ECLI:NL:RBDHA:2026:6572

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL24.11593
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbArt. 3.45b VVArt. 7 Richtlijn 2005/85/EGRichtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne en terugkeerbesluit bevestigd

Eiser, een Marokkaanse derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na de inval in Oekraïne. Verweerder beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 en legde een terugkeerbesluit op. Eiser betwistte dit en stelde dat zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling was gesteld en dat hij rechtmatig verblijf had vanwege een voorlopige voorziening en bevriezingsmaatregel.

De rechtbank oordeelt dat de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag worden beëindigd dan die van Oekraïners, mits niet vóór 4 maart 2024. Het vervangende terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 is niet prematuur en voldoet aan de Terugkeerrichtlijn. De bevriezingsmaatregel geldt niet als rechtmatig verblijf. Het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag is ingetrokken en staat daarmee vast.

De rechtbank ziet geen strijd met het non-refoulementbeginsel en verklaart het beroep ongegrond. Het oorspronkelijke terugkeerbesluit was eveneens niet prematuur. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. Het terugkeerbesluit blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.11593

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.E. Muller)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Inleiding

In het besluit van 7 maart 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez. Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 7 augustus 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren.
Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Eiser heeft hiermee al in de gronden van beroep ingestemd. Verweerder heeft niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [datum] 1997 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 7 maart 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. [1] In het vervangende besluit van 7 augustus 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.
4. Eiser is het niet eens met het besluit van 7 augustus 2025. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen, gelet op de toegewezen voorlopige voorziening, onderhavige beroepsprocedure en de bevriezingsmaatregel. Eiser heeft daardoor rechtmatig verblijf, zodat het bestreden besluit prematuur is. Voorts is eisers asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling gesteld. In de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025 is overwogen dat dit slechts mogelijk is indien de vreemdeling niet reageert op verzoeken om informatie als bedoeld in artikel 3.45b, eerste lid, van het VV. [2] Hoewel verweerder dergelijke verzoeken heeft gedaan, is daarbij vermeld dat beantwoording niet noodzakelijk was. Eiser kan daarom niet worden aangemerkt als illegaal verblijvend in de zin van artikel 7 van Pro Richtlijn 2005/85/EG.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het vervangende terugkeerbesluit niet prematuur is. Hij had op dat moment ook geen verblijfsvergunning of lopende verblijfsrechtelijke aanvraag. De bevriezingsmaatregel heeft niet te gelden als rechtmatig verblijf en staat dus niet aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg. Artikel 6 van Pro de Terugkeerrichtlijn [3] staat hier evenmin aan in de weg. Ten aanzien van de buitenbehandelingstelling van eisers asielaanvraag heeft eiser daartegen weliswaar beroep ingesteld, [4] maar dit beroep op 15 juni 2023 ingetrokken, waardoor het besluit in rechte vaststaat. Derhalve wordt niet toegekomen aan de vraag of de buitenbehandelingstelling terecht is geweest.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangende besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Dat sprake is van een toegewezen voorlopige voorziening en dat eiser onderhavige beroepsprocedure aanhangig heeft gemaakt, maakt niet dat aan hem geen terugkeerbesluit kon worden opgelegd. Dat eiser (procedureel) rechtmatig verblijf heeft om de uitkomst van onderhavige beroepsprocedure af te kunnen wachten, doet immers niet af aan de vaststelling dat hij met de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming niet langer voldoet niet aan de voorwaarden voor legaal verblijf in Nederland. Verweerder was daarom bevoegd en verplicht om een terugkeerbesluit op te leggen. [5] Daarnaast kan de bevriezingsmaatregel niet anders worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf. Het vervangende besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Marokko. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn.
7. Ten aanzien van de buitenbehandelingstelling van eisers asielaanvraag stelt de rechtbank vast dat eiser tegen dit besluit weliswaar beroep heeft ingesteld, [6] maar dat hij dit beroep op 15 juni 2023 heeft ingetrokken. Daarmee staat dit besluit in rechte vast. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de buitenbehandelingstelling. Eisers beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het vervangende besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat.
9. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het vervangende terugkeerbesluit blijft in stand. Omdat ook het oorspronkelijke terugkeerbesluit van 7 maart 2024 niet prematuur was genomen, namelijk genomen na 4 maart 2024, maakt eiser ook geen aanspraak op vergoeding van de proceskosten van deze procedure.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 24 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.https://ind.nl/nl/nieuws/bevriezingsmaatregel-derdelanders-oekraine-stopt-op-4-september-2025
3.Richtlijn 2008/115/EG.
4.NL23.16815.
5.Zie ook de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 24 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21462.
6.NL23.16815.