Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres,
[naam kind 1]en
[naam kind 2]
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen, heeft in maart 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiseres al internationale bescherming geniet in Italië, waar zij een verblijfsvergunning heeft tot 2028. De minister stelde dat eiseres een zodanige band met Italië heeft dat het redelijk is daarheen terug te keren en dat zij haar rechten als statushouder daar kan effectueren.
Eiseres betoogde dat zij in Italië niet veilig was, mishandeld werd en gedwongen werd tot prostitutie, en dat zij geen toegang had tot adequate sociale voorzieningen, werk en kinderopvang. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres haar rechten in Italië daadwerkelijk kan effectueren en dat zij niet een reëel risico loopt op ernstige materiële deprivatie. De minister ging onvoldoende in op de specifieke omstandigheden van eiseres, zoals het ontbreken van opvang en werkgelegenheid.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsvereiste van de Algemene wet bestuursrecht en vernietigde het besluit. De minister wordt opgedragen binnen vier weken opnieuw te beslissen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring en draagt de minister op binnen vier weken opnieuw te beslissen.