ECLI:NL:RBDHA:2026:3056

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL25.33240
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:57 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugkeerbesluit aan derdelander na beëindiging tijdelijke bescherming

De zaak betreft een derdelander uit Oekraïne die facultatieve tijdelijke bescherming genoot op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming, welke op 4 maart 2024 is geëindigd. De minister van Asiel en Migratie legde op 10 juli 2025 een terugkeerbesluit op omdat eiser geen rechtmatig verblijf meer had in Nederland. Eiser betoogde dat dit terugkeerbesluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, het recht op privéleven, omdat zijn sociale contacten en arbeid niet voldoende waren meegewogen.

De rechtbank oordeelt dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. De minister heeft eiser de mogelijkheid geboden om zijn zienswijze naar voren te brengen en heeft deze bezwaren inhoudelijk behandeld. De rechtbank volgt de jurisprudentie van het Hof van Justitie dat de minister bij het opleggen van een terugkeerbesluit een belangenafweging moet maken, waarbij het privéleven wordt betrokken, maar dat dit niet betekent dat het terugkeerbesluit per definitie onrechtmatig is.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Y. Yeniay-Cenik en griffier F. Metz. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33240

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van een terugkeerbesluit aan een zogeheten derdelander uit Oekraïne die facultatieve tijdelijke bescherming had op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eiser terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd. De hem toegekende facultatieve tijdelijke bescherming is op 4 maart 2024 geëindigd. Het recht op privéleven van artikel 8 van Pro het EVRM verzet zich niet tegen het opleggen van een terugkeerbesluit aan eiser. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser met het besluit van 10 juli 2025 een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingediend en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Op 4 september 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats een ordemaatregel getroffen dat het besluit van 10 juli 2025 wordt geschorst en bepaald dat eiser niet mag worden uitgezet totdat einduitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening. [1]
2.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiser komt uit Turkije. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 [3] van 4 maart 2022. Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bekend gemaakt met het besluit van 28 augustus 2023. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) met de uitspraak van
17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. In de brief van 29 januari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024. Ook staat in die brief dat eiser geen terugkeerbesluit zou ontvangen omdat hij nog een lopende asielaanvraag had.
3.2.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op
29 maart 2024 [4] en 25 april 2024 [5] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Naar aanleiding hiervan heeft de minister een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen van wie de tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de Richtlijn hadden. De minister heeft eiser op 1 mei 2024 bericht dat hij onder de bevriezingsmaatregel viel. De door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024. [6] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [7] uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op
4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. [8] Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [9]
Het standpunt van de minister
4. De minister heeft eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Zijn recht op tijdelijke bescherming onder de Richtlijn is op 4 maart 2024 geëindigd en hij heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Ook is eiser niet in het bezit van een verblijfsvergunning.
Mocht de minister op 10 juli 2025 een terugkeerbesluit opleggen?
5. Eiser betoogt dat de minister op 10 juli 2025 geen terugkeerbesluit aan eiser mocht uitvaardigen. Het uitvaardigen van een terugkeerbesluit is op grond van artikel 8 van Pro het EVRM in strijd met de eerbiediging van eisers privéleven. Volgens jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) [10] moet de minister bij de belangenafweging in het kader van het privéleven van artikel 8 van Pro het EVRM een fair balance vinden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het belang van de Nederlandse Staat anderzijds. Daarbij moet de minister alle voor de belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken. Dit is volgens eiser ten onrechte niet gebeurd, omdat eisers sociale contacten en zijn arbeid in loondienst betrokken hadden moeten worden in de besluitvorming.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de minister bij het opleggen van een terugkeerbesluit naar behoren rekening moet houden met onder meer het privéleven van de betrokken vreemdeling. [11] Uit die rechtspraak volgt verder dat de minister, wanneer hij voornemens is een terugkeerbesluit uit te vaardigen, de vreemdeling de gelegenheid moet bieden alle relevante informatie naar voren te brengen die kan rechtvaardigen dat geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. De minister heeft eiser deze mogelijkheid geboden. Op 4 juni 2025 is namelijk een voornemen uitgebracht waarin staat dat de minister voornemens is om aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen. In reactie op het voornemen heeft eiser een zienswijze ingebracht waarin zijn bezwaren tegen het opleggen van een terugkeerbesluit vanwege strijd met artikel 8 van Pro het EVRM naar voren zijn gebracht. Eiser heeft enkel ingebracht dat hij door zijn verblijf in Nederland geworteld is in de Nederlandse samenleving vanwege zijn sociale contacten en zijn arbeid in loondienst. Hier heeft de minister in het bestreden besluit op gereageerd. In beroep heeft eiser enkel de zienswijze herhaald, maar is hij niet gemotiveerd ingegaan op dit standpunt. Daarnaast heeft eiser de mogelijkheid, indien hij meent een verblijfsrecht te ontlenen aan het recht op privéleven, bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, om een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. De minister mocht dan ook een terugkeerbesluit aan eiser opleggen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay-Cenik, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
6.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
8.Kamerstukken II, 2024-2025, 19637, nr. 3434.
10.EHRM 31 januari 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, Rodiquez da Silva en Hoogkamer tegen Nederland. Zie ook ABRvS 29 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2632.
11.Dit volgt uit het arrest van 8 mei 2018, EU:C:2018:308 (K.A. e.a.) punt 102, in samenhang met het arrest van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913 (X) punt 92.