ECLI:NL:RBDHA:2026:2458
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander en oplegging terugkeerbesluit
Eiser, een derdelander uit Turkmenistan die in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning had, verkreeg in Nederland facultatieve tijdelijke bescherming op grond van EU-uitvoeringsbesluit 2022/382. De minister beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 en legde een terugkeerbesluit op. Eiser betwistte dit besluit en voerde aan dat zijn sociale en economische integratie in Nederland, waaronder zijn zelfstandige arbeid, een belangenafweging in zijn voordeel rechtvaardigde op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank stelt vast dat de minister de beëindiging van de tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit terecht heeft genomen, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie (arrest Kaduna). De minister heeft de door eiser aangevoerde omstandigheden betrokken in zijn besluit, maar deze wegen niet op tegen het belang van beëindiging van de tijdelijke bescherming.
Eiser heeft onvoldoende gemotiveerd betwist waarom het besluit onjuist zou zijn. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter W. Loof en griffier B. Voors op 9 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming en het opleggen van het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard.