ECLI:NL:RBDHA:2026:20727

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
NL24.8397
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit wegens te vroege intrekking tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander

Eiser, een derdelander met de Bengalese nationaliteit die vanuit Oekraïne naar Nederland is gekomen, kreeg facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Verweerder stelde de tijdelijke bescherming aanvankelijk per 4 september 2023 beëindigd, maar deze beëindiging werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State teruggedraaid en vastgesteld dat de bescherming van rechtswege eindigde op 4 maart 2024.

Op 7 februari 2024 vaardigde verweerder een terugkeerbesluit uit dat eiser verplichtte Nederland binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten. Dit besluit werd echter door de rechtbank als te vroeg genomen beoordeeld, omdat de tijdelijke bescherming formeel nog van kracht was tot 4 maart 2024. De Afdeling bevestigde dat een terugkeerbesluit niet kan worden uitgevaardigd voordat de tijdelijke bescherming is geëindigd.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het terugkeerbesluit en veroordeelde verweerder in de proceskosten van € 934,-. De overige beroepsgronden werden niet inhoudelijk behandeld omdat het primaire bezwaar gegrond was. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:57 Awb Pro.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit is vernietigd omdat het te vroeg is genomen vóór het einde van de tijdelijke bescherming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8397

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft op 1 maart 2024 tegen dat besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.10212).
Eiser heeft op 1maart 2024 beroepsgronden ingediend.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft het verzoek om een voorlopige voorziening bij uitspraak van 27 maart 2024 afgewezen.
Eiser heeft daarna een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.15266). Bij uitspraak van 10 april 2024 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen en bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat eiser niet wordt uitgezet en dat hij wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming op hem van toepassing is, totdat op het door hem ingestelde beroep is beslist.
Met toestemming van partijen doet de rechtbank op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Bengalese nationaliteit. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Richtlijn Tijdelijke Bescherming; RTB). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 18 augustus 2023 buiten behandeling gesteld.
2. Verweerder heeft aanvankelijk bij besluit van 18 augustus 2023 bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Bij brief van 7 september 2023 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat de gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 17 januari 2024 [1] geoordeeld dat verweerder de facultatieve bescherming niet per 4 september 2023 heeft kunnen beëindigen, en heeft bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege eindigt op 4 maart 2024
.Bij brief van 24 januari 2024 heeft verweerder vervolgens eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024. Op 16 februari 2024 heeft verweerder het besluit van 18 augustus 2023 ingetrokken.
Bestreden besluit
3. Verweerder heeft op 7 februari 2024 tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin is vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en bepaald dat hij de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten om terug te keren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft (Bengladesh). Voorts is aangegeven dat eiser vanwege dit terugkeerbesluit in het Schengen Informatie Systeem (SIS) wordt gesignaleerd.
Beoordeling door de rechtbank
4. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [2] en op 25 april 2024 [3] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) over de beëindiging van deze tijdelijke bescherming. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen van wie de tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de RTB hadden. [4]
5. Het Hof heeft bij arrest van 19 december 2024 [5] de door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde vragen beantwoord. Het Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [6] uitgelegd hoe het arrest van het Hof dient te worden toegepast en heeft bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Verder heeft de Afdeling vastgesteld dat uit het arrest van het Hof volgt dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort. Bij brief van 3 juni 2025 aan de Tweede Kamer heeft verweerder meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen [7] . Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [8]
6. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij meerdere beroepsgronden naar voren gebracht.
7. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Aangezien het terugkeerbesluit echter al op 7 februari 2024 is genomen, is het terugkeerbesluit, zoals volgt uit de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, te vroeg genomen. Verweerder heeft ook geen later terugkeerbesluit opgelegd. Het beroep is dus gegrond. De (overige) beroepsgronden behoeven geen bespreking.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond.
9. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

4.Brief van verweerder van 25 april 2024 aan de Tweede Kamer, kenmerk 5431272.
5.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
7.Kamerstukken II, 2024-2025, 19637, nr. 3434.