ECLI:NL:RBDHA:2026:5079

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
NL25.55044 en NL25.55045
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 3 EVRMArt. 3.106a VbArt. 30a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag Oeigoer wegens onvoldoende onderzoek veilig derde land Turkije

Eiser, een Oeigoer van Chinese nationaliteit, diende op 21 oktober 2025 een asielaanvraag in die door de minister op 5 november 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard omdat Turkije als veilig derde land werd aangemerkt.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende onderzoek en motivatie heeft geleverd over de veiligheidssituatie van eiser in Turkije, mede gelet op recente landeninformatie en rapporten die wijzen op toenemende druk en risico's voor Oeigoeren in Turkije. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke situatie van eiser en de door hem ingebracht bewijs.

De rechtbank vernietigt het besluit wegens strijd met artikel 3:46 Awb Pro en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar de veiligheid in Turkije.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.55044 (beroep)
NL25.55045 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2007, van Chinese nationaliteit, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en

de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 21 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 november 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Yildiz als tolk in de taal Turks en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag en het verzoek om de voorlopige voorziening aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser heeft verklaard dat hij niet terug kan naar China, omdat hij daar gevaar loopt omdat hij Oeigoers is. Hij heeft verklaard dat zijn stiefvader, die voor de rechten van Oeigoeren opkomt, is bedreigd en gemarteld in China en dat zijn ouders meermalen in China door de politie zijn meegenomen. Ook in Turkije voelt eiser zich onveilig, omdat de Turkse autoriteiten Oeigoeren terugsturen naar China. Eiser heeft verklaard dat zijn stiefvader, nadat hij uit China was gevlucht, telefonisch bedreigd is door de Chinese politie. Daarnaast is zijn opa onder druk gezet om van Turkije naar China terug te keren, waarna hij is gestorven in een kamp in China.
Besluitvorming
5. De asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard [1] , omdat Turkije volgens de minister kan worden aangemerkt als veilig derde land.
5.1
De minister neemt aan dat eiser opnieuw zal worden toegelaten tot Turkije. Eiser is in het bezit van een Chinees paspoort en een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd voor Turkije. Bovendien heeft hij jarenlang in Turkije gewoond en heeft zijn moeder de Turkse nationaliteit verkregen. Daarnaast kunnen Chinezen volgens de minister visumvrij naar Turkije reizen. [2]
5.2
Ook is de minister van mening dat Oeigoeren in Turkije in algemene zin op grond van de beginselen genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb [3] zullen worden behandeld en dat dit ook individueel gezien voor eiser geldt. In zijn algemeenheid is Turkije niet als veilig derde land aangewezen. [4] De argumenten hiervoor hebben volgens de minister echter enkel betrekking op het toelatingsvereiste en de mogelijkheid van het stoppen van de bescherming bij bijvoorbeeld vrijwillig vertrek. Blijkens de factsheet van augustus 2023 [5] is Turkije aangesloten bij de relevante mensenrechtenverdragen, kent Turkije op nationaal niveau een verbod op refoulement en is er informatie beschikbaar over hoe Turkije omgaat met het non-refoulementbeginsel.
5.3
Ten aanzien van de persoonlijke situatie van eiser in Turkije stelt de minister dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat Turkije specifiek voor hem onveilig is. Hij heeft meer dan tien jaar in Turkije verbleven zonder verregaande problemen te hebben ondervonden. Er zijn geen berichten dat de Turkse autoriteiten recentelijk Oeigoeren hebben uitgezet naar China. Hierbij gaat de minister niet voorbij aan het feit dat er een uitleveringsverdrag bestaat tussen China en Turkije en dat er sprake is van (trans-)nationale druk door China op de Oeigoerse diaspora in Turkije. De enkele verwijzing naar algemene landeninformatie en de enkele stelling van eiser dat zijn vader is benaderd door informanten is echter onvoldoende om zijn persoonlijke vrees aannemelijk te achten. Tevens heeft eiser recent een regulier Chinees paspoort kunnen aanvragen bij de Chinese autoriteiten op het consulaat in Turkije. Daarnaast heeft de moeder van eiser naast de Chinese ook de Turkse nationaliteit. Niet is gebleken dat het voor eiser niet mogelijk is om ook de Turkse nationaliteit te verkrijgen.
Beroepsgronden van eiser
6. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende onderzocht en onderbouwd dat Turkije een veilig derde land is. De minister moet volgens eiser in ieder geval onderbouwen dat vreemdelingen in Turkije overeenkomstig het beginsel van non-refoulement zullen worden behandeld en dat vreemdelingen in Turkije de mogelijkheid hebben om een vluchtelingenstatus te verkrijgen en de nodige bescherming te ontvangen. [6]
7. Daarnaast brengt eiser naar voren dat Turkije voor hem specifiek niet veilig is, omdat hij geen toegang en geen bescherming zal krijgen in Turkije. Uit bronnen blijkt dat vergunningen van Oeigoeren door Turkije worden ingetrokken. Eiser geeft ook aan dat uit de door hem aangeleverde landeninformatie volgt dat hij geen toegang tot Turkije zal krijgen bij terugkeer. Zonder garanties van de minister dat hij toegang en een Turks verblijfsrecht zal krijgen, zal terugkeer volgens eiser leiden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM [7] . Eiser onderbouwt zijn standpunt met een brief van VluchtelingenWerk van 22 december 2025 met landeninformatie over Oeigoeren in Turkije, zoals een recent rapport van HRW. [8]
8. Tot slot handelt de minister volgens eiser in strijd met het verbod op willekeur en het gelijkheidsbeginsel, omdat in diverse vergelijkbare zaken Turkije niet als veilig derde land is tegengeworpen.
Juridisch kader
9. De rechtbank zal hieronder allereerst het relevante juridische kader schetsen. De minister kan een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een derde land voor die vreemdeling als veilig derde land kan worden beschouwd. [9] Volgens vaste Afdelingsjurisprudentie [10] moet de minister de band met het derde land en de toelating tot het derde land beoordelen. Daarnaast moet de minister onderzoek doen naar de veiligheidssituatie in het derde land. Hierbij moet zowel naar de algemene situatie in het land gekeken worden als naar de specifieke situatie voor de desbetreffende vreemdeling. [11]
9.1
Ten aanzien van het onderzoek naar de veiligheidssituatie in het derde land moet de minister bepaalde informatiebronnen bij zijn beoordeling betrekken, en het door hem verrichte onderzoek inzichtelijk maken. [12] Volgens de Afdeling moet de minister ‘
uiterlijk in het besluit uitleggen welke bronnen hij heeft gebruikt en inzichtelijk maken op welke wijze hij de informatie uit die bronnen bij zijn beoordeling heeft betrokken’. [13] Uit dit onderzoek moet blijken dat een vreemdeling in het derde land overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb zal worden behandeld. [14]
Beoordeling door de rechtbank
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft onderzocht en gemotiveerd waarom eiser in Turkije volgens de in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb bedoelde beginselen zal worden behandeld. De minister heeft geen onderzoek verricht dat gebaseerd is op recente landeninformatie. De enige landeninformatie die de minister heeft aangehaald in het kader van zijn beoordeling van de veiligheidssituatie in Turkije is de factsheet van augustus 2023 [15] die ten grondslag ligt aan IB 2024/6 en het ambtsbericht ten aanzien van China van december 2022 [16] . Daarnaast is de minister niet kenbaar ingegaan op de landeninformatie die door eiser is ingebracht. In het besluit heeft de minister in reactie op deze landeninformatie enkel tegengeworpen dat deze niet specifiek ziet op eiser, dat eiser jarenlang probleemloos in Turkije heeft verbleven en dat hij recent een Chinees paspoort heeft kunnen aanvragen. Op zitting heeft de minister nog naar twee uitspraken van deze rechtbank verwezen, waarin geoordeeld is dat de minister in die zaken Turkije wel als veilig derde land kon aanmerken. [17]
10.1
Naar het oordeel van de rechtbank klemt het bovenstaande temeer nu uit de landeninformatie die door eiser is overgelegd juist kan worden opgemaakt dat de veiligheid van Oeigoerse vluchtelingen in Turkije de laatste jaren is afgenomen. De stelling van de minister dat Turkije veilig zal zijn voor eiser omdat hij hier in het verleden probleemloos heeft verbleven, volgt de rechtbank dan ook niet. Uit verschillende bronnen waar eiser naar heeft verwezen blijkt dat de (trans)nationale druk van China op Turkije is toegenomen [18] , dat Turkije verblijfsvergunningen van Oeigoeren intrekt [19] , dat Oeigoeren in Turkije in toenemende mate in de gaten worden gehouden door de Chinese autoriteiten en dat er sprake is van een toename in het aantal arrestaties, detenties en uitleveringen van Oeigoeren aan China [20] .
10.2
Het meest recente rapport dat eiser heeft ingebracht, en dat ook niet betrokken is bij de uitspraken van deze rechtbank waarnaar de minister op zitting heeft verwezen, betreft het rapport van HRW. [21] Het rapport bevat de dringende oproep aan overheden om Turkije niet als veilig derde land aan te merken voor Oeigoeren. HRW benadrukt hierbij dat dit advies ook geldt voor Oeigoeren die een permanente verblijfsvergunning hebben in Turkije, aangezien de kans bestaat dat deze wordt ingetrokken.
10.3
In het hierboven genoemde HRW-rapport wordt uitgelegd dat sinds 2022 de banden tussen Turkije en China hechter zijn geworden en dat Turkije in toenemende mate een anti-immigratie beleid hanteert. Er wordt in het rapport uitgebreid ingegaan op hoe de Turkse autoriteiten zogenaamde “beperkingscodes” toekennen aan Oeigoeren, waarmee ze worden aangemerkt als “bedreiging voor de openbare veiligheid”. Volgens het HRW-rapport gebeurt dit vaak willekeurig, zonder dat er enig bewijs is dat de persoon in kwestie daadwerkelijk een bedreiging vormt. De toekenning van dergelijke codes kan leiden tot een reeks negatieve gevolgen. Als iemand met een beperkingscode om welke reden dan ook in contact komt met de Turkse autoriteiten, bestaat er bijvoorbeeld het risico dat deze persoon naar een deportatiecentrum wordt gestuurd. Het rapport vermeldt ook dat de Turkse autoriteiten Oeigoeren in deportatiecentra onder druk hebben gezet om formulieren voor “vrijwillige terugkeer” te ondertekenen. De geïnterviewden meldden ook mishandeling en slechte omstandigheden in de deportatiecentra. Daarnaast wordt in het rapport genoemd dat de Turkse autoriteiten verblijfsvergunningen hebben ingetrokken of naturalisatieaanvragen van Oeigoeren hebben afgewezen op grond van het feit dat zij een “bedreiging voor de openbare veiligheid” vormen, zonder daarvoor bewijsmateriaal te leveren. Los daarvan noemt het HRW-rapport ook verschillende incidenten waarbij Oeigoeren rechtstreeks of indirect zijn gedeporteerd vanuit Turkije naar China.
10.4
De rechtbank merkt op dat uit bovenstaande landeninformatie lijkt te volgen dat Oeigoeren in Turkije alleen al vanwege hun afkomst in het vizier kunnen komen van de Turkse en Chinese autoriteiten. De rechtbank kan het standpunt van de minister dat de overgelegde landeninformatie niet specifiek ziet op eiser dan ook niet volgen. Daarnaast heeft eiser ook nog verklaard over specifieke problemen die zijn familie heeft ervaren door de transnationale druk van China op Turkije. Zo heeft eiser uitgelegd dat zijn stiefvader nadat hij uit China was gevlucht, een telefoontje heeft gekregen van de Chinese politie waarbij gezegd werd: ‘
Als je ons geen informatie verstrekt over andere Oeigoeren, zullen we jou en je familie terughalen. Dan zullen er martelingen volgen.’. [22] Deze verklaring vindt steun in het meest recente ambtsbericht ten aanzien van Turkije waarin staat dat de Chinese autoriteiten op Turkse bodem actief zijn om, middels informanten, informatie te vergaren over de Oeigoerse diaspora in Turkije. [23] Eiser heeft daarnaast ook verklaard dat zijn opa in Turkije is bedreigd, waarna hij naar China is teruggegaan, vastgezet is in een kamp en daar overleden is. [24]
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister door enkel te verwijzen naar een factsheet uit 2023 en het ambtsbericht ten aanzien van China uit 2022, onvoldoende deugdelijk heeft onderzocht en gemotiveerd dat eiser in Turkije volgens de in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb bedoelde beginselen zal worden behandeld. Het besluit is onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Nu het beroep gegrond is behoeven overige beroepsgronden geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de aard van het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding het geschil finaal te beslechten. De minister zal daarom een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
13. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, is er geen reden meer om de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
14. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.55044,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.55045,
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/ voorzieningenrechter,
in alle zaken,
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Zie
3.Vreemdelingenbesluit 2000.
4.IB 2024/6 ‘
5.TOELT, ‘Turkije: Informatie ter beoordeling van ‘veilig derde land’’, augustus 2023.
6.Eiser onderbouwt deze stelling met een verwijzing naar IB 2021/8 ‘
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Human Rights Watch, ‘Protected No More’, Uyghurs in Türkiye’, 12 november 2025.
9.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.
10.Jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
11.Volgens de Afdelingsuitspraken van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3378, ECLI:NL:RVS:2017:3379, ECLI:NL:RVS:2017:3380 en ECLI:NL:RVS:2017:3381. Zie ook de Afdelingsuitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1879.
12.Artikel 3.37e van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.
13.Zie de Afdelingsuitspraak van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3378, r.o. 2.2.
14.Deze artikelen zijn de implementatie van artikel 38 van Pro de Procedurerichtlijn 2023/32/EU.
15.Zie voetnoot 5.
16.Algemeen Ambtsbericht China, december 2022, pagina 91.
17.Rechtbank Den Haag, 27 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22742, r.o. 9 en 9.1 en rechtbank Den Haag, 27 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23972, r.o. 6.
18.Zie bijvoorbeeld het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 100 en het artikel van Safeguard Defenders, ‘Targeted in Turkiye: China’s Transnational Repression Against Uyghurs’,
19.Zie bijvoorbeeld het HRW-rapport en het artikel van Freedom House, ‘Turkey: Transnational Repression Host Country Case Study’, 2022, pagina’s 6 en 7.
20.Zie bijvoorbeeld het onderzoek van David Tobin en Nyrola Elymä, ‘We know you better than you know yourself’: China’s transnational respression of the Uyghur diaspora’, University of Sheffield, 14 april 2023 en het artikel van Voice of America, ‘Rights advocates cite uptick in Uyghur refugee detentions in Turkey, 25 juli 2024.
21.Zie voetnoot 8.
22.Zie de zienswijze, pagina 3 en het nader gehoor pagina’s 7 en 12.
23.Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 100.
24.Nader gehoor, pagina’s 6 en 13.