Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7154

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
25/8605
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WooArt. 4.1a WooArt. 7:11 AwbArt. 8:72 AwbArt. 6:20 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing Woo-verzoek wegens onvoldoende precisering

Eiser heeft op grond van de Wet open overheid (Woo) verzocht om alle communicatie tussen PVV-bewindspersonen, hun politieke assistenten en leden van de PVV-fractie vanaf 2 juli 2024 tot heden. Verweerder wees het verzoek af met het argument dat het verzoek partijpolitieke informatie betrof en te algemeen was geformuleerd.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek niet uitsluitend partijpolitieke informatie betreft en dat het verzoek te algemeen is omdat geen specifieke aangelegenheid is genoemd. Verweerder is onvoldoende behulpzaam geweest bij het preciseren van het verzoek, waardoor het verzoek niet behandelbaar is gemaakt.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van het Woo-verzoek wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8605

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: H. van Drunen),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.E. Bach).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) door eiser.
1.1.
Verweerder heeft het Woo-verzoek met het besluit van 4 juni 2025 afgewezen.
1.2.
Eiser heeft op 19 november 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar. Bij besluit van 10 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van 24 juni 2025 alsnog ongegrond verklaard. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit. [1]
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van eiser over een soortgelijk Woo-verzoek. [2] Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft in het kader van een onderzoek naar (de omgang met) rechtsextremisme in Nederland op 28 maart 2025 een verzoek gedaan op grond van de Woo. Hij heeft daarbij toegelicht dat ten aanzien van het kabinet Schoof I sprake is van een uitgesproken dualistisch karakter tussen parlement en kabinet in de vorm van een extraparlementair kabinet. Eiser doet dit Woo-verzoek met als doel documenten te kunnen verzamelen die de werking van het extraparlementaire karakter kunnen bevestigen of juist ontkrachten.
Eiser verzoekt specifiek om:
“..alle communicatie tussen de PVV-bewindspersonen en diens politieke assistenten van uw ministerie en (leden van) de fracties van de PVV vanaf 2 juli 2024 tot heden. Dit kunnen emails, whatsapp- of signal-berichten zijn, maar ook sms-jes, brieven, voicememo’s, audio- en videodragers. Het kunnen bijvoorbeeld ook rapportages, notities, gespreksverslagen, offertes, adviezen, agenda afspraken, nota’s of anderszins gewisselde documenten zijn. Het gaat mij om alle versies bij of onder u aanwezig.”
2.1.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit primair op het standpunt gesteld dat het verzoek niet onder de reikwijdte van de Woo valt, omdat eiser verzoekt om openbaarmaking van partijpolitieke informatie. Voor zover er is gecommuniceerd tussen PVV-bewindspersonen (en hun politieke assistenten) en de PVV-fractie over ‘de werking van het extraparlementaire kabinet’ heeft dit volgens verweerder een partijpolitiek karakter en op dergelijke interne partijcommunicatie is de Woo niet van toepassing. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor zover eiser vraagt om ‘alle communicatie’ het verzoek te algemeen is. Eiser noemt namelijk geen aangelegenheid waar het verzoek op ziet. In dat geval is het verzoek te ongespecificeerd en hoefde deze niet in behandeling te worden genomen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Daartoe voert hij aan dat verweerder de reikwijdte van de Woo te beperkt uitlegt. De gevraagde informatie houdt bij uitstek naar haar aard verband met de publieke taak van het landsbestuur. Dit was verweerder bij ontvangst van het verzoek duidelijk. Zo niet, dan heeft verweerder ten onrechte niet binnen twee weken na ontvangst van het verzoek om precisering gevraagd. Volgens eiser kan de communicatie tussen bewindspersonen en hun persoonlijke assistenten en leden van de kamerfractie gerelateerd zijn aan de publieke taak van deze bewindspersoon. Verweerder heeft geen kennis genomen van de inhoud van de gevraagde informatie en heeft dus ook niet kunnen beoordelen om wat voor soort informatie het gaat. Dat bepaalde informatie volgens verweerder niet gearchiveerd hoeft te worden, maakt verder nog niet dat deze niet onder de Woo valt. Eiser wijst er tot slot op dat verweerder op grond van artikel 4.1a van de Woo gehouden is om te waarborgen dat alle documenten waarop een Woo-verzoek ziet, worden behouden. Dit artikel maakt geen onderscheid tussen informatie die wel of niet onder de Woo valt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.1.
Het primaire standpunt van verweerder dat het verzoek ziet op partijpolitieke informatie en daarom moet worden afgewezen, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft het verzoek ten onrechte zo geïnterpreteerd dat ervan uit moet worden gegaan dat het verzoek ziet op communicatie over ‘de werking van het extraparlementaire kabinet’. Eiser heeft immers verzocht om alle communicatie tussen de PVV-bewindspersonen en (leden van) de fracties van de PVV. Dat eiser het verzoek heeft gedaan met als doel documenten te kunnen verzamelen die de werking van het extraparlementaire karakter kunnen bevestigen of juist ontkrachten is geen precisering van het verzoek. Het betreft immers nog steeds een verzoek om alle communicatie. Nu niet alle communicatie tussen verweerder en PVV fractieleden per definitie partijpolitieke informatie is, hetgeen door verweerder ter zitting ook is bevestigd, kan niet op voorhand worden gesteld dat het verzoek uitsluitend ziet op partijpolitieke informatie.
Was het Woo-verzoek van eiser voldoende gespecificeerd?
5. Gelet op artikel 4.1, vierde lid, van de Woo, vermeldt een verzoeker bij zijn Wooverzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. De aangelegenheid waarover het verzoek gaat, moet dus duidelijk zijn. [3] Met de eis dat een voldoende gespecificeerde aangelegenheid moet worden genoemd, heeft de wetgever bestuursorganen willen beschermen tegen ongerichte informatieverzoeken en heeft hij willen voorkomen dat bestuursorganen een ongedifferentieerde hoeveelheid overheidsinformatie moeten beoordelen op openbaarheid. Dat zou namelijk een ontwrichtende werking hebben op het overheidsapparaat. [4]
5.1.
Eiser heeft verzocht om alle communicatie tussen de PVVbewindspersonen en diens politieke assistenten van verweerder en (leden van) de fracties van de PVV vanaf 2 juli 2024 tot 28 maart 2025. De rechtbank is van oordeel dat daaruit géén aangelegenheid blijkt, waarover het verzoek om informatie gaat. Het verzoek raakt daarmee een onbegrensd aantal onderwerpen en is dus te algemeen geformuleerd.
Is verweerder voldoende behulpzaam geweest bij het preciseren van het verzoek?
6. In het geval van een te algemeen verzoek verzoekt het bestuursorgaan de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij ook behulpzaam. [5] ‘Behulpzaam zijn bij’ duidt op een inspanningsverplichting voor het bestuursorgaan om te komen tot een behandelbaar verzoek; deze verplichting is aldus niet vrijblijvend. Het uitgangspunt van de Woo dat openbaarheid de regel en het beoogde doel is, vraagt om een actieve houding van en responsiviteit bij het bestuursorgaan. Wel gaat het hier om het gezamenlijk zoeken naar een rechtvaardige invulling van het verzoek. [6]
6.1.
Anders dan eiser stelt is verweerder niet gehouden om binnen twee weken na ontvangst van het verzoek verzoeker te vragen om het verzoek te preciseren. Zoals ook de Afdeling onlangs heeft overwogen, betreft de termijn van artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo geen fatale termijn. [7] Op grond van artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging van het genomen besluit plaatsvinden. Verweerder mag dus ook in de bezwaarfase nog om precisering vragen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende behulpzaam is geweest bij het preciseren van het verzoek. Niet is gebleken van verrichte inspanningen van verweerder om een behandelbaar verzoek te krijgen. Zo heeft verweerder eiser tijdens de behandeling van het Wooverzoek niet (schriftelijk) gevraagd om het verzoek te preciseren of hem herstel voor verzuim geboden. Ook is de rechtbank niet gebleken van dergelijke inspanningen tijdens de hoorzitting in bezwaar. Verweerder lijkt tijdens de hoorzitting te volstaan met de vaststelling dat als het verzoek algemener is bedoeld dan verweerder het verzoek heeft opgevat, het verzoek dusdanig breed is dat sprake is van een ‘phishing expedition’. Het had echter op de weg van verweerder gelegen om eiser alsnog uitdrukkelijk in de gelegenheid te stellen de aangelegenheid waarover hij informatie wenst te preciseren, zodanig dat het verzoek in behandeling kan worden genomen. Verweerder heeft daarnaast ook niet aannemelijk gemaakt dat eiser zijn verzoek niet wil specificeren. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser onvoldoende behulpzaam is geweest bij het preciseren van zijn verzoek. Dit gebrek dient bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar te worden hersteld, waarna het verzoek opnieuw dient te worden beoordeeld.
6.3.
De rechtbank overweegt in aanvulling hierop wel dat de inspanningsverplichting van verweerder niet zo ver strekt dat verweerder gehouden is om op basis van aangetroffen communicatie een lijst met onderwerpen samen te stellen waar eiser uit kan kiezen. Dit betreft een voorstel dat de gemachtigde van eiser zowel tijdens de hoorzitting in bezwaar als tijdens het onderzoek ter zitting heeft gedaan. Het verzoek van eiser moet gelet op wat de rechtbank onder 5 heeft overwogen wel gericht zijn. Het mag geen verzoek zijn om algemene inzage waaruit vervolgens onderwerpen kunnen worden uitgezocht die naar de gading van eiser zijn. [8] Het blijft in de eerste plaats aan de Wooverzoeker om een aangelegenheid te noemen en richting te geven aan het verzoek. Eiser – voor wie de Wooprocedure overigens niet onbekend is gelet op eerdere Woo-verzoeken – moet dus ook bereidwilligheid tonen om mee te werken aan het preciseren van het verzoek. Doet eiser dit niet dan kan verweerder het verzoek buiten behandeling stellen.
Had verweerder de gevraagde informatie moeten borgen?
7. Uit artikel 4.1a van de Woo volgt niet dat er een bewaarplicht zou gelden voor álle bij het bestuursorgaan berustende documenten. [9] Wel geldt dat zodra een Woo-verzoek is ontvangen, de informatie waar het verzoek op ziet, moet worden behouden. Het is een bestuursorgaan niet toegestaan om documenten die binnen het bereik van het verzoek vallen tussentijds verloren te laten gaan. [10] De rechtbank benadrukt daarom in algemene zin wel dat het mede hierom van groot belang is dat de reikwijdte van het verzoek (in een vroeg stadium) heel exact wordt vastgesteld. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij niet op zoek is naar partijpolitieke informatie, maar alleen naar bestuurlijke informatie. Bestuurlijke informatie wordt in beginsel conform de daarvoor geldende termijnen uit de Archiefwet bewaard. Verweerder heeft toegelicht dat dit in beginsel ook geldt voor bijvoorbeeld appberichten die bij bewindspersonen berusten voor zover deze zien op bestuurlijke aangelegenheden. In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in strijd met artikel 4.1a van de Woo zou handelen.
8. Omdat het beroep gelet op r.o. 6.2 reeds gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is gegrond omdat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor 12 weken. Deze termijn vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.
9.1.
Omdat beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
- verklaard het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 december 2025;
- draagt verweerder op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zaaknummers SGR 25/8601, SGR 25/8769, SGR 25/8729, SGR 25/8773, SGR 25/8777, en SGR 25/8941.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5734, r.o. 5.
4.Zoals de rechtbank eerder ook heeft overwogen in haar uitspraak van 6 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24585, r.o. 4.2.
5.Artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo.
6.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18115.
7.Uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:206.
8.Zoals ook de rechtbank Midden-Nederland heeft overwogen in haar uitspraak van 17 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2278.
10.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1633.