Eisers, omwonenden van het scoutingterrein, ervoeren overlast door het stoken van vuren en verzochten het college om maatwerkvoorschriften. Na eerdere procedures stelde het college uiteindelijk maatwerkvoorschriften op die de frequentie, grootte en omstandigheden van het stoken reguleren.
De rechtbank oordeelt dat het college het aanvaardbare geurhinderniveau in redelijkheid heeft vastgesteld, mede op basis van een geuronderzoek door Antea Group. Dit onderzoek toonde aan dat de geurbelasting onder de ernstige hindergrens blijft. Eisers voerden aan dat het onderzoek onvoldoende rekening hield met windrichting en dat het stoken schadelijk is voor de gezondheid, maar deze bezwaren werden niet gegrond verklaard.
Verder stelde de rechtbank vast dat het hout dat wordt verbrand geen afvalstof is en dat de emissies naar de lucht binnen de normen van het Activiteitenbesluit blijven. Ook werd geoordeeld dat de maatwerkvoorschriften toereikend zijn en dat een algeheel stookverbod niet noodzakelijk is.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat er geen strijd is met het EVRM, omdat de overlast niet zodanig is dat het woongenot of de gezondheid van eisers ernstig wordt aangetast. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eisers kregen geen proceskostenvergoeding.