ECLI:NL:RBDHA:2026:1933
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en overschrijding redelijke termijn
Eiser ontving bijstand vanaf 2018 en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een signaal over een niet-gemelde auto startte het college een onderzoek naar zijn hoofdverblijf. Uit diverse onderzoeken, waaronder buurtonderzoek, waarnemingen en bankafschriften, bleek dat eiser sinds de geboorte van zijn tweede kind in 2023 vaker verbleef bij zijn partner en kinderen op een ander adres.
Het college trok de bijstand per 5 april 2023 in en vorderde de te veel ontvangen uitkering terug. Eiser voerde aan dat het college onvoldoende bewijs had geleverd en dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het college aan zijn bewijslast had voldaan en dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van zijn hoofdverblijf.
De rechtbank stelde vast dat de terugvordering terecht was en dat er geen dringende redenen waren om hiervan af te zien. Wel werd de Staat veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 wegens een overschrijding van de redelijke termijn van drie maanden in de beroepsprocedure. Daarnaast werden proceskosten van €467 toegewezen voor het verzoek om schadevergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard, met een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.