AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling terugkeerbesluit en tijdelijke bescherming derdelander uit Oekraïne
Eiser, een Indiase nationaliteit dragende derdelander met tijdelijke bescherming in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, kreeg een terugkeerbesluit opgelegd omdat zijn recht op tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 eindigde. Hij stelde beroep in tegen het oorspronkelijke terugkeerbesluit van 21 februari 2024 en het vervangende besluit van 7 augustus 2025.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het ingetrokken terugkeerbesluit niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan procesbelang, omdat alleen het vervangende besluit zichtbaar is in het SIS en eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden door de oude signalering. Het beroep tegen het nieuwe terugkeerbesluit is ongegrond, omdat de beëindiging van de tijdelijke bescherming rechtmatig is en verweerder de hoorplicht heeft nageleefd.
Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder niet verplicht was om ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRMPro te verlenen en dat de SIS-registratie rechtmatig is. De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten voor het beroep tegen het eerste terugkeerbesluit.
Uitkomst: Beroep tegen ingetrokken terugkeerbesluit niet-ontvankelijk, beroep tegen nieuw terugkeerbesluit ongegrond, minister veroordeeld in proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9584
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigden: mr. C.H.H.P.M. Kelderman en mr. J.G.R. Becker).
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft op 6 maart 2024 tegen dat besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.9585).
Eiser heeft op 6 maart 2024 beroepsgronden ingediend.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank, en zittingsplaats, heeft het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 27 maart 2024 afgewezen.
Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken en dit besluit onder verwijzing naar artikel 6:19 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervangen door een nieuw terugkeerbesluit.
Eiser heeft op 22 augustus 2025 (aanvullende) beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft op 15 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. C.H.H.P.M. Kelderman.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie te verstrekken over de SIS-signalering van eiser.
Verweerder heeft op 7 november 2025 de gevraagde informatie ingebracht.
De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het bericht van 7 november 2025 van verweerder. Eiser heeft op 14 november 2025 gereageerd.
Verweerder heeft op 20 november 2025 desgevraagd nog gereageerd op een nieuwe beroepsgrond van eiser.
De rechtbank heeft partijen gevraagd of zij toestemming geven om zonder nadere zitting uitspraak te doen op het beroep.
Verweerder heeft de rechtbank op 20 november 2025 bericht geen nadere zitting te wensen. Eiser heeft op 21 november 2025 te kennen gegeven wel een nadere zitting te wensen.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op een nadere zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.G.R. Becker.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en bezit de Indiase nationaliteit. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822 van 4 maart 2022 (Richtlijn Tijdelijke Bescherming; RTB). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 30 mei 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat.
2. Verweerder heeft aanvankelijk bij besluit van 22 augustus 2023 bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Bij brief van 6 september 2023 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat de gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 17 januari 2024 [1] geoordeeld dat verweerder de facultatieve bescherming niet per 4 september 2023 heeft kunnen beëindigen, en heeft bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege eindigt op 4 maart 2024 .Bij brief van 24 januari 2024 heeft verweerder vervolgens eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024.
3. De rechtbank stelt vast dat aanvankelijk op 21 februari 2024 tegen eiser een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. Verweerder heeft daarin vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en bepaald dat hij de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein binnen 4 weken na 4 maart 2024 moet verlaten om terug te keren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft (India). Voorts is aangegeven dat eiser vanwege dit terugkeerbesluit in het Schengen Informatie Systeem (SIS) wordt gesignaleerd. Eiser heeft tegen het besluit van 21 februari 2024 beroep ingesteld.
4. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [2] en op 25 april 2024 [3] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) gesteld over de beëindiging van deze tijdelijke bescherming. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen van wie de tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de RTB hadden [4] .
5. Het Hof heeft bij arrest van 19 december 2024 [5] de door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde vragen beantwoord. Het Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [6] uitgelegd hoe het arrest van het Hof dient te worden toegepast en heeft bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 aan de Tweede Kamer heeft verweerder meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen [7] . Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan [8] .
Het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
6. Omdat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is vervangen door het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een beoordeling van het beroep voor zover dat zich richt tegen het besluit van 21 februari 2024. Volgens vaste rechtspraak heeft de indiener van een beroepschrift belang als het resultaat dat de indiener nastreeft met het beroep daadwerkelijk kan worden bereikt en voor de indiener van feitelijke betekenis is. Een zuiver principieel of formeel belang is onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
7. Eiser heeft betoogd dat hij nog steeds procesbelang heeft bij zijn beroep omdat het ingetrokken terugkeerbesluit in het SIS is gesignaleerd en hij door deze signalering schade heeft ondervonden. Hij kon hierdoor niet vrijelijk binnen het grondgebied van de Europese Unie reizen en zich in een andere lidstaat vestigen. Daarnaast is onduidelijk of deze (oude) signalering nog steeds zichtbaar is voor andere lidstaten. Indien dit het geval is, zou hij namelijk in de toekomst hinder kunnen ondervinden van de signalering. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
8. Uit de door verweerder op 7 november 2025 overgelegde schermafbeeldingen van de actuele SIS-signalering blijkt dat alleen het vervangende terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 zichtbaar is. Verweerder heeft bovendien toegelicht dat alleen deze registratie, als zijnde de actuele registratie, zichtbaar is voor andere lidstaten en dat de historische gegevens met betrekking tot het eerdere terugkeerbesluit dat niet (meer) zijn. Indien een lidstaat een SIS-overzicht opvraagt van een vreemdeling voor wie er geen actieve signalering bestaat, is enkel de melding ‘persoon komt niet voor’ zichtbaar. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van deze mededeling. Dat verweerder niet alle pagina’s van het interne systeem heeft overgelegd, is daartoe onvoldoende. Dit leidt ertoe dat eisers betoog dat hij hinder kan ondervinden van de oude SIS-registratie, niet maakt dat hij procesbelang heeft bij het beroep tegen het ingetrokken terugkeerbesluit.
9. Eiser heeft betoogd dat hij schade heeft ondervonden van de SIS-signalering van het ingetrokken terugkeerbesluit en dat hij hieraan procesbelang kan ontlenen. Dit volgt de rechtbank niet. De rechtbank stelt voorop dat er sprake kan zijn van procesbelang als er schade is geleden door een (ingetrokken) besluit. Dan is echter wel vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat er schade is geleden en dat de gestelde schade daadwerkelijk het gevolg is van het besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft ondervonden. Niet is gesteld of gebleken dat hij voornemens was naar een andere lidstaat te reizen en dat hij door de SIS-signalering belemmeringen of schade heeft ondervonden. Tijdens het onderzoek ter zitting op 12 december 2025 heeft eiser naar voren gebracht dat hij schade heeft ondervonden omdat zijn werkgever hem niet in dienst wilde nemen of wilde houden omdat hij in het SIS stond geregistreerd en dat hij daarnaast een studie aan de universiteit wilde beginnen, maar daarvoor het volle tarief moest betalen als gevolg van de SIS-signalering. Eiser heeft deze stellingen niet nader onderbouwd of geconcretiseerd. Voor zover er al van uit moet worden gegaan dat eiser nadeel heeft ondervonden in zijn arbeidsrelatie en voor wat betreft zijn studiekosten, kan dit evenmin leiden tot het aannemen van procesbelang nu het causaal verband door eiser niet is onderbouwd. Het komt de rechtbank voor dat de door eiser beschreven nadelen veeleer het gevolg zijn van de omstandigheid dat eisers rechtmatige verblijf in Nederland onzeker was en op enig moment is beëindigd, dan van de (oude) signalering van het ingetrokken terugkeerbesluit. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024. Daarom verklaart de rechtbank het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.
10. De rechtbank komt aan het einde van deze uitspraak toe aan de vraag of er aanleiding bestaat om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Vervangend terugkeerbesluit van 7 augustus 2025
11. Verweerder heeft op 7 augustus 2025 het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken en een vervangend terugkeerbesluit genomen. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege ook betrekking op dit vervangende besluit.
12. Verweerder heeft aan het (vervangende) terugkeerbesluit ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland aangezien zijn recht op tijdelijke bescherming onder de RTB is op 4 maart 2024 geëindigd. Eiser heeft geen openstaande vreemdelingrechtelijke procedures die leiden tot rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en is evenmin in het bezit van een verblijfsvergunning. Volgens verweerder staan de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet in de weg aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Ten slotte heeft verweerder geconcludeerd dat geen sprake is geweest van schending van de hoorplicht, nu eiser schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen.
Beëindiging rechtmatig verblijf
13. Eiser betoogt dat de RTB nog altijd van kracht is en dat hij dus rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Verweerder had namelijk eerst een individueel besluit tot beëindiging van het rechtmatig verblijf moeten nemen. Verweerder volstaat echter in dit kader met een kale verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat hij, gelet op de uitlatingen van verweerder, erop heeft mogen vertrouwen dat hij net als Oekraïense vreemdelingen zou worden behandeld.
13.1.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit het arrest Kaduna volgt dat de lidstaten niet verplicht zijn om de duur van de facultatieve bescherming af te stemmen op de initiële duur van de verplichte tijdelijke bescherming of de automatische verlenging daarvan of op de duur die voortvloeit uit de optionele verlenging daarvan. Dit betekent dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en de algemene beginselen van het Unierecht in acht worden genomen. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De rechtbank ziet geen grond voor het standpunt van eiser dat het op de weg van verweerder lag om bij afzonderlijk individueel besluit zijn rechtmatig verblijf op grond van de RTB te beëindigen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat in rechtsoverweging 135 van het Kaduna-arrest wordt gesproken over het beëindigen van de tijdelijke bescherming van categorieën van personen en niet van individuele personen. Het Hof noemt in dit verband niet dat een individuele beoordeling dient plaats te vinden, zoals het in rechtsoverweging 127 wel opmerkt in verband met de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming. Het betoog van eiser dat de generieke beëindiging – dus zonder individuele beoordeling – in strijd is met de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en het Unierecht, volgt de rechtbank dus niet. Dat eiser in de gelegenheid had moeten worden gesteld om een zienswijze in te dienen tegen de beëindiging en dat het evenredigheidsbeginsel in eisers geval in de weg staat aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, volgt de rechtbank ook niet. Omdat er geen individuele beslissing wordt genomen over de beëindiging, bestaat voor het indienen van een zienswijze of een evenredigheidsbeoordeling op basis van individuele omstandigheden geen grond. De rechtbank verwijst voor wat betreft eisers individuele situatie verder naar wat hierna wordt overwogen onder het kopje ’Artikel 8 vanPro het EVRM en arbeid’.
13.2.
In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling ook geoordeeld, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024 [9] , dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan was bereikt. Hierbij is overwogen dat verweerder geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van deze uitspraken van de Afdeling. Ter zitting heeft eiser gewezen op uitingen op de website van de IND over de aanvragen op grond van de RTB. Hieruit kan volgens hem worden afgeleid dat derdelanders uit Oekraïne hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners en dat hem dus een geslaagd beroep toekomt op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank volgt dit niet. Uit de passage die eiser heeft ingebracht valt immers niet af te leiden dat er een ongeclausuleerde toezegging is gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Uit de door eiser aangehaalde passages kan louter worden afgeleid dat derdelanders uit Oekraïne op dat moment ook onder de RTB vielen en daarbij wordt beschreven hoe zij een aanvraag in konden dienen. Eiser heeft geen andere feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat in zijn geval anderszins verwachtingen zijn gewekt. Voor zover hij een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, volgt de rechtbank eiser hierin dus evenmin. De door eiser in dit verband aangevoerde beroepsgronden kunnen niet slagen.
Prematuur terugkeerbesluit
14. Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen. Daarnaast voert eiser aan dat hij nog rechtmatig verblijf heeft op grond van de RTB vanwege de bevriezingsmaatregel en vanwege het feit dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat hij moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is totdat op het beroep is beslist.
14.1.
Het betoog dat het terugkeerbesluit prematuur is gelet op de bevriezingsmaatregel van verweerder om de tijdelijke bescherming pas feitelijk vanaf 4 september 2025 te beëindigen, slaagt niet. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiser daarna nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de RTB was het gevolg van de bevriezingsmaatregel die is getroffen in verband met de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt echter niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat eiser nog feitelijk gebruik mag maken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had. Dit is niet meer dan een (tijdelijke) opschorting. De rechtbank verwijst ter vergelijking in dit verband naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. [10] Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet maakt dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn.
14.2.
Het betoog van eiser dat het terugkeerbesluit prematuur is gelet op de toegewezen voorlopige voorziening, slaagt om vergelijkbare redenen ook niet. De rechtbank is van oordeel dat de toegewezen voorlopige voorziening betekent dat eiser de uitkomst van de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten. Dit betekent dat hij ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit doet echter niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf op grond van de Terugkeerrichtlijn en de verplichting en dus bevoegdheid voor verweerder om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Het toewijzen van een voorlopige voorziening betekent immers ‘slechts’ dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort in afwachting van de uitspraak op het beroep. Dit betekent niet dat het verblijf van eiser dan niet illegaal is in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022. [11] De beroepsgronden slagen niet.
15. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 vanPro het EVRM dan wel op grond van arbeid. Hij is als derdelander namelijk een begunstigde van de RTB en deze verplicht lidstaten om de menselijke waardigheid te eerbiedigen bij beëindiging van het verblijfsrecht. Daarnaast verplicht artikel 22 vanPro de RTB om te onderzoeken of de begunstigde in aanmerking komt voor toelating na de beëindiging van de tijdelijke bescherming.
15.1.
Voor zover eiser meent dat verweerder (ambtshalve) aan hem een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 vanPro het EVRM had moeten verlenen, overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste jurisprudentie van het Hof volgt dat geen enkele bepaling van Terugkeerrichtlijn aldus kan worden uitgelegd dat zij vereist dat een lidstaat een verblijfsvergunning toekent aan een illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander. Het Hof heeft ook uitdrukkelijk overwogen dat wat betreft in het bijzonder artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, deze bepaling is beperkt tot de mogelijkheid voor de lidstaten om op basis van hun nationale recht, en niet op basis van het Unierecht, in schrijnende gevallen om humanitaire redenen een verblijfsrecht toe te kennen aan illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelanders. [12] Het voorgaande betekent dat verweerder niet is gehouden om voorafgaand aan het opleggen van een terugkeerbesluit ambtshalve na te gaan of eiser recht heeft op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 vanPro het EVRM. Indien eiser meent dat hij daar recht op heeft, ligt het dus op zijn weg om een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.
15.2.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat verweerder bij het opleggen van een terugkeerbesluit wel naar behoren rekening moet houden met onder meer het privéleven van de betrokken vreemdeling. [13] Uit die rechtspraak volgt verder dat verweerder, wanneer hij voornemens is een terugkeerbesluit uit te vaardigen, de vreemdeling de gelegenheid moet bieden alle relevante informatie naar voren te brengen die kan rechtvaardigen dat geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. In dit geval heeft verweerder eiser de gelegenheid gegeven om in zijn zienswijze dergelijke omstandigheden naar voren te brengen. Eiser heeft echter volstaan met de stelling dat hij hier meerdere jaren heeft verbleven en hier heeft gewerkt. Verweerder heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluit en SIS-registratie
16. Eiser betoogt verder om verschillende redenen dat sprake is van een onrechtmatige registratie van het terugkeerbesluit in het SIS.
16.1.
De rechtbank overweegt dat een eventuele onrechtmatige registratie in het SIS van het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024, voor zover daar al sprake van is, niet kan afdoen aan de bevoegdheid van verweerder om aan eiser een vervangend terugkeerbesluit uit te vaardigen en evenmin maakt dat de registratie in het SIS van het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 onrechtmatig is.
16.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen reden bestaat om verzoeker geen terugkeerbesluit op te leggen vanwege de SIS-registratie. Zo wordt immers iedere vreemdeling met een terugkeerbesluit, ongeacht of hij de regels heeft overtreden, in het SIS geregistreerd en verdwijnt deze SIS-registratie nadat is voldaan aan de terugkeerverplichting die op verzoeker rust. De rechtbank wijst in dit kader op artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/1860. Nu op verzoeker de plicht rust om terug te keren naar India en hij Nederland en het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland moet verlaten, maakt dit dat hij met de SIS-signalering niet onevenredig in zijn belang is geschaad omdat voor hem dus niet de mogelijkheid bestaat om naar een ander land in de EU te gaan. Dat hij anderszins door de SIS-registratie is benadeeld, heeft eiser niet onderbouwd. De stelling van eiser dat hij geen regels heeft overtreden, neemt niet weg dat verweerder terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd. De SIS-registratie verdwijnt nadat eiser heeft voldaan aan zijn terugkeerplicht. Dat - zoals eiser aanvoert - een terugkeerbesluit pas in het SIS mag worden geregistreerd wanneer het onherroepelijk is, volgt de rechtbank niet. Dit standpunt strookt niet met het vijfde lid van artikel 3 vanPro Verordening 2018/1860, waarin is vermeld dat een schorsing of uitstel van de uitvoering van het terugkeerbesluit, onder meer als gevolg van het instellen van beroep, onmiddellijk in de signalering wordt geregistreerd. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat uit de door verweerder overgelegde schermafbeelding van de SIS-signalering volgt dat verweerder een onjuiste datum heeft geregistreerd (te weten 11 september 2025, de datum van invoer) en dat ten onrechte de in het terugkeerbesluit gegeven vertrektermijn van vier weken niet is vermeld. De datum 11 september 2025 is weliswaar onjuist aangezien deze later is dan de datum waarop de tijdelijke bevriezingsmaatregel is gestopt, te weten 4 september 2025, maar dit is ten gunste van eiser. Wat betreft de termijn voor vrijwillig vertrek heeft verweerder op de nadere zitting erkend dat deze ten onrechte niet is vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank raken deze onjuiste vermeldingen niet aan de bevoegdheid van verweerder om een terugkeerbesluit uit te vaardigen en dit in het SIS te registreren en kunnen deze onjuistheden dus niet tot het oordeel leiden dat het bestreden terugkeerbesluit onrechtmatig is. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder, nu hij erkent dat de vertrektermijn niet juist is vermeld, de registratie op dit punt zal aanpassen. Indien eiser de datum van 11 september 2025 aangepast wil zien worden, kan hij zich daartoe tot verweerder wenden. Voor zover eiser nog betoogt dat hij schade heeft geleden vanwege de SIS-registratie van het reeds ingetrokken terugkeerbesluit, verwijst de rechtbank naar wat zij hiervoor heeft overwogen in rechtsoverweging 9. De beroepsgronden over de SIS-registratie kunnen niet slagen.
Hoorplicht
17. Eiser betoogt tot slot dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord.
17.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder heeft kunnen afzien van het horen van eiser. Hierbij is van belang dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunten over het terugkeerbesluit kenbaar te maken alvorens dat wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser daartoe voldoende in staat heeft gesteld, nu eiser met een zienswijze heeft kunnen reageren op het voornemen van verweerder om een terugkeerbesluit op te leggen. Eiser heeft niet concreet gemaakt welke informatie verweerder niet heeft kunnen betrekken in de besluitvorming omdat eiser niet is gehoord. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Conclusie
18. Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 is ongegrond.
Proceskosten
19. Nu het vervangend besluit van 7 augustus 2025 is genomen nadat beroep was ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 en niet in geschil is dat dit eerste terugkeerbesluit prematuur was genomen, namelijk op een moment dat eiser (achteraf bezien) nog rechtmatig verblijf had op grond van de RTB, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met zijn beroep tegen dat besluit heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting anders dan na een tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat op de zitting en nadere zitting mede is gesproken over de vraag of eiser nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het ingetrokken terugkeerbesluit. Voor een proceskostenveroordeling voor zover het beroep zich richt tegen het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025, bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen het op 21 februari 2024 vastgestelde terugkeerbesluit niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met zijn beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 heeft gemaakt tot een bedrag van € 2.335,-.
- verklaart het beroep gericht tegen het op 7 augustus 2025 vastgestelde terugkeerbesluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
12.Zie bijvoorbeeld het arrest van 22 november 2022, Medicinale Cannabis, EU:C:2022:913, punten 84-86.
13.Dit volgt uit het arrest van 8 mei 2018, EU:C:2018:308 (K.A. e.a.) punt 102, in samenhang met het arrest van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913 (X) punt 92.