ECLI:NL:RBDHA:2026:2922

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
24/6754
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.E. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 18a ParticipatiewetArt. 54 ParticipatiewetArt. 58 ParticipatiewetArt. 7:3 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Waarschuwing voor schending inlichtingenplicht Participatiewet door bewindvoerder

Betrokkene ontvangt sinds september 2020 een uitkering op grond van de Participatiewet en sinds november 2022 is eiseres haar bewindvoerder. Het college gaf op 20 maart 2024 een schriftelijke waarschuwing aan betrokkene omdat zij niet had doorgegeven dat zij beschikte over twee bankrekeningen en dat twee andere rekeningen waren opgeheven. Eiseres maakte bezwaar tegen deze waarschuwing, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat de inlichtingenplicht op grond van artikel 17 Participatiewet Pro vereist dat alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, zoals het beschikken over en opheffen van bankrekeningen, aan het college worden gemeld. Het lage saldo op de rekeningen doet hier niet aan af. De medewerkingsplicht tot het verstrekken van bewijsstukken is iets anders dan de inlichtingenplicht tot het melden van het bestaan van rekeningen.

De rechtbank volgt het college in de stelling dat betrokkene haar inlichtingenplicht heeft geschonden en dat nalatigheid van de bewindvoerder voor rekening en risico van betrokkene komt. De waarschuwing is een passende en proportionele maatregel, die geen directe financiële gevolgen heeft. Ook is geen sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de waarschuwing wegens schending van de inlichtingenplicht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6754

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

Ornithos.EU B.V., eiseres, bewindvoerder van
[betrokkene]uit [woonplaats] , betrokkene
(gemachtigde: mr. A. Rodríguez González),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, het college

(gemachtigde: mr. A. Boere).

Procesverloop

1. Betrokkene ontvangt sinds 7 september 2020 een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Op 22 november 2022 is eiseres benoemd als haar bewindvoerder. Op 20 maart 2024 heeft het college betrokkene een schriftelijke waarschuwing gegeven omdat betrokkene niet had doorgegeven dat zij beschikte over twee bankrekeningen en dat twee andere bankrekeningen waren opgeheven. Dit is in deze zaak het bestreden besluit. Eiseres heeft bezwaar gemaakt en dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
1.1.
Eiseres heeft op 13 augustus 2024 beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college deelgenomen.

Toetsingskader

2. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiseres of het college het bestreden besluit heeft mogen nemen.
Heeft betrokkene haar inlichtingenplicht geschonden?
4. Eiseres stelt dat betrokkene met het niet aanleveren van documenten alleen haar medewerkingsplicht heeft geschonden en niet haar inlichtingenplicht. Volgens eiseres gold de inlichtingenplicht bovendien niet voor haar rekeningen waar weinig of geen geld op stond omdat dit niet van invloed zou kunnen zijn op het recht op bijstand. Mocht de rechtbank van mening zijn dat de inlichtingenplicht wél is geschonden, dan zou eiseres daarop aangesproken moeten worden en niet betrokkene.
4.1.
Volgens het college heeft betrokkene haar inlichtingenplicht geschonden en kan haar daarvan een verwijt worden gemaakt. Het college wijst erop dat betrokkene twee jaar voorafgaand aan de bewindvoering al een bijstandsuitkering had en zij bij aanvang van de bijstand al had moeten melden dat zij beschikking had over de gezamenlijke rekening (de rekening eindigend op [rekeningnummer 1] ). Dat er weinig geld op de rekening stond, is daarbij niet relevant. Het handelen of nalaten van een bewindvoerder komt volgens het college in beginsel voor rekening en risico van degene die onder bewind is gesteld.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres of betrokkene niet aan het college hebben medegedeeld dat betrokkene beschikte over de bankrekeningen eindigend op [rekeningnummer 2] en [rekeningnummer 1] en dat de bankrekeningen eindigend op [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] waren opgeheven.
4.3.
Op grond van artikel 17 Pw Pro moest eiseres aan het college, op verzoek of onverwijld uit eigen beweging, mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van invloed konden zijn op haar recht op bijstand. Dit is de inlichtingenplicht. Bankrekeningen en het daarop aanwezige saldo kunnen van invloed zijn op het recht op bijstand en eiseres moest daarom aan het college mededeling doen van het beschikken over en opheffen van die rekeningen. Het (lage) saldo op de rekeningen was daarbij niet doorslaggevend, omdat het erom gaat of het college kon controleren of de bankrekeningen van invloed waren op het recht op bijstand. Dat betrokkene verplicht was financiële wijzigingen door te geven stond ook vermeld in correspondentie aan haar. [1] Voor zover bij eiseres twijfel bestond of de bankgegevens voor de verlening van bijstand van belang konden zijn, had zij daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met het college om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen. [2]
4.4.
Met betrekking tot de stelling van eiseres dat betrokkene alleen haar medewerkings- en niet haar inlichtingenplicht heeft geschonden overweegt de rechtbank als volgt. Zoals blijkt uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CrVB), waarnaar in de door eiseres aangehaalde beleidsregel [3] wordt verwezen, zijn bewijsstukken zoals bankafschriften als zodanig niet van invloed op het recht op bijstand. [4] Zij kunnen alleen van betekenis zijn bij de verificatie en controle van het recht op bijstand. Het overleggen van bewijsstukken (wanneer daarom gevraagd wordt) valt dus niet onder de inlichtingenplicht. De medewerkingsplicht tot het verstrekken van bijvoorbeeld bankafschriften (op verzoek van het college) ligt in het verlengde van de inlichtingenplicht tot het melden van het bestaan en het opheffen van de bankrekeningen zelf. [5] Het melden van het beschikken over en opheffen van bankrekeningen valt wél onder de inlichtingenplicht en betrokkene heeft in dit geval haar inlichtingenplicht geschonden door geen melding te maken van (het opheffen van) de bankrekeningen.
4.5.
Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB komt nalatigheid van een bewindvoerder voor rekening en risico van betrokkene. [6] Het college mocht dus in dit geval betrokkene aanspreken op het schenden van haar inlichtingenplicht omdat zij en eiseres niet hadden doorgegeven dat betrokkene beschikte over de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] en dat de bankrekeningen eindigend op [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] waren opgeheven. Betrokkene beschikte al over de rekening eindigend op [rekeningnummer 1] voordat zij onder bewind werd gesteld en zij had deze rekening moeten melden aan het college. Dat betrokkene niet zou hebben geweten van het bestaan van deze rekening is niet doorslaggevend omdat de inlichtingenplicht een objectief geformuleerde verplichting is, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. [7]
4.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het bestreden besluit strijdig met het evenredigheidsbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel?
5. Volgens eiseres heeft het college het besluit genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Het besluit is volgens eiseres disproportioneel, waardoor betrokkene onevenredig in haar belangen geschaad. Omdat betrokkene ziek was en problemen had met haar geheugen wist ze niet dat ze de gezamenlijke rekening had. Een waarschuwing was in deze situatie daarom niet redelijk. Volgens eiseres handelt het college in deze zaak bovendien anders dan in alle andere gevallen, omdat bewindvoerders in de praktijk nooit doorgeven dat rekeningen worden geopend en opgeheven. Hiermee werd het rechtzekerheids- en het gelijkheidsbeginsel geschonden.
5.1.
Volgens het college is het evenredigheidsbeginsel niet geschonden omdat de waarschuwing geringe gevolgen heeft voor betrokkene. Ook kan het college niet volgen dat het rechtzekerheids- en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden omdat het vaste praktijk is dat bewindvoerders bankgegevens (moeten) doorgeven aan het college.
5.2.
De rechtbank is het niet met eiseres eens dat het college met het geven van de waarschuwing heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Een waarschuwing heeft geen directe (financiële) gevolgen en is in dit geval een passende maatregel na schending van de inlichtingenplicht. Zoals eerder in deze uitspraak is overwogen speelt verwijtbaarheid bij de inlichtingenplicht geen rol, waardoor het college niet heeft hoeven meewegen of betrokkene (nog) wist dat zij de gezamenlijke rekening had. Bovendien wist eiseres als bewindvoerder van het bestaan van de rekening en had zij die moeten doorgeven aan het college. Het geven van de waarschuwing is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onevenredig.
5.3.
Ook kan de rechtbank eiseres niet volgen in de stelling dat het rechtzekerheids- en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden. De inlichtingenplicht staat in artikel 17 van Pro de Pw en geldt voor alle uitkeringsgerechtigden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college eiseres en betrokkene in dit geval anders heeft behandeld dan andere (bewindvoerders van) uitkeringsgerechtigden.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:11
Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van Pro het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied. (…)
Participatiewet
Artikel 17
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. (…)
Artikel 18a
(…)
4. Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in situaties die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
Artikel 54
1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…)
Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.
(…)
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de toekenningsbrief van Ijsselgemeenten aan eiseres voor bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering van 12 januari 2023.
2.Uitspraak van de CRvB van 26 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1990.
3.Uitvoeringsplan Hoogwaardig Handhaven
4.Uitspraak van de CRvB van 12 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1395, onder 4.5.5.
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 26 maar 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:810, onder 4.3-4.4.
6.Zie o.a. de uitspraken van de CRvB van 6 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1845, 5 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1705 en 14 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1206.
7.Uitspraken van de CRvB van 28 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1661, onder 4.4 en van 14 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:62, onder 4.7.