Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen
[betrokkene]uit [woonplaats] , betrokkene
Rechtbank Den Haag
Betrokkene ontvangt sinds september 2020 een uitkering op grond van de Participatiewet en sinds november 2022 is eiseres haar bewindvoerder. Het college gaf op 20 maart 2024 een schriftelijke waarschuwing aan betrokkene omdat zij niet had doorgegeven dat zij beschikte over twee bankrekeningen en dat twee andere rekeningen waren opgeheven. Eiseres maakte bezwaar tegen deze waarschuwing, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de inlichtingenplicht op grond van artikel 17 Participatiewet Pro vereist dat alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, zoals het beschikken over en opheffen van bankrekeningen, aan het college worden gemeld. Het lage saldo op de rekeningen doet hier niet aan af. De medewerkingsplicht tot het verstrekken van bewijsstukken is iets anders dan de inlichtingenplicht tot het melden van het bestaan van rekeningen.
De rechtbank volgt het college in de stelling dat betrokkene haar inlichtingenplicht heeft geschonden en dat nalatigheid van de bewindvoerder voor rekening en risico van betrokkene komt. De waarschuwing is een passende en proportionele maatregel, die geen directe financiële gevolgen heeft. Ook is geen sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de waarschuwing wegens schending van de inlichtingenplicht wordt ongegrond verklaard.