ECLI:NL:RBDHA:2026:2983

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4140
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 17, eerste lid, DublinverordeningArt. 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiseres, een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Zij voerde aan dat de opvang in Duitsland niet voldoet aan internationale standaarden en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden vanwege systematische tekortkomingen. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht wordt toegepast en dat eiseres onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd om dit te weerleggen.

Daarnaast stelde eiseres dat zij en haar kinderen als bijzonder kwetsbaar moeten worden aangemerkt en dat overdracht zonder individuele garanties niet mogelijk is. De rechtbank vond echter dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij en haar kinderen bijzondere kwetsbaarheid hebben zoals bedoeld in het arrest Tarakhel, noch dat zij zonder aanvullende garanties geen adequate zorg zullen ontvangen.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen en dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Duitsland blijft gehandhaafd.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4140
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
mede namens haar minderjarige kinderen
[minderjarige 1] en [minderjarige 2], V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. L. Sinoo), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 januari 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1. De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Butt als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiseres stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Hiertoe voert eiseres aan dat de opvang van kwetsbare personen in Duitsland niet aan de internationale standaarden voldoet en dus sprake is van een systematische tekortkoming. Kwetsbare personen worden overgeleverd aan de lokale managers van de opvanglocaties. Elke manager voert een eigen beleid waardoor verschillen ontstaan. Het feit dat in 2023 financiering beschikbaar is gesteld voor het identificeren van kwetsbare asielzoekers doet niet af aan het vorenstaande. Eiseres kan hierover niet klagen bij de Duitse autoriteiten, omdat zij juist degenen zijn die de opvang regelen. Er zijn zo veel gebrekkige opvanglocaties in Duitsland, dat klagen niet meer effectief is. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar pagina 194 en 195 van het AIDA-rapport van juni 2025. Eiseres merkt op dat de Afdeling zich nog niet over deze update heeft uitgelaten. In het bestreden besluit verwijst de minister naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 24 november 20252, maar die situatie is niet te vergelijken met de situatie van eiseres. De betrokkene in die zaak is namelijk een alleenstaande, meerderjarige man en niet zoals eiseres een alleenstaande ouder met twee minderjarige kinderen.
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid - voor Dublinclaimanten - ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraak van 11 september 20243 bevestigd
.De Afdeling heeft dit oordeel herhaald in de uitspraak van 14 februari 20254. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van eiseres in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over haar eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Duitsland. Van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM zal, in geval eiseres aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
7. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraak dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Niet is gebleken dat het AIDA-rapport van juni 2025 wezenlijk andere informatie bevat dan volgt dan uit de eerdere AIDA-rapporten, die door de Afdeling zijn beoordeeld, zodat dat rapport geen aanleiding geeft voor een ander oordeel. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat Duitsland de internationale verplichtingen niet nakomt of dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. Uit de verklaringen van eiseres blijkt ook niet van tekortkomingen in de opvang. Eiseres heeft in haar aanmeldgehoor verklaard dat zij nooit persoonlijke problemen heeft ondervonden in Duitsland en dat haar kinderen het daar goed hadden en naar school gingen. Indien eiseres toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van haar asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan zij hierover klagen bij de Duitse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Duitse autoriteiten voor eiseres niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Indirect refoulement
8. Voor zover eiseres stelt dat zij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, wijst de rechtbank op het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 30 november 20235. Uit dat arrest volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement als gevolg van verschil in beschermingsbeleid en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken.6 Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement.
Arrest Tarakhel7
9. Eiseres doet een beroep op het arrest Tarakhel. Zij is een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen en dient daarom als bijzonder kwetsbaar te worden aangemerkt. De belangen van de twee minderjarige kinderen zijn volgens eiseres niet voldoende individueel in het bestreden besluit meegewogen. Eiseres verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 23 december 2025 waaruit volgt dat de minister het belang van het kind concreet en specifiek moet toetsen, dat artikel 6 van Pro de Dvo specifiek genoemd moet worden en dat de betrokken aspecten zoveel mogelijk individueel moeten worden toegespitst. Eiseres stelt dat overdracht niet mogelijk is zonder individuele garanties omdat uit het AIDA-rapport van juni 2025 blijkt dat niet vaststaat of eiseres en haar minderjarige kinderen adequate opvang zullen krijgen die gezien hun kwetsbaarheid wel nodig is.
10. De rechtbank overweegt het volgende. In het arrest Tarakhel heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen.2 In dit arrest ging het om een echtpaar met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 20158 volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van de betreffende bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling.9

5.ECLI:EU:C:2023:934.

6 Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
7 Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat er in het geval van eiseres sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest Tarakhel. Anders dan de betrokkenen in het arrest Tarakhel, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij en haar twee kinderen als bijzonder kwetsbaar moeten worden aangemerkt. Dat eiseres een alleenstaande moeder is met twee minderjarige kinderen is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Ook in het geval eiseres en haar twee minderjarige kinderen als bijzonder kwetsbaar zouden moeten worden aangemerkt, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties in Duitsland geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zullen krijgen. De minister heeft in het bestreden besluit terecht gesteld dat het in beginsel in het belang is van de minderjarige kinderen om bij hun ouder te blijven en dat zij dus samen met eiseres naar Duitsland worden overgedragen. Niet aannemelijk is gemaakt dat een overdracht aan Duitsland een negatieve invloed zal hebben op het welzijn en de sociale ontwikkeling van de kinderen. De minister stelt terecht dat eiseres in het aanmeldgehoor, de zienswijze of de beroepsgronden niet nader heeft toegelicht waarom overdracht naar Duitsland schadelijk is voor haar kinderen. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 17, eerste lid, van de Dvo

12. Eiseres stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe verwijst eiseres naar hetgeen hierboven is aangevoerd.
13. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
14. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland onevenredig hard is. Voor zover eiseres betoogt dat de omstandigheden die zijn aangevoerd over structurele tekortkomingen in Duitsland ook moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dvo moet worden toegepast, wijst de rechtbank op recente rechtspraak van de Afdeling10. Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. De beroepsgrond slaagt niet.

8.ECLI:NL:RVS:2015:3806.

Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.