ECLI:NL:RBDHA:2026:5691

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.60856
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 VwArt. 31 ProcedurerichtlijnArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
21 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag tijdens besluitmoratorium Soedan

Eiser diende op 22 oktober 2023 een asielaanvraag in tijdens het geldende Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) voor vreemdelingen uit Soedan. De minister besloot niet tijdig op deze aanvraag, waarna eiser een beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank oordeelt dat het BVM, dat de beslistermijn opschortte, onrechtmatig is gelet op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. De opschorting van de beslistermijn eindigde op 9 juli 2024, waarna de wettelijke beslistermijn van zes maanden begon te lopen en eindigde op 9 januari 2025.

Eiser stelde de minister op 20 juni 2025 elektronisch in gebreke, wat de rechtbank geldig acht ondanks de ministeriële betwisting. De minister heeft niet binnen twee weken na ingebrekestelling beslist, waardoor het beroep ontvankelijk en gegrond is verklaard.

De rechtbank draagt de minister op binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom van € 100 per dag op bij overschrijding, met een maximum van € 15.000. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 467.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een beslistermijn van acht weken en een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60856

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.G.M. van Zutphen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 22 oktober 2023.
1.1
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft
gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3 [2] het in deze zaak toepasselijke wijzigingsbesluit. Anders dan deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 11 april 2024 [3] heeft geoordeeld, is zij thans van oordeel dat dit besluit onrechtmatig is, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. [4] Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser diende te nemen. [5] 2.1. Met het besluit van 28 juni 2023 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium [6] (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Soedan. Met het besluit van 19 december 2023 is de geldigheid van het BVM verlengd. [7] Het BVM gold tot en met 8 juli 2024
.
3. De grondslag voor het BVM ligt in artikel 43, eerste lid, van de Vw, waarin artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd. In artikel 43, eerste lid, van de Vw staat dat de minister de beslistermijn kan
verlengentot ten hoogste 21 maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst. In artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten de onderzoeksprocedure kunnen
uitstellenin individuele gevallen bij een onzekere situatie in het land van herkomst.
4. De minister legt het BVM zo uit dat de beslistermijn voor lopende asielaanvragen van vreemdelingen uit Syrië is verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden en baseert zich op artikel 43, eerste lid, van de Vw. De rechtbank volgt deze uitleg niet en zal de term ‘verlengen’ opvatten als ‘opschorten’. Aan de Procedurerichtlijn en het bepaalde in artikel 31, vierde lid, kent de rechtbank meer gewicht toe nu dat van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel 43. Daarnaast spreekt de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn over
postpone.
De rechtbank vindt ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst zodanig complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en kan de minister weer besluiten nemen. Dat de wet en het BVM zelf over verlengen spreken in plaats van over opschorten doet hieraan niet af. [8]
5. In de zaak van eiser geldt dat de aanvraag op 22 oktober 2023 is ingediend, gedurende de geldigheid van het BVM Soedan. Het BVM Soedan is op 9 juli 2024 beëindigd en de beslistermijn is op die datum gaan lopen. De wettelijke beslistermijn is geëindigd op 9 januari 2025.
Is de ingebrekestelling geldig?
6. De minister heeft in zijn verweerschrift aangegeven van mening te zijn dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen prematuur, is ingediend omdat de minister in gebreke is gesteld door middel van een elektronische ingebrekestelling. De rechtbank deelt dit standpunt niet.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de minister op 20 juni 2025 per elektronische weg in gebreke heeft gesteld. De minister heeft bij brief van 21 juni 2025 de ontvangst van de ingebrekestelling bevestigd en daarin een standaard tekst opgenomen waarin is vermeld dat een ingebrekestelling ingediend per e-mail of ander digitaal kanaal niet geldig is. De rechtbank is van oordeel dat het indienen van de ingebrekestelling per elektronische weg niet zonder meer betekent dat geen sprake is van een geldige ingebrekestelling. In dit kader wijst de rechtbank op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 8 april 2025. [9] Daarbij hecht de rechtbank veel waarde aan het feit dat de minister de ontvangst van de elektronische ingebrekestelling heeft bevestigd, zonder te motiveren dat en waarom deze in het geval van eiser niet geldig is. De algemene tekst die hierover in de ontvangstbevestiging is opgenomen volstaat niet.
8. De rechtbank acht de ingebrekestelling van eiser van 20 juni 2025 geldig. De minister heeft niet binnen twee weken na de ingebrekestelling beslist op de aanvraag. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. [10] Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
9. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. [11] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [12]
10. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden [13] is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
11. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [14]
12. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [15]

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
14. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. [16]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2023, 3235.
4.ECLI:EU:C:2025:326, alsmede de conclusie van de advocaat-generaal: ECLI:EU:C:2024:1028.
5.Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
6.Besluit van 28 juni 2023 tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Sudan (
7.Besluit van 19 december 2023 tot het verlengen van het besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Sudan (
10.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
11.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
13.Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
15.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
16.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.