvan hij een en ander aan kon vechten. Pas op 20 maart 2026, meer dan twee jaar na de brief van 5 februari 2024, is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, op het moment dat eisers reguliere vergunning werd ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat van eiser niet kon worden verlangd om dit terugkeerbesluit af te wachten, nu het antwoord op de vraag of de facultatieve tijdelijke bescherming al dan niet was geëindigd voor eiser in de tussentijd wel van belang was. Als eiser geen bescherming op grond van de RTB meer had, dan kwam hij immers niet meer in aanmerking voor gemeentelijke opvang en kon hij ook niet meer werken zonder tewerkstellingsvergunning.
4.6
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het bestuurlijk rechtsoordeel in dit geval gelijk kan worden gesteld met een besluit en dat eiser daar dus beroep tegen in kon stellen.
4.7
Het beroep is daarom ontvankelijk.
Over het beëindigen van de facultatieve tijdelijke bescherming
5.1
Zoals eerder in deze uitspraak al vermeld, heeft de Afdeling in haar uitspraken van 23 april 2025 met inachtneming van het arrest Kaduna van het HvJ geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 heeft kunnen beëindigen.
5.2
De gronden van beroep die eiser heeft ingediend dateren van vóór deze uitspraken van de Afdeling. Eiser heeft, ook desgevraagd ter zitting, niets naar voren gebracht waaruit volgt dat het oordeel dat in de uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024 en 23 april 2025 is neergelegd geen stand zou kunnen houden. De rechtbank ziet geen aanleiding die uitspraken niet te volgen.
5.3
De minister heeft eiser daarom terecht bericht dat de facultatieve tijdelijke bescherming eindigde op 4 maart 2024.

Conclusie en gevolgen

6.1
Het beroep is ongegrond.
6.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie.
8.Kamerbrief van 25 april 2024, met kenmerk 5431272.
9.ECLI:EU:C:2024:1038.
11.TK 2024-2025, 19637, nr. 3434.
13.Algemene wet bestuursrecht.
14.Zie bijvoorbeeld uitspraak van 23 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3572.
15.Vreemdelingenwet 2000.
16.Afdeling 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2554.