Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
15 augustus 2023 bekendgemaakt. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 [4] had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Bij brief van 24 januari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op
4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep ingetrokken.
19 december 2024 (arrest Kaduna). [7] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
7 februari 2024, ingetrokken en aan eiser geen nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat zij toch een procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Het enkel handhaven van een beroep, omdat het mogelijk is dat de minister een nieuw terugkeerbesluit oplegt en dit op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb kan worden meegenomen tijdens de lopende beroepsprocedure, is daartoe onvoldoende. Dit is namelijk een onzekere toekomstige gebeurtenis waar de rechtbank geen rekening mee kan houden. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
€ 934 en wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
S. Voolstra, griffier.