ECLI:NL:RBDHA:2026:3051

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4874
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring ondanks schending inspanningsverplichting

Eiser verbleef van 29 november 2025 tot 27 januari 2026 in strafrechtelijke detentie en werd daarna in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Tijdens zijn detentie gaf eiser op 29 december 2025 aan asiel te willen aanvragen, maar de minister stelde hem ten onrechte niet in de gelegenheid dit te doen en gaf onjuiste informatie dat een advocaat nodig was. Hierdoor werd de asielaanvraag pas op de dag van inbewaringstelling in behandeling genomen, wat een schending van de inspanningsverplichting oplevert.

Desondanks oordeelt de rechtbank dat deze schending niet leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat er voldoende gronden zijn voor de maatregel. De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. De rechtbank stelt vast dat deze feiten juist zijn en voldoende gemotiveerd zijn om het risico op onttrekking aan toezicht te onderbouwen.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard ondanks schending van de inspanningsverplichting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4874

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: eiser (via een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Heeft de minister voldaan aan zijn inspanningsverplichting?
1. Eiser voert aan dat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Eiser heeft op 29 december 2025, toen hij nog in strafrechtelijke detentie verbleef, kenbaar gemaakt dat hij asiel wilde aanvragen. [1] Aan eiser is ten onrechte medegedeeld dat hij een advocaat nodig heeft om een asielaanvraag te doen. Nu de minister eiser toen niet in de gelegenheid heeft gesteld om een asielaanvraag te doen, is niet voldaan aan de inspanningsverplichting.
1.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspanningsverplichting, waar eiser het over heeft, alleen geldt ten aanzien van het verrichten van uitzettingshandelingen.
1.2.
De rechtbank overweegt dat uit paragraaf A5/6.12 van Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt dat moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [2] blijkt dat dit een inspanningsverplichting betreft, die geen garantie biedt aan vreemdelingen dat zij na strafrechtelijke detentie niet in vreemdelingenbewaring zullen worden gesteld. De enkele omstandigheid dat niet is voorkomen dat de vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenrechtelijke bewaring is gesteld, maakt nog niet dat die bewaring onrechtmatig is, tenzij de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
1.3.
Als een vreemdeling tijdens zijn strafrechtelijke detentie de wens uitspreekt een asielaanvraag in te willen dienen, moet hij hiertoe zo spoedig mogelijk in staat worden gesteld. Hiervoor heeft hij geen advocaat nodig. Het tijdsverloop tussen het uiten van deze wens en het daadwerkelijk indienen van de asielaanvraag kan van invloed zijn op de noodzaak van de inbewaringstelling en de duur van deze maatregel. [3]
1.4.
Eiser heeft voorafgaand aan de maatregel van bewaring van 29 november 2025 tot 27 januari 2026 in strafrechtelijke detentie doorgebracht. Hij heeft op 29 november 2025 ook een M122 formulier gekregen, waarin staat dat hij na ontslag uit strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring wordt gesteld. De minister had gedurende de stafrechtelijke detentie een inspanningsverplichting. Eiser heeft op 29 december 2025 kenbaar gemaakt asiel aan te willen vragen. De rechtbank is het met eiser eens dat de minister eiser hiertoe ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld en dat ten onrechte is medegedeeld dat eiser een advocaat nodig had om een asielaanvraag te doen. Eisers asielaanvraag is hierdoor pas op de dag van de inbewaringstelling, op 27 januari 2026, in behandeling genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister hiermee zijn inspanningsverplichting geschonden. De rechtbank volgt de minister dus niet in zijn standpunt dat de inspanningsverplichting alleen ziet op het verrichten van uitzettingshandelingen. De minister had eiser na het uiten van zijn asielwens in de gelegenheid moeten stellen om een asielaanvraag in te dienen. Door de schending van de inspanningsverplichting is er sprake is van een gebrek.
1.5.
Dit gebrek maakt niet dat de bewaring onrechtmatig is, aangezien er nog ruimte is voor een belangenafweging. [4] In dit geval valt de belangenafweging uit in het voordeel van de minister. Daarbij is van belang dat er voldoende gronden aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hieruit blijkt dat er sprake is van een onttrekkingsrisico. Ook weegt de rechtbank mee dat toen eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling op 27 januari 2026 opnieuw de wens uitsprak asiel in Nederland aan te willen vragen, de minister eisers asielaanvraag direct in behandeling heeft genomen. De beroepsgrond slaagt niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. [5]
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2.1.
De minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat de zware grond 3f is komen te vervallen. Deze wordt daarom niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond 3a en de lichte grond 4c niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware grond 3a en de lichte grond 4c feitelijk juist, en heeft de minister bij de lichte grond 4c voldoende gemotiveerd waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit.
Zware grond 3a is feitelijk juist, omdat eiser geen reisdocumenten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij legaal Nederland is ingereisd. Dat eiser – zoals hij aanvoert – een Marokkaanse identiteitskaart heeft overgelegd, maakt dit niet anders. Dit is namelijk geen reisdocument dat is vereist voor het inreizen in Nederland, zoals een paspoort en visum. De minister heeft dan ook terecht gesteld dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Verder is lichte grond 4c feitelijk juist en is deze voldoende toegelicht. Uit vaste rechtspraak volgt dat slechts sprake is van een vaste woon-of verblijfplaats als de vreemdeling op een gesteld adres is ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP). [6] Eiser staat niet ingeschreven in de BRP. De minister heeft hierbij overtuigend gemotiveerd dat, nu eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, het aannemelijk is dat hij zich zal onttrekken aan het toezicht op vreemdelingen.
2.3.
Zware grond 3a en lichte grond 4c zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 te kunnen dragen. [7] Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [8]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie HV11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1.
2.Zie bijvoorbeeld ABRvS 7 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:892.
3.Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0229.
4.Zie bijvoorbeeld: ABRvS 23 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1548, ABRvS 17 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:764 en ABRvS 9 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2039.
5.ABRvS 3 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2243.
6.Zie bijvoorbeeld ABRvS 29 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG9512.
7.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
8.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).