ECLI:NL:RBDHA:2026:21092

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
NL23.29544, 23.39546 en 23.29548
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 lid 3 richtlijn 2013/32/EUArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 2 sub d richtlijn 2011/95/EUArt. 13 Verordening (EU) 2024/1347Art. 23 Verordening (EU) 2024/1347
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning verblijfsstatus aan dochters en afgeleide verblijfsrechten aan ouders en overige kinderen na prejudiciële vragen over geloofwaardigheid asielrelaas

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft beroepen van eisers tegen besluiten van de minister van Asiel en Migratie over hun asielaanvragen, met name over de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de gegrondheid van de vrees voor vervolging. De rechtbank heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU over de bevoegdheid van de rechtbank om zelf een bindend oordeel te geven over de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de uitleg van het begrip 'gegronde vrees'.

Het Hof heeft in het arrest Ebilum bevestigd dat de rechtbank bevoegd is om een eigen, bindend oordeel te geven over de geloofwaardigheid van het relaas en de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming, en dat een redelijke mate van waarschijnlijkheid vereist is voor een gegronde vrees voor vervolging. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de verklaringen van de dochters geloofwaardig zijn en dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat zij bij terugkeer vervolgd zullen worden vanwege hun vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen.

De rechtbank besluit zelf in de zaak te voorzien door de dochters een vluchtelingenstatus toe te kennen en de ouders en overige kinderen een afgeleid verblijfsrecht te verlenen op grond van artikel 23 van Pro Verordening (EU) 2024/1347, zonder nader onderzoek naar zelfstandige asielmotieven van deze gezinsleden. Tevens worden de bestreden besluiten vernietigd en wordt de minister opgedragen binnen 90 dagen verblijfsvergunningen en verblijfstitels te verstrekken, onder dreiging van dwangsommen. De minister wordt ook veroordeeld in de proceskosten van eisers.

Uitkomst: De rechtbank kent de dochters een vluchtelingenstatus toe en verleent afgeleide verblijfsrechten aan ouders en overige kinderen, met vernietiging van de bestreden besluiten en oplegging van dwangsommen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.29544, NL23.29546 en NL23.29548
einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[X] [1] , [X] , [X] , [X] , [X] , [X] en [X] en [X] ,V-nummers: [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , eisers.
(gemachtigde: mr. T. Neijzen),
[X] wordt hierna vader genoemd, [X] wordt hierna moeder genoemd, gezamenlijk worden zij “ouders” genoemd. [X] , [X] en [X] worden als “de dochters” aangeduid. De overige kinderen worden hierna als “overige kinderen” aangeduid.
en
de Minister van Asiel en Migratie [2] , de minister
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

1.Inleiding

1.1.
Deze uitspraak gaat over de beroepen van eisers tegen de besluiten van 11 september 2023, de aanvullende besluiten van 25 februari 2025 en de intrekkingsbesluiten van 12 juni 2025 en is een vervolg op de tussenuitspraak van 4 juli 2025. Voor de aanleiding tot en de inhoud van de besluiten en voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. [3] Hieronder volgt een korte samenvatting.
1.2.
Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister, blijkens diens opvolgende besluiten in samenhang bezien, de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters;
- vrees voor uithuwelijking van dochters;
- vrees voor besnijdenis van dochters;
- de vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
1.3.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Hij vindt de verklaringen rondom de problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking ongeloofwaardig. Verder acht de minister de vrees voor uithuwelijking en besnijdenis niet aannemelijk. Tot slot acht de minister de vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen ongeloofwaardig. De minister heeft deze besluiten vervolgens op 12 juni 2025 ingetrokken.
1.4.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de intrekkingsbesluiten bij einduitspraak zullen worden vernietigd, zodat de rechtbank vervolgens de besluiten van 11 september 2023 en 25 februari 2025 inhoudelijk heeft beoordeeld (mede) aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
1.5.
In de tussenuitspraak is eerst ingegaan op de vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Vervolgens is ingegaan op de problemen met buurman. De motivering ten aanzien van die relevante elementen konden naar het oordeel van de rechtbank geen stand houden. Aangezien de vrees voor besnijdenis en de vrees voor uithuwelijking beïnvloed kunnen worden door de relevante elementen “vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen” en “problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters” en de besluiten ten aanzien van die elementen reeds onvoldoende waren gemotiveerd, heeft de rechtbank de vrees voor uithuwelijking en besnijdenis vooralsnog niet als aparte onderwerpen besproken.
1.6.
De rechtbank kwam vervolgens tot de conclusie dat ten aanzien van de vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, de verklaringen van de dochters naar het oordeel van de rechtbank geloofwaardig waren. De rechtbank stelde evenwel vast dat de rechtspraak van de Afdeling [4] niet toestond dat de rechtbank zelf zou oordelen dat een asielrelaas geloofwaardig is. De rechtbank twijfelde echter aan de juistheid van die rechtspraak, en is dan ook overgegaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof [5] hierover.
1.7.
Verder stelde de rechtbank vast dat als uit wordt gegaan van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de dochters over de vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, naar het oordeel van de rechtbank sprake zou zijn van een gegronde vrees voor vervolging indien het begrip “gegronde vrees” moet worden uitgelegd als ‘een redelijke mate van waarschijnlijkheid’. Dit zou temeer klemmen als voor de uitleg van een redelijke mate van waarschijnlijkheid zou worden aangesloten bij het criterium van een nuchter en redelijk persoon in de positie van de asielzoeker, zoals dat door het Bundesverwaltungsgericht en ook in de Amerikaanse rechtspraak is geformuleerd. Omdat de rechtspraak van de Afdeling een eigen oordeel van de rechtbank over de gegrondheid van de vrees voor vervolging evenmin toeliet, en het Hof zich nog niet over de invulling van de “gegronde vrees” had uitgelaten, heeft de rechtbank ook hierover prejudiciële vragen gesteld.
1.8.
De prejudiciële vragen van de rechtbank luidden als volgt:
Kan de rechtbank aan artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32/EU, al dan niet in samenhang bezien met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU, dan wel aan enige andere bepaling of beginsel van EU-recht, de bevoegdheid ontlenen om een eigen oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas te geven, dat in de plaats treedt van het oordeel dat de minister heeft gegeven?
Kan de rechtbank aan een van voornoemde bepalingen de bevoegdheid ontlenen om aan de hand van de door de minister geloofwaardig geachte onderdelen van het asielrelaas en, zo het antwoord op vraag 1 bevestigend is, de onderdelen van het asielrelaas die de rechtbank daarenboven geloofwaardig acht, een inhoudelijk en definitief oordeel te geven over het verzoek om internationale bescherming? Mag de rechtbank daarbij haar eigen oordeel over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade in de plaats stellen van dat van de minister, met name als de rechtbank zich tegen de achtergrond van beschikbare voor het publiek toegankelijke landeninformatie voldoende geïnformeerd acht om een dergelijk oordeel te geven?
Kan de nationale rechtspraak, bijvoorbeeld op grond van de procedurele autonomie, de bevoegdheden als bedoeld onder vragen 1 en 2 inperken, in die zin dat die bevoegdheden alsnog exclusief aan de minister worden toebedeeld?
Mag de rechtbank informatie die in beroep naar voren is gebracht, maar in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar was, betrekken bij het oordeel over de vraag of hij over genoeg informatie beschikt om een inhoudelijk oordeel te geven? Is daarbij relevant of partijen schriftelijk, dan wel ter zitting zich volledig over de feiten hebben kunnen uitlaten?
Dient onder ‘gegronde vrees’ als bedoeld in artikel 2 sub d van Pro richtlijn 2011/95/EU te worden verstaan de situatie dat sprake is van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat bij terugkeer de asielzoeker zal worden vervolgd? Dient die redelijke mate van waarschijnlijkheid te worden ingevuld aan de hand van het criterium van een ‘nuchter en redelijk persoon’, waarbij doorslaggevend is of vanuit het perspectief van een nuchter en redelijk persoon in de positie van de asielzoeker, een terugkeer naar het thuisland onredelijk lijkt na afweging van alle bekende omstandigheden? Zo niet, welk criterium dient dan te worden gehanteerd?
1.9.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak het vooronderzoek heropend ten behoeve van het stellen van voornoemde prejudiciële vragen en heeft daarbij het onderzoek vervolgens geschorst in afwachting van het arrest van het Hof. Op 4 juni 2026 heeft het Hof het arrest Ebilum [6] gewezen. Het Hof heeft daarbij de prejudiciële vragen van de rechtbank als volgt beantwoord:
1) Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid verleent om over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, een bindende uitspraak te doen en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken.
2) Artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming
moet aldus worden uitgelegd dat
de uitdrukking „gegronde vrees voor vervolging” betrekking heeft op de situatie waarin er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden vervolgd en dat de bevoegde nationale autoriteiten, om vast te stellen of er sprake is van zulke vrees, een individuele, concrete en objectieve beoordeling moeten verrichten van de persoonlijke situatie van deze verzoeker, de feiten en omstandigheden betreffende zijn verzoek en de situatie in zijn land van herkomst.
1.10.
De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van het beroep voortgezet. Op 17 juli 2026 heeft bij de rechtbank een zitting naar aanleiding van dit arrest plaatsgevonden, waar partijen hun visie op het arrest en de gevolgen ervan voor de onderhavige procedure uiteen hebben gezet. Hierbij waren aanwezig: de ouders, de dochters, de gemachtigde van eisers, S. Khudaida als tolk en de gemachtigde van de minister. Ook mr. S. Rafi en mr. S. Pamir van de Commissie Strategisch Procederen waren namens eisers aanwezig. De rechtbank heeft vervolgens aan het eind van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Verdere beoordeling door de rechtbank

Standpunten eisers
2.1.
Eisers stellen zich op het standpunt dat uit het arrest Ebilum van het Hof volgt dat de rechtbank bevoegd, en zelfs verplicht, is een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Eisers menen dat hieruit ook volgt dat de rechter zich niet kan beperken tot het ‘toetsen’ van het bestreden besluit van de minister, maar dat hij een eigen, op zichzelf staande, beoordeling dient te verrichten op basis van de feiten. Daarbij wijzen eisers onder andere op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam [7] , waarin werd overwogen dat de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister ziet. De rechtbank zal daarnaast eigen onderzoek moeten verrichten, waarbij zij zo nodig eisers kan horen. Indien de rechtbank na een eigen beoordeling tot de conclusie komt dat een verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming, dan kan zij de beslissingsautoriteit opdragen die internationale
bescherming te verlenen, nu er een verplichting bestaat om eenieder die de voorwaarden van
internationale bescherming in de zin van de Verordening (EU) 2024/1347 vervult, die bescherming ook te verlenen. Volgens eisers betekent dit, gelet op overweging 67 van het arrest A.A. [8] en artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de rechtbank ook bevoegd is in dat geval zelf in de zaak te voorzien.
2.2.
Eisers zijn verder van mening dat zodra sprake is van meer dan een enkele mogelijkheid van vervolging, er sprake is van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat vervolging zal plaatsvinden.
2.3.
Eisers stellen verder dat artikel 23 van Pro Verordening (EU) 2024/1347 uitgelegd tegen de achtergrond van de doelstelling van richtlijn 2013/32/EU om asielverzoeken zo spoedig te behandelen, met zich brengt dat als vaststaat dat aan de dochters internationale bescherming moet worden verleend, de rechtbank de minister kan opdragen ook aan de ouders en overige kinderen internationale bescherming te verlenen, zonder dat vereist is dat daaraan voorafgaand nog onderzoek wordt gedaan naar de zelfstandige asielgronden van die gezinsleden.
Standpunten minister
2.4.
De minister stelt zich op het standpunt dat uit het arrest Ebilum kan worden afgeleid dat de rechtbank bevoegd is een eigen bindend oordeel te geven over de behoefte aan internationale bescherming, indien de rechtbank meent over alle noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens te beschikken, na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek. Daarbij dient de rechtbank rekening te houden met nieuwe elementen die na het bestreden besluit aan de orde zijn gekomen. Voor zover een uitputtend en geactualiseerd onderzoek nog niet is uitgevoerd of zonder nader onderzoek niet mogelijk is, dient de zaak te worden terugverwezen. Te denken valt aan gevallen waarin nader gehoord dient te worden of nader onderzoek dient plaats te vinden naar bijvoorbeeld documenten, de medische toestand van de vreemdeling of de situatie in het land van herkomst. Partijen dienen zich op grond van hoor en wederhoor bovendien over nieuwe elementen te kunnen uitlaten. Dat moet schriftelijk kunnen, indien en voor zover het niet toereikend is mondeling (ter zitting) op deze elementen te reageren.
2.5.
Wanneer de rechtbank een bindende uitspraak over de internationale bescherming doet, dan zal hij de zaak ook naar de minister moeten terugverwijzen. De minister dient dan het oordeel van de rechtbank te volgen, tenzij zich nieuwe elementen voordoen die een andersluidend besluit rechtvaardigen. Indien de minister opnieuw afwijzend besluit zonder dit te baseren op nieuwe elementen, dan kan de rechtbank in een daaropvolgende procedure pas zelf in de zaak voorzien. Volgens de minister volgt dit uit het arrest Ebilum, in het bijzonder punt 60 daarvan.
2.6.
De minister stelt zich op het standpunt dat de tussenuitspraak van deze rechtbank niet geldt als een bindend oordeel in de zin van het arrest Ebilum en dat die eerst bij einduitspraak in deze procedure kan worden gegeven, hetgeen volgens de minister met zich brengt dat de rechtbank niet zelf in de zaak kan voorzien maar de zaak zal dienen terug te verwijzen naar de minister. Indien de rechtbank bij diens eindbeslissingen uit de tussenuitspraak blijft, dan kan de rechtbank in beginsel wel, zoals zij heeft gedaan in de uitspraak van 13 september 2024, [9] die door de Afdeling op 18 juni is bevestigd [10] , de minister opdragen om binnen een bepaalde termijn internationale bescherming en een verblijfstitel te verlenen. De minister is dan aan die uitspraak gebonden, behoudens het zich voordoen van nieuwe elementen en onverminderd de bevoegdheid van de minister om hoger beroep tegen de uitspraak in te stellen.
2.7.
Verder stelt de minister dat op grond van artikel 23 van Pro Verordening (EU) 2024/1347 de ouders en overige kinderen pas over de band van de dochters voor internationale bescherming in aanmerking komen, als hen niet op zelfstandige gronden internationale bescherming toekomt. Dat betekent volgens de minister dat de rechtbank, als zij zou oordelen dat de dochters internationale bescherming toekomt, de verzoeken voor wat betreft de ouders en overige kinderen eerst ook ten aanzien van de zelfstandige asielgronden zal moeten onderzoeken c.q. naar de minister zal moeten terugverwijzen en pas als daarin een afwijzende beslissing wordt genomen, aan de overige gezinsleden internationale bescherming op grond van de status van de dochters kan worden verleend. Een en ander onder voorbehoud van het zich voordoen van nieuwe elementen na het bindende eindoordeel van de rechtbank.
2.8.
Onder gegronde vrees voor vervolging wordt volgens de minister verder verstaan een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat die vervolging zal plaatsvinden. De minister verwijst naar het eigen beleid en stelt zich op basis van de vragen van de rechtbank ter zitting op het standpunt dat zodra er sprake is van meer dan een enkele mogelijkheid van vervolging, dit nog niet gelijk betekent dat sprake is van een redelijke mate van waarschijnlijkheid, maar dat hier nog ruimte tussen zit die per geval op basis van de individuele omstandigheden moet worden beoordeeld.
Het oordeel van de rechtbank
Mag de rechtbank zelf inhoudelijk oordelen en onderzoek verrichten?
2.9.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit van de minister nog steeds het startpunt is voor de beoordeling in beroep. Het is immers ook op grond van artikel 46 van Pro richtlijn 2013/32/EU nog steeds het afwijzende besluit waartegen beroep wordt ingesteld, daarin brengen de arresten Quotal en Ebilum geen verandering.
2.10.
Dit neemt evenwel niet weg dat de rechtbank verplicht is om in voorkomend geval ambtshalve zowel de feitelijke als de juridische gronden van die beslissing volledig en ex nunc te onderzoeken op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van de zaak, zoals aangevuld of verduidelijkt na een procedure op tegenspraak, ongeacht of al deze elementen waren opgenomen in de middelen van het beroep waarmee het verzoek om rechterlijke toetsing werd ingeleid. Een dergelijk ambtshalve onderzoek moet een beoordeling omvatten van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en van de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement. De rechtbank is in diens onderzoek dus ook niet beperkt tot de door de verzoeker aangevoerde beroepsgronden. [11]
2.11.
Uit de arresten Quotal en Ebilum volgt verder dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten. Dit houdt in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.
2.12.
Indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, dan heeft de rechtbank de bevoegdheid om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt. Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. [12]
2.13.
Anders dan de minister lijkt te stellen, volgt uit het gegeven dat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek moet verrichten ook dat de rechtbank zelfstandig hangende de procedure en zonder dat de zaak daartoe wordt terugverwezen naar de minister, eigen onderzoek mag verrichten naar feiten die in de besluitvormingsprocedure onderbelicht zijn gebleven. [13] De rechtbank kan dit bijvoorbeeld doen door ter zitting verduidelijkingsvragen aan de verzoekers van internationale bescherming te stellen of, in geval van een gebrekkig gehoor, zo nodig de verzoekers zelf met inachtneming van de waarborgen uit richtlijn 2013/32/EU te horen.
2.14.
De rechtbank mag er echter ook voor kiezen om daar waar het besluit blijk geeft van onvolledig onderzoek, op dat onderdeel terug te verwijzen, mits de rechtbank dan wel duidelijk aangeeft in welk opzicht het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest en welke onderzoekshandelingen de minister dan nog dient te verrichten. [14]
2.15.
De rechtbank is derhalve wel bevoegd, maar niet verplicht om ten behoeve van nader onderzoek de zaak naar de minister terug te verwijzen, en kan er dus ook voor kiezen dat onderzoek zelf te (laten) verrichten.
2.16.
De rechtbank zal in haar beoordeling van de feiten verder landeninformatie moeten betrekken waarvan zij niet onkundig mag zijn. [15] Aangezien ook de minister geacht mag worden van die landeninformatie op de hoogte te zijn, dient het gegeven dat de minister zich over dergelijke landeninformatie in een concreet besluit of elders in de procedure niet volledig heeft uitgelaten voor diens rekening en risico te blijven, indien en voor zover het gaat om landeninformatie die ten tijde van het bestreden besluit al bekend was. Het gaat in die gevallen immers niet om nieuwe elementen die pas in beroep naar voren zijn gekomen, als bedoeld in onder meer punten 47, 48 en 52 van het arrest Ebilum, maar om elementen waarmee de beslissingsautoriteit rekening had kunnen houden, als bedoeld in punt 44 van dat arrest.
2.17.
Indien de rechtbank de motivering van de minister in het aangevochten besluit niet volgt en een eigen oordeel over de geloofwaardigheid en/of behoefte aan internationale bescherming geeft, dan zal – gelet op de rechterlijke motiveringsplicht zoals deze voortvloeit uit artikel 47 van Pro het Handvest [16] – uit de uitspraak duidelijk naar voren moeten komen dat en waarom de motivering van de minister in het aangevochten besluit door de rechtbank wordt verworpen.
Ten aanzien van de geloofwaardigheid
2.18.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 4 juli 2025 het volgende overwogen:
4.1
De rechtbank merkt tot slot op dat zij, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, niet kan terugkomen van in een tussenuitspraak gegeven oordelen. Dit brengt aldus met zich dat als de minister hangende de prejudiciële verwijzing (opnieuw) aanvullende of intrekkingsbesluiten neemt, die besluiten in beginsel geen afbreuk kunnen doen aan onderhavige uitspraak en verwijzing. Mocht het HvJ de vragen beantwoorden zoals door de rechtbank is voorgesteld, dan zal dat in principe moeten leiden tot het eindoordeel dat aan eisers internationale bescherming wordt verleend, in beginsel ongeacht eventueel nadien genomen aanvullende besluiten van de minister. Bij dergelijke besluitvorming blijft het belang van beantwoording van de onderhavige prejudiciële vragen dus bestaan.
2.19.
De rechtbank constateert dat de minister weliswaar verzoekt om terug te komen van de eindbeslissingen in de tussenuitspraak, maar eveneens stelt verder niet meer op de besluitvorming en de oordelen in de tussenuitspraak in te gaan. Dit betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank in beginsel ook geen redenen zijn om terug te komen van de eerdere eindbeslissingen.
2.20.
Nu er geen redenen zijn aangevoerd door de minister ter onderbouwing van het standpunt dat teruggekomen zou moeten worden op eindbeslissingen in de tussenuitspraak en de rechtbank hier ook ambtshalve geen aanleiding toe ziet, stelt de rechtbank vast dat de asielrelazen van de dochters voor wat betreft de vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen geloofwaardig zijn. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. De rechtbank benadrukt daarbij dat zij die beoordeling in de tussenuitspraak heeft gedaan op basis van de dossierstukken, waaronder de asielgehoren, die ook bij de minister bekend waren. De minister heeft verder ter zitting van 13 juni 2025 uitgebreid de gelegenheid gehad om te reageren op de door eisers ingenomen stellingen en zijn visie op de dossierstukken nog nader te onderbouwen. Dat de minister besloten heeft geen inhoudelijk verweer te voeren dient, zoals ook in de tussenuitspraak is geoordeeld, voor diens rekening en risico te blijven.
Ten aanzien van de gegrondheid van de vrees voor vervolging
Inleiding
2.21.
De minister heeft geen redenen aangedragen die een ander licht kunnen werpen op de feitelijke vaststellingen van de rechtbank over de veiligheidssituatie in Irak en de KAR, zoals de rechtbank die in de tussenuitspraak gemotiveerd heeft vastgesteld. Ook ambtshalve is de rechtbank niet bekend met informatie die een ander licht op deze veiligheidssituatie werpt. De rechtbank wijst er verder op dat de landeninformatie die de rechtbank bij de beoordeling heeft betrokken dateert van voor de datum van de aanvullende besluiten, zodat het hier om informatie gaat waar de minister rekening mee had kunnen houden, zodat ook in zoverre geen aanleiding bestaat de minister ambtshalve nog in de gelegenheid te stellen een (aanvullend) standpunt hierover in te nemen.
2.22.
Dit betekent dat aan de hand van deze feitelijke omstandigheden zoals die door de rechtbank in de tussenuitspraak zijn vastgesteld, bezien tegen de achtergrond van de door deze rechtbank geloofwaardig geachte asielrelazen van de dochters, moet worden beoordeeld of de dochters een gegronde vrees voor vervolging hebben.
Gegronde vrees - wat is een redelijke mate van waarschijnlijkheid?
2.23.
Uit de antwoorden van het Hof in het arrest Ebilum kan worden afgeleid dat voor een gegronde vrees voor vervolging sprake moet zijn van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden vervolgd. Gelet op de verwijzing door het Hof in punten 79 t/m 85 naar de documentatie van de UNHCR en het EUAA, gaat het er daarbij om dat de vrees in redelijke mate kan worden aangetoond (punt 82). Daarbij is een enkele mogelijkheid van vervolging niet voldoende om vast te stellen dat de aangevoerde vrees gegrond is, maar er mag evenmin worden vereist dat dit risico zeker is (punt 85).
2.24.
Uit de verwijzing in punt 85 van het arrest naar de pagina’s 117 en 118 van de Praktische gids voor bewijs- en risicobeoordeling van het EUAA, kan verder worden afgeleid dat van een ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ sprake is zodra het risico groter is dan de enkele mogelijkheid. Schematisch wordt dit op de betreffende pagina’s van de Praktische gids voor bewijs- en risicobeoordeling waarnaar het Hof verwijst als volgt weergegeven:
2.25.
Gelet op deze weergave op pagina 118 van Praktische gids voor bewijs- en risicobeoordeling van het EUAA waarnaar het Hof dus verwijst, vereist een redelijke mate van waarschijnlijkheid dus ook niet dat vervolging „eerder wel dan niet” zal plaatsvinden, een vraag die partijen in de procedure voor het Hof nog verdeeld hield [17] . Dit wordt verder bevestigd door punt 76 van het arrest, waarin wordt overwogen dat met oplettendheid en voorzichtigheid een concrete en objectieve individuele beoordeling moet worden uitgevoerd van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn verzoek en de situatie in zijn land van herkomst. Bovendien sluit dit ook aan bij de conclusie van Advocaat-Generaal Ćapeta die expliciet had overwogen dat een fifty-fifty benadering te hoge eisen aan de waarschijnlijkheidsmaatstaf zou opleggen, en dat een ‘redelijke kans’ voldoende zou moeten zijn [18] .
2.26.
Uit voornoemde schematische weergave blijkt naar het oordeel van de rechtbank, nu het Hof hier expliciet naar heeft verwezen, dat een ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ de op een na laagste gradatie van waarschijnlijkheid betreft en dat daarvan dus sprake is zodra het risico groter is dan ‘slechts een mogelijkheid’. De rechtbank volgt de minister dan ook niet in het betoog dat er risico’s denkbaar zijn waar sprake is van meer dan ‘slechts een mogelijkheid’ maar geen ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’. Zou dat het geval zijn geweest, dan ligt het in de rede dat dit in de weergave van het EUAA was opgenomen, of dat het Hof dit expliciet in punt 85 van het arrest zou hebben overwogen.
2.27.
Indien aldus een verzoeker om internationale bescherming op basis van zijn asielrelaas, afgezet tegen de omstandigheden in het land van herkomst, een risico loopt op vervolging dat uit meer bestaat dan een slechts een mogelijkheid van vervolging, dan is sprake van een gegronde vrees voor vervolging en dient aan de verzoeker in beginsel internationale bescherming te worden verleend.
Hebben de dochters een gegronde vrees voor vervolging?
2.28.
Gelet op hetgeen de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen, geldt ten aanzien van de dochters dat sprake is van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat zij bij terugkeer naar Irak zullen worden vervolgd. De rechtbank betrekt daarbij dat van de dochters niet mag worden verwacht zich terughoudend op te stellen, [19] zodat moet worden uitgegaan van de risico’s die de dochters zullen lopen op het moment dat zij bij terugkeer naar Irak op dezelfde wijze uiting geven aan hun vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, als dat zij thans in Nederland doen.
2.29.
Uit de informatie waar de rechtbank in de tussenuitspraak naar heeft verwezen, volgt dat in geheel Irak, ook in de KAR en in de regio Duhok waar eisers vandaan komen, nog altijd sterke tribale tradities gelden, vrouwen ondergeschikt zijn aan de man en vrouwen in zijn algemeenheid slachtoffer worden van gender gerelateerd geweld waarbij de daders vaak vrijuit gaan. Daarbij is ook sprake van eerwraak op vrouwen die zich niet naar de geldende tribale standaarden gedragen, zoals het hebben van relaties buiten het huwelijk. De instituties binnen de KAR, die de vrouwen zouden moeten beschermen, kiezen daarbij vaak partij voor de daders, ook in geval van eer gerelateerd geweld. Gelet op deze informatie en het gegeven dat ook binnen de stam van de moeder blijkens haar verklaringen voorbeelden van eer gerelateerd geweld bestaan, waaronder de verklaring over een nichtje dat dood gevonden is in een rivier, is het risico op vervolging dat de dochters bij terugkeer vanwege hun vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen lopen ook niet slechts een mogelijkheid, maar (meer dan) redelijk waarschijnlijk. Gelet op het arrest Ebilum, zoals hiervoor besproken, is daarmee de vereiste drempel voor een gegronde vrees voor vervolging behaald. In de tussenuitspraak is ook reeds overwogen dat de dochters niet beschikken over een binnenlands beschermingsalternatief. Dat betekent dat de dochters in aanmerking komen voor de vluchtelingenstatus.
Zelf in de zaak voorzien ten aanzien van de dochters?
2.30.
Hoewel uit het arrest van het Hof blijkt dat lidstaten niet verplicht zijn aan de rechter in eerste aanleg de bevoegdheid te verlenen om zelf in de zaak te voorzien, en dus kunnen volstaan met een systematiek waarbij de rechtbank, na te hebben geoordeeld dat een verzoeker voor internationale bescherming in aanmerking komt, de zaak terugverwijst naar de beslissingsautoriteit om een besluit overeenkomstig die uitspraak te nemen, mogen de lidstaten die bevoegdheid wel verlenen. [20]
2.31.
In artikel 8:72, lid 3, van de Awb is aan de bestuursrechter de bevoegdheid verleend om, in voorkomend geval, zelf in de zaak te voorzien door zijn uitspraak in de plaats te laten treden van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. Uit de rechtspraak van de Afdeling kan worden afgeleid dat de bestuursrechter de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn dan die waarin hij zelf voorziet en de toets aan het recht kan doorstaan. [21]
2.32.
Naar het oordeel van de rechtbank is aan dit criterium ten aanzien van de dochters voldaan. Vaststaat dat de rechtbank bevoegd is een eigen oordeel te geven over de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de gegrondheid van het verzoek en dat de minister aan deze oordelen van de rechtbank is gebonden. De minister kan dan ook niet van het oordeel van de rechtbank zoals dat in deze einduitspraak is gegeven afwijken. Dat de minister er nog op wijst dat hij, als de rechtbank niet zelf zou voorzien maar de zaak in plaats daarvan terugverwijst, op basis van nieuwe elementen nog een andersluidend besluit zou kunnen nemen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Zou er namelijk sprake zijn geweest van elementen die een wezenlijk ander licht op de zaak werpen ten aanzien van de feitelijke vaststellingen in de tussenuitspraak, dan ligt het in de rede dat de minister deze uiterlijk op de zitting van 17 juli 2026 zou hebben aangevoerd. Het enkele hypothetische geval dat de minister mogelijk na de einduitspraak nog nieuwe elementen ‘ontdekt’ die een nieuw licht op de zaak zouden kunnen werpen is onvoldoende om afbreuk te doen aan de overtuiging van de rechtbank dat in het geval de minister opnieuw in de zaak zou voorzien, de uitkomst geen andere zou zijn dan die waarin de rechtbank thans zelf voorziet en die de toets aan het recht kan doorstaan.
2.33.
Ten aanzien van de dochters zal de rechtbank aldus zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de dochters internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 jo Pro hoofdstukken II en III van Verordening (EU) 2024/1347 genieten per datum van de aanvraag, zijnde 23 december 2017, en zal de minister opdragen om overeenkomstig artikel 13 jo Pro hoofdstukken II en III jo artikel 24 van Pro Verordening (EU) 2024/1347 in samenhang bezien met de toepasselijke Nederlandse uitvoeringswetgeving [22] binnen een periode van 90 dagen na heden aan de dochters een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig hun vluchtelingenstatus te verstekken.
Zelf in de zaak voorzien ten aanzien van de ouders en overige kinderen?
2.34.
Aangezien de dochters hun aanvraag om een verblijfsvergunning op minderjarige leeftijd hebben gedaan, komen de ouders en – via de ouders – de overige kinderen op grond van artikel 23 Verordening Pro (EU) 2024/1347 van rechtswege in aanmerking voor een verblijfstitel zolang aan de dochters internationale bescherming wordt verleend, [23] en voor zover zij niet zelfstandig op andere gronden internationale bescherming genieten.
2.35.
Hoewel de minister terecht aanvoert dat de tekst van deze bepaling ertoe dwingt dat op deze grondslag pas een verblijfsrecht kan worden verleend voor zover de gezinsleden niet op zelfstandige gronden internationale bescherming toekomt, laat de formulering van de bepaling wel ruimte om een verblijfsrecht toe te kennen indien ten aanzien van de zelfstandig aangevoerde asielmotieven nog nader onderzoek moet worden verricht.
2.36.
Indien immers door de rechtbank wordt vastgesteld dat nader onderzoek is vereist voordat een uitputtende beoordeling kan worden verricht naar de zelfstandige asielmotieven van de gezinsleden, dan staat op dat moment ook nog niet vast dat deze gezinsleden op zelfstandige gronden voor internationale bescherming in aanmerking komen. Een contextuele uitleg van deze bepaling, tegen de achtergrond van de doelstelling als geformuleerd in overweging 18 van de considerans van richtlijn 2013/32/EU om zo spoedig mogelijk op de aanvraag te beslissen, laat dan ruimte voor een uitleg waarbij een verblijfsstatus op grond van die bepaling wordt verleend. Een dergelijke uitleg sluit ook aan bij de wijze waarop het Hof in diens rechtspraak wetgeving van de Unie pleegt uit te leggen en waarbij het Hof, wanneer de tekst van de betreffende bepaling hier ruimte voor laat, vaak kiest voor een contextuele en teleologische uitleg. [24] Deze uitleg stuit ook niet af op een uitleg van Verordening (EU) 2024/1347 in het licht van het Vluchtelingenverdrag, noch op de zinssnede ‘onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling’ in overweging 18 van de considerans van richtlijn 2013/32/EU. Doel en opzet van dat verdrag en de verplichting tot een behoorlijke en volledige behandeling is immers te voorkomen dat personen met een gegronde vrees voor vervolging worden teruggestuurd naar het land van herkomst en dat aan hen (plaatsvervangende) bescherming wordt geboden in de lidstaat waar zij asiel aanvragen. Die bescherming wordt evenwel ook geboden op het moment dat een verzoeker een afgeleide status krijgt op basis van de internationale bescherming die een gezinslid geniet, temeer indien aan die afgeleide status dezelfde rechten en plichten worden verbonden als aan de internationale beschermingsstatus van het gezinslid, zoals de lidstaten gelet op overweging 58 van de considerans van Verordening (EU) 2024/1347 ook verplicht zijn en zoals ook het geval is in de Nederlandse uitvoeringswetgeving. Bovendien laat de afgeleide statusverlening onverlet dat de minister, mocht hij op enig moment besluiten tot intrekking of beëindiging van de status van de gezinsleden, de zelfstandige aangevoerde asielmotieven alsnog (ambtshalve) zal dienen te onderzoeken, [25] zodat het gegeven dat bij het verlenen van een afgeleide status geen nader onderzoek meer wordt verricht naar de zelfstandige asielmotieven, niet automatisch betekent dat de bescherming die de verzoeker daaraan zou kunnen ontlenen komt te vervallen.
2.37.
Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank dat in de tussenuitspraak in overweging 2.15 is vastgesteld dat nog niet nader in kan worden gegaan op de asielmotieven “vrees voor besnijdenis” en “vrees voor uithuwelijking” omdat niet is uitgesloten dat deze mede beïnvloed kunnen worden door de asielmotieven “vereenzelviging van de dochters met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen” en “problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters”. In overweging 2.45 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank daarbij overwogen dat zij over onvoldoende gegevens beschikt om een oordeel te geven over het asielmotief “problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking dochters”, omdat daarvoor eerst noodzakelijk is dat – in ieder geval – de moeder aanvullend over de door de minister tegengeworpen tegenstrijdigheid in de verklaringen van de vader wordt gehoord.
2.38.
Dit betekent dat, nu eerst nog een nader onderzoek ten aanzien van het asielmotief “problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters” moet worden verricht, er ook nog geen geactualiseerd en
uitputtendonderzoek kan worden gedaan naar de asielmotieven “vrees voor besnijdenis” en “vrees voor uithuwelijking” ten aanzien van de ouders en overige kinderen, omdat een risicobeoordeling op grond van deze motieven beïnvloed kan worden door de geloofwaardigheid van het asielmotief “problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking dochters”.
2.39.
Bijgevolg kan op dit moment nog niet definitief worden vastgesteld of de ouders en de overige kinderen op grond van zelfstandige asielmotieven voor internationale bescherming in aanmerking komen. Nu reeds is vastgesteld dat de dochters op grond van hun vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen internationale bescherming toekomt, betekent dit dat aan de ouders en overige kinderen op grond van het bepaalde in artikel 23 Verordening Pro (EU) 2024/1347 een verblijfsrecht kan worden toegekend, zonder dat nog nader onderzoek naar de zelfstandige asielmotieven is vereist.
2.40.
De rechtbank is er verder van overtuigd dat als zij de zaak voor een nadere beoordeling naar de minister zou terugverwijzen, ook de minister tot de conclusie zal komen dat aan de ouders en overige kinderen bescherming op grond van artikel 23 Verordening Pro (EU) 2024/1347 moet worden verleend, zonder dat hij nader onderzoek zal doen naar de zelfstandige asielmotieven. Ter zitting heeft de minister in antwoord op vragen van de rechtbank hierover immers niet ontkend dat het ook in de beslissingspraktijk van de minister (uit efficiëntieoverwegingen) voorkomt dat er bij asielstatusverlening aan een gezinslid wordt overgegaan tot het verlenen van een afgeleid verblijfsrecht aan de overige gezinsleden, zonder inhoudelijk nog door te toetsen op de zelfstandig aangevoerde asielmotieven van die gezinsleden.
2.41.
De rechtbank zal dan ook zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de ouders en de overige kinderen een verblijfsrecht overeenkomstig artikel 23 Verordening Pro (EU) 2024/1347 hebben en dat overeenkomstig artikel 23 Verordening Pro (EU) 2024/1347 en in overeenstemming met de Nederlandse uitvoeringswetgeving [26] aan hen een verblijfsvergunning en verblijfstitel moet worden toegekend.
Dwangsommen
2.42.
Eisers hebben verzocht om aan een veroordeling jegens de minister in deze uitspraak dwangsommen te verbinden. Zij menen dat een hogere dwangsom dan die in de LOVB [27] aanbeveling is voorgesteld, aangewezen is.
2.43.
De minister heeft erop gewezen dat, voor zover de rechtbank het opleggen van dwangsommen zou overwegen, het LOVB recent een aanbeveling voor de hoogte daarvan heeft gedaan.
2.44.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
In artikel 8:72, zesde lid van de Awb is geregeld dat de bestuursrechter kan bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, het bestuursorgaan aan een door hem aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Voor het opleggen van een rechterlijke dwangsom bij beroepen niet tijdig beslissen heeft het LOVB een aanbeveling gedaan, met de volgende uitgangspunten:
  • De rechterlijke dwangsom bedraagt 50 euro per dag, met een maximum van 15.000 euro.
  • Bij opvolgende beroepen niet tijdig beslissen (bij een niet volgelopen dwangsom) doet de rechter pas uitspraak als de dwangsommen volledig zijn volgelopen of als er is beslist.
  • Bij opvolgende beroepen niet tijdig beslissen wordt geen hogere dwangsom opgelegd dan hierboven genoemd.
Deze aanbeveling bindt de individuele bestuursrechter in een concrete zaak niet. De aanbeveling kan niet worden gezien als recht in de zin van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). [28]
2.45.
De rechtbank acht in het onderhavige geval een hogere dwangsom dan in de aanbeveling is voorgesteld aangewezen. De reden hiervoor is dat de aanbeveling van de LOVB is opgesteld voor beroepen tegen het niet tijdig beslissen door de minister in vreemdelingenzaken in zijn algemeenheid. Hoewel de belangen in dergelijke zaken ook groot kunnen zijn, vallen hier ook in theorie beroepen tegen niet-tijdig beslissen onder op aanvragen die weinig kansrijk zijn. Deze algemene uitgangspunten vertalen zich dan ook niet goed naar de concrete belangen die eisers bij een tijdige naleving door de minister van de onderhavige uitspraak hebben. In deze uitspraak voorziet de rechtbank immers zelf in de zaak door te bepalen dat aan eisers een (afgeleide) verblijfsstatus toekomt op grond van de vluchtelingenstatus van de dochters, en wordt bepaald dat de minister dienovereenkomstig een verblijfsvergunning en een verblijfstitel aan hen verstrekt. Het belang van eisers bij het tijdig verkrijgen van die verblijfsvergunningen en verblijfstitels is groot, omdat zij aan de hand daarvan hun rechtmatig verblijf in Nederland bij de relevante instanties kunnen aantonen en dus van deze documentatie afhankelijk zijn om de opbouw van hun leven in Nederland vorm te kunnen gaan geven. Daar komt bij dat eisers al gedurende lange periode in de asielprocedure in Nederland hebben gezeten (sinds 23 december 2017) en deze uitspraak het (voorlopige) sluitstuk is in deze al lang lopende procedure. Daarom weegt het belang van eisers bij een tijdige uitvoering door de minister van de onderhavige uitspraak aanzienlijk zwaarder dan belangen die in de algemene uitgangspunten van de aanbeveling van de LOVB zijn verdisconteerd.
2.46.
Tegen deze achtergrond en om een effectieve prikkel aan de minister te geven om deze uitspraak tijdig na te leven, gelet op het zwaarwegende belang van eisers die zonder verblijfsvergunning en verblijfstitel aanzienlijk worden belemmerd in de opbouw van hun leven in Nederland, zal de rechtbank een dwangsom aan de uitspraak verbinden van een bedrag van € 250,- per dag en per eiser dat de minister in gebreke blijft om binnen de door de rechtbank gestelde termijn van 90 dagen aan ieder van de eisers een verblijfsvergunning en verblijfstitel te verstrekken, met een maximum van € 75.000,- per eiser. De rechtbank acht deze hoogte van de dwangsom passend, nu in het civiele rechtsverkeer geregeld hoge dwangsommen worden opgelegd – ook aan publiekrechtelijke rechtspersonen – voor relatief gezien beperktere belangen. [29]
Proceskosten
2.47.
De rechtbank zal een proceskostenveroordeling uitspreken omdat het beroep gegrond is en de minister veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage bij dit Besluit. Gelet op het bepaalde in artikel 3 van Pro het Besluit proceskostenbestuursrecht, worden de zaken van eisers ten behoeve van de proceskostenveroordeling beschouwd als één zaak. De rechtbank stelt de proceskosten als volgt vast:
  • Beroepschrift
  • Aanvullend beroepschrift n.a.v. de aanvullende beschikkingen dochters
  • Zittingen rechtbank op 26 maart 2024, 13 juni 2025 en 17 juli 2026
  • Schriftelijke opmerkingen bij het Hof
  • Mondelinge behandeling bij het Hof op 27 oktober 2025
Totaal:
8,5 punten
De rechtbank kent aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toe zoals bedoeld in de bijlage onder C1 bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat de rechtbank een prejudiciële procedure aanmerkt als “zwaar”.
De waarde per punt is bij een wegingsfactor 1 gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht, bijlage B1 € 934,-. Dit betekent dat de totale proceskostenvergoeding moet worden bepaald op 8,5 x 1,5 x 934 = € 11.908,50.
Overweging ten overvloede
2.48.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij, behoudens hetgeen zij in 2.15, 2.44 en 2.45 van de tussenuitspraak heeft overwogen, nog geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de motivering in de besluiten van de minister ten aanzien van de zelfstandige asielmotieven van de ouders en de overige kinderen (“vrees voor besnijdenis”, “vrees voor uithuwelijking” en “problemen met buurman en angst voor bloedwraak en uithuwelijking van de dochters”). Bovendien worden al deze besluiten met de onderhavige einduitspraak integraal vernietigd. Dit betekent dan ook dat de minister, mocht zij op enig moment in de toekomst (bijvoorbeeld als op enig moment de afgeleide verblijfsstatus van de gezinsleden zou worden ingetrokken of beëindigd) toch moeten overgaan tot het inhoudelijk beoordelen van deze asielmotieven, hij er niet vanuit kan gaan dat aan enig onderdeel van de tot nu toe gehanteerde motivering in de tot nu toe gehanteerde en thans te vernietigen besluiten kracht van gewijsde c.q. formele rechtskracht zou toekomen.

3.Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de intrekkingsbesluiten, aanvullende besluiten en bestreden besluiten;
- bepaalt dat de dochters internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 jo Pro hoofdstukken II en III van Verordening (EU) 2024/1347 genieten per datum van de aanvraag, zijnde 23 december 2017;
- bepaalt dat de ouders en de overige kinderen op grond van artikel 23 Verordening Pro (EU) 2024/1347 van rechtswege een verblijfsrecht hebben op grond van de vluchtelingenstatus van de dochters per datum van de aanvraag, zijnde 23 december 2017 c.q. voor de kinderen die op een latere datum zijn geboren, per de betreffende geboortedatum;
- bepaalt dat de onderhavige uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten en:
- draagt de minister op om overeenkomstig artikel 13 jo Pro hoofdstukken II en III jo artikel 24 van Pro Verordening (EU) 2024/1347 in samenhang bezien met de toepasselijke Nederlandse uitvoeringswetgeving binnen een periode van 90 dagen na heden aan de dochters een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig de vluchtelingenstatus te verstekken, een en ander op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 250,- per dag ten aanzien van ieder van de dochters ten aanzien van wie de minister niet voldoet aan deze veroordeling, met een maximum van € 75.000,- per dochter;
- draagt de minister op om overeenkomstig artikel 23 van Pro Verordening (EU) 2024/1347 in samenhang bezien met de toepasselijke Nederlandse uitvoeringswetgeving binnen een periode van 90 dagen na heden een verblijfsvergunning en verblijfstitel aan de ouders en overige kinderen te verstrekken, een en ander op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 250,- per dag ten aanzien van ieder van de ouders of overige kinderen ten aanzien van wie de minister niet voldoet aan deze veroordeling, met een maximum van € 75.000,- per ouder c.q. kind;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 11.908,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.In de tussenuitspraak van 4 juli 2025 stond hier per abuis [X] geschreven, dit moet [X] zijn.
2.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
3.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle 4 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11958.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie.
6.HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448 (Ebilum). Dit arrest is overigens gelijktijdig gewezen met het arrest Quotal, met kenmerk ECLI:EU:C:2026:447, waarin grotendeels dezelfde vragen, behoudens die over de uitleg van de ‘gegronde vrees’, aan de orde waren en die in dat arrest op dezelfde wijze zijn beantwoord.
7.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam 6 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18531, r.o. 8.2.
8.HvJ 8 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:122.
9.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle 13 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22802.
10.Zaaknummer 202406051/1/V1. Deze uitspraak is door de Afdeling niet gepubliceerd.
11.Vgl. Conclusie van Advocaat-Generaal T. Ćapeta van 19 maart 2026 bij HvJ EU, ECLI:EU:C:2026:228.
12.HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:447 en HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448. De rechtbank onderschrijft de samenvatting van deze arresten zoals deze door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem zijn gegeven in diens uitspraak van 9 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19418, onder rechtsoverweging 5.1.
13.De rechtbank wijst in dit verband op HvJ EU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448 (Ebilum) punt 40 t/m 54.
14.De rechtbank wijst in dit verband op HvJ 8 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:122 (A.A), punt 66 in samenhang bezien met HvJ EU 16 juli 2020, EU:C:2020:579 (Addis), punten 71 en 73. In dit verband kan ook worden gewezen op het arrest van het Bundesverwaltungsgericht van 30 maart 2021, ECLI:DE:BVerwG:2021:300321U1C41.20.0, raadpleegbaar via:
15.HvJ EU 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, r.o. 77 en 78.
16.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
17.Vgl. Conclusie van Advocaat-Generaal T. Ćapeta bij HvJ EU van 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:939, overweging 79.
18.Ibid.
19.Vgl. HvJ EU 11 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:487 (K en L), punt 63.
20.HvJ 8 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:122 (A.A), punt 67.
21.ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1623, r.o. 4.1.
22.Uit ARTIKEL IX OVERGANGSRECHT, zoals gepubliceerd in Staatsblad 2026, 127 kan worden afgeleid dat nog een verblijfsvergunning asiel op grond van het oude artikel 28 jo Pro 29 Vw moet worden verleend.
23.Vgl v.w.b. het peilmoment van de minderjarigheid: HvJ EU 12 april 2018, ECLI:EU:C:2018:248. Dit arrest is gewezen in het kader van richtlijn 2003/86/EG, maar is gelet op overweging 58 van de considerans van Verordening (EU) 2024/1347 evenzeer van toepassing in het kader van artikel 23 van Pro Verordening (EU) 2024/1347.
24.Zie over deze interpretatiemethoden die door het Hof worden gehanteerd uitgebreid: K. Lenaerts en J.A. Gutiérrez-Fons, ‘To Say What the Law of the EU Is: Methods of Interpretation and the European Court of Justice’, in:
25.Vgl. naar analogie: ABRvS 8 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3863.
26.Uit ARTIKEL IX OVERGANGSRECHT, zoals gepubliceerd in Staatsblad 2026, 127 kan worden afgeleid dat nog een verblijfsvergunning asiel op grond van het oude artikel 28 jo Pro 29 Vw moet worden verleend.
27.Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht.
29.Vgl. Bijvoorbeeld de door Gerechtshof Amsterdam opgelegde dwangsom van € 50.000,- voor de naleving van een overeenkomst met een kunstenares ten behoeve van het plaatsen van een kunstwerk, ten aanzien waarvan de betreffende gemeente in gebreke bleef: Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:238.