ECLI:NL:RBDHA:2026:2458

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
NL25.33220
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander en oplegging terugkeerbesluit

Eiser, een derdelander uit Turkmenistan die in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning had, verkreeg in Nederland facultatieve tijdelijke bescherming op grond van EU-uitvoeringsbesluit 2022/382. De minister beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 en legde een terugkeerbesluit op. Eiser betwistte dit besluit en voerde aan dat zijn sociale en economische integratie in Nederland, waaronder zijn zelfstandige arbeid, een belangenafweging in zijn voordeel rechtvaardigde op grond van artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank stelt vast dat de minister de beëindiging van de tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit terecht heeft genomen, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie (arrest Kaduna). De minister heeft de door eiser aangevoerde omstandigheden betrokken in zijn besluit, maar deze wegen niet op tegen het belang van beëindiging van de tijdelijke bescherming.

Eiser heeft onvoldoende gemotiveerd betwist waarom het besluit onjuist zou zijn. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter W. Loof en griffier B. Voors op 9 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming en het opleggen van het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33220

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een terugkeerbesluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd en een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 3 juli 2025 heeft de minister een terugkeerbesluit genomen waarin eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt.
2.1.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiser komt uit Turkmenistan. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 [1] van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 23 november 2023 bekendgemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 17 januari 2024 [2] bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Bij besluit van 29 januari 2024 heeft de minister het besluit van 23 november 2023 ingetrokken en bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 maart 2024 eindigt.
3.2.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [3] en 25 april 2024 [4] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). [5] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [6] uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. [7] Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [8]
3.3.
Op 3 juli 2025 heeft de minister een terugkeerbesluit genomen waarin eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd.
Heeft de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 beëindigd en een terugkeerbesluit opgelegd?
4. Eiser betoogt dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die hadden moeten worden meegenomen bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser is door zijn verblijf in Nederland geworteld in de Nederlandse samenleving. Eiser heeft niet alleen sociale contacten opgebouwd, maar hij verricht ook arbeid als zelfstandige.
4.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De beroepsgrond leidt niet tot een ander oordeel. De minister is in het bestreden besluit ingegaan op de genoemde omstandigheden, namelijk dat eiser in Nederland werkt als zelfstandige en dat hij in Nederland een leven heeft opgebouwd, en is van oordeel dat dit niet in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiser heeft in beroep niet uitgelegd waarom de motivering in het besluit van 3 juli 2025 op dit punt onjuist is, maar alleen de door hem in de zienswijze gestelde omstandigheden zonder enige verdere toelichting of onderbouwing herhaald. Dit betreft geen gemotiveerde betwisting van het besluit. Gelet op het voorgaande slaagt eisers beroep dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Voors, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
5.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
7.TK 2024-2025, 19637, nr. 3434.