ECLI:NL:RBDHA:2026:20585

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL24.6960
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit wegens prematuriteit tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander

Eiseres, een Marokkaanse nationaliteit houdende vrouw die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen, kreeg facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Verweerder stelde haar asielaanvraag buiten behandeling en beëindigde aanvankelijk de tijdelijke bescherming per 4 september 2023, maar deze beëindiging werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State teruggedraaid en vastgesteld dat de bescherming van rechtswege eindigde op 4 maart 2024.

Op 7 februari 2024 vaardigde verweerder een terugkeerbesluit uit dat eiseres per 5 maart 2024 Nederland moest verlaten. Eiseres stelde beroep in en verzocht om voorlopige voorzieningen, waarvan één werd toegewezen waardoor zij werd behandeld alsof zij tijdelijke bescherming genoot totdat het beroep was beslist.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde dat facultatieve tijdelijke bescherming eerder kan worden ingetrokken dan de verplichte bescherming, maar dat een terugkeerbesluit niet kan worden uitgevaardigd voordat de bescherming is geëindigd. De Afdeling bevestigde dit en stelde dat het terugkeerbesluit prematuur was omdat het werd genomen vóór het einde van de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het terugkeerbesluit en veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit is prematuur en wordt vernietigd; eiseres behoudt tijdelijke bescherming tot 4 maart 2024.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6960

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. A.A.W.A. Vissers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiseres heeft op 23 februari 2024 tegen dat besluit beroep ingesteld. Zij heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.6961).
Eiseres heeft op 29 februari 2024 beroepsgronden ingediend.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft het verzoek om een voorlopige voorziening bij uitspraak van 28 maart 2024 afgewezen.
Eiseres heeft daarna een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.14501). Bij uitspraak van 5 april 2024 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen en bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat eiseres niet wordt uitgezet en dat zij wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming op haar van toepassing is, totdat op het door haar ingestelde beroep is beslist.
Met toestemming van partijen doet de rechtbank op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1998 en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Zij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Richtlijn Tijdelijke Bescherming; RTB). Ook heeft zij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 31 mei 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat.
2. Verweerder heeft aanvankelijk bij besluit van 14 augustus 2023 bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Bij brief van 6 september 2023 heeft verweerder eiseres geïnformeerd dat de gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 17 januari 2024 [1] geoordeeld dat verweerder de facultatieve bescherming niet per 4 september 2023 heeft kunnen beëindigen, en heeft bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege eindigt op 4 maart 2024
.Bij brief van 24 januari 2024 heeft verweerder vervolgens eiseres gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024.
Bestreden besluit
3. Verweerder heeft op 7 februari 2024 tegen eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin is vastgesteld dat eiseres met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en bepaald dat zij de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten om terug te keren naar het land waarvan zij de nationaliteit heeft (Marokko). Voorts is aangegeven dat eiseres vanwege dit terugkeerbesluit in het Schengen Informatie Systeem (SIS) wordt gesignaleerd.
Beoordeling door de rechtbank
4. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [2] en op 25 april 2024 [3] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) over de beëindiging van deze tijdelijke bescherming. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen van wie de tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de RTB hadden. [4]
5. Het Hof heeft bij arrest van 19 december 2024 [5] de door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde vragen beantwoord. Het Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [6] uitgelegd hoe het arrest van het Hof dient te worden toegepast en heeft bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Verder heeft de Afdeling vastgesteld dat uit het arrest volgt dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort. Bij brief van 3 juni 2025 aan de Tweede Kamer heeft verweerder meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen [7] . Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [8]
6. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij meerdere beroepsgronden naar voren gebracht.
7. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Aangezien het terugkeerbesluit al op 7 februari 2024 is genomen, is het terugkeerbesluit prematuur. Verweerder heeft ook geen later terugkeerbesluit opgelegd. Het beroep is dus gegrond. De (overige) beroepsgronden behoeven geen bespreking.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond.
9. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

4.Brief van verweerder van 25 april 2024 aan de Tweede Kamer, kenmerk 5431272.
5.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
7.Kamerstukken II, 2024-2025, 19637, nr. 3434.