ECLI:NL:RBDHA:2026:8408

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
NL25.44247
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 30a Vw 2000Art. 3 AntifolterverdragArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag statushouder Italië onvoldoende gemotiveerd

Eiseres, een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen, heeft in maart 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiseres al internationale bescherming geniet in Italië, waar zij een verblijfsvergunning heeft tot 2028. De minister stelde dat eiseres een zodanige band met Italië heeft dat het redelijk is daarheen terug te keren en dat zij haar rechten als statushouder daar kan effectueren.

Eiseres betoogde dat zij in Italië niet veilig was, mishandeld werd en gedwongen werd tot prostitutie, en dat zij geen toegang had tot adequate sociale voorzieningen, werk en kinderopvang. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres haar rechten in Italië daadwerkelijk kan effectueren en dat zij niet een reëel risico loopt op ernstige materiële deprivatie. De minister ging onvoldoende in op de specifieke omstandigheden van eiseres, zoals het ontbreken van opvang en werkgelegenheid.

De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsvereiste van de Algemene wet bestuursrecht en vernietigde het besluit. De minister wordt opgedragen binnen vier weken opnieuw te beslissen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring en draagt de minister op binnen vier weken opnieuw te beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44247

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen
[naam kind 1]en
[naam kind 2]
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek)
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. De minister heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiseres in Italië, waar zij internationale bescherming geniet, zal worden behandeld conform de verplichtingen die volgen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 3 van Pro het Antifolterverdrag. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 22 maart 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 september 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de gevraagde voorlopige voorziening [1] , op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat zijn de relevante feiten en omstandigheden?
3. Eiseres is in augustus 2017 in Italië aangekomen, waar haar internationale bescherming is verleend en zij in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel met geldigheid tot 11 oktober 2028. In Italië zijn op 24 januari 2022 en 29 augustus 2023 de kinderen van eiseres geboren. Eiseres is alleenstaand. Op 20 maart 2025 heeft eiseres Italië verlaten en is zij naar Nederland gereisd.
Heeft de minister de asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard?
Wet- en regelgeving
4. De minister kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een vreemdeling internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie. [2] Dat kan alleen als ook wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Eén van die voorwaarden is dat die lidstaat de internationale verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 3 van Pro het Antifolterverdrag nakomt. Ook moet de vreemdeling een zodanige band met die lidstaat hebben dat het voor hem of haar redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Het is vaste rechtspraak dat van een dergelijke band sprake is als een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is, dan wel de subsidiaire beschermingsstatus heeft. [3]
Standpunt van de minister
4.1.
De minister heeft de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 omdat eiseres al internationale bescherming geniet in Italië. Om die reden is sprake van een zodanige band van eiseres met Italië dat het voor haar redelijk is daarheen terug te gaan. Volgens de minister heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat Italië de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 3 Antifolterverdrag Pro (jegens haar) niet naleeft en zij bij terugkeer naar Italië in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Daarbij betrekt de minister dat eiseres in Italië werk en een verblijfplaats had. Verder heeft zij als statushouder dezelfde rechten als een Italiaans staatsburger en maakt zij als zodanig aanspraak op sociale voorzieningen in Italië. Van eiseres mag worden verwacht dat zij haar rechten zelf effectueert of daarbij hulp zoekt bij instanties of de autoriteiten in Italië. Voor zover eiseres problemen vreest in Italië, wordt van haar verwacht dat zij daarvoor de bescherming van de (hogere) Italiaanse autoriteiten of daartoe aangewezen instanties inroept. Dat heeft eiseres eerder niet gedaan, terwijl die inspanningen wel van haar mogen worden verwacht. Niet is gebleken dat het voor eiseres (feitelijk) niet mogelijk is zich te wenden tot de (hogere) Italiaanse autoriteiten of daartoe aangewezen instanties. Zij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat deze haar niet kunnen of willen helpen, aldus de minister.
Betoog van eiseres
4.2.
Eiseres betoogt dat haar asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Daartoe voert zij aan dat de minister miskent dat zij niet veilig was in Italië en geen bescherming kon krijgen van de Italiaanse autoriteiten. Eiseres is in Italië gedwongen om in de prostitutie te werken en werd mishandeld door de vader van haar kinderen. Gelet op de achtergrond van mensenhandel moet eiseres worden aangemerkt als kwetsbaar. Ook beschikte eiseres in Italië niet over zelfstandige en veilige woonruimte, lukte het haar (mede vanwege haar zwangerschappen) niet om werk te behouden en kon zij geen kinderopvang krijgen. Recht op een uitkering had eiseres niet. In de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 6 oktober 2025 [4] ziet eiseres steun voor haar standpunt dat niet van haar gevraagd kan worden dat zij opnieuw naar Italië gaat. In Italië vreest eiseres ook voor een vloek die over haar is uitgesproken, gelet waarop zij zich niet tot de autoriteiten kan wenden voor bescherming. In Nederland kan zij zich aan deze vloek onttrekken.
Oordeel van de rechtbank
4.3.
De rechtbank wijst erop dat als uitgangspunt geldt dat de minister ervan mag uitgaan dat de autoriteiten van de statusverlenende lidstaat de verdragsverplichtingen tegenover statushouders nakomen. Statushouders kunnen in beginsel op grond van de verleende internationale bescherming aanspraak maken op de daaruit voortvloeiende rechten en de minister mag ervan uitgaan dat zij deze rechten ook (zelf) kunnen effectueren. Daarbij geldt dat statushouders in principe dezelfde rechten hebben als staatsburgers van de statusverlenende lidstaat op het gebied van werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen. Als statushouders er niet in slagen om hun rechten te effectueren, dienen zij zich te wenden tot de autoriteiten van de statusverlenende lidstaat. Deze aannames kunnen worden weerlegd door de vreemdeling. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt echter dat de drempel voor een (geslaagd) beroep op artikel 4 van Pro het EU Handvest – dat gelijkstaat aan artikel 3 van Pro het EVRM – hoog is. De drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. [5] Als een statushouder in de lidstaat waar hem asiel is verleend, geen sociale ondersteuning krijgt of alleen ondersteuning krijgt die duidelijk beperkter is dan die in andere lidstaten, maar hij wel hetzelfde wordt behandeld als de eigen inwoners van die lidstaat, leidt dat op zichzelf niet tot het oordeel dat zich een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest voordoet. [6]
4.4.
Niet in geschil is dat eiseres internationale bescherming geniet in Italië. De verblijfsvergunning die haar daar is verleend zou ook nog geldig zijn. Om die reden wordt eiseres geacht een band met Italië te hebben die het redelijk maakt om van haar te verlangen dat zij terugkeert naar Italië. [7] Verder heeft de Afdeling meermaals geoordeeld dat de situatie voor statushouders in Italië, hoewel moeilijk, in zijn algemeenheid niet in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. [8] De juridische positie van statushouders is gelijk aan die van Italiaanse staatsburgers. Daar staat tegenover dat statushouders in Italië na zes maanden geen recht meer hebben op opvang en andere ondersteuning in de eerste levensbehoeften en zij, afhankelijk van de regio, pas na jaren van verblijf in Italië in aanmerking komen voor sociale huisvesting, inkomensondersteuning en medische zorg gelet op de daarvoor vereiste verblijfsduur of inschrijving op een adres. Van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften waartegenover de Italiaanse overheid onverschillig zou staan, is volgens de Afdeling echter geen sprake.
4.5.
De rechtbank leidt uit de rechtspraak van de Afdeling af dat een belangrijke overweging hierbij is dat van de statushouder zelf kan worden verwacht dat hij zijn rechten effectueert. [9] Daarbij is dan wel van belang dat de betreffende statushouder ook feitelijk in staat is zijn rechten te effectueren, bijvoorbeeld door het feitelijk kunnen vinden van betaald werk om zelf in zijn onderhoud te voorzien. In beginsel mag daarvan worden uitgegaan, maar dit laat onverlet dat dit in concrete gevallen wel moet worden beoordeeld. Als een statushouder niet in staat is te werken en er ook geen andere vormen van inkomensondersteuning beschikbaar zijn, moet immers worden geoordeeld dat hij buiten zijn eigen wil en keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie.
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in dit geval onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiseres bij terugkeer naar Italië in staat zal zijn haar rechten te effectueren en dat zij niet een reëel risico loopt om buiten haar eigen wil en keuzes om terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. De minister kon gelet op de verklaringen die eiseres heeft afgelegd over haar eerdere eigen ervaringen in Italië en wat daarover uit algemene informatie blijkt, niet volstaan met de vrij algemene overwegingen dat eiseres als statushouder aanspraak kan maken op dezelfde rechten als Italianen, dat niet is gebleken dat zij zich (eventueel met hulp van de autoriteiten of andere instanties) niet staande kon en kan houden in Italië en daar in het levensonderhoud van haar en haar kinderen kon en zal kunnen voorzien en dat zij zich bij problemen kan wenden tot de Italiaanse autoriteiten of daartoe aangewezen instanties. Daarbij is relevant dat eiseres alleenstaand is en twee jonge kinderen heeft. De minister betwist ook niet dat eiseres in Italië geen familie of naasten heeft. Met betrekking tot de gestelde mogelijkheid om zelf in het levensonderhoud te voorzien heeft eiseres verklaard dat zij in Italië heeft gewerkt, maar werd ontslagen omdat zij haar oudste (en toen nog enige) kind meenam naar haar werk omdat zij geen opvang had. Zij heeft ook verklaard dat zij heeft geprobeerd nieuw werk te vinden, maar dat haar werd geadviseerd daarmee te wachten tot na haar zwangerschap. Dat eiseres is ontslagen en geen nieuw werk kon vinden omdat zij geen opvang voor haar kinderen had en ze haar kinderen ook niet mee kon nemen naar haar werk, is niet onaannemelijk en heeft de minister op zich ook niet betwist. De minister heeft niet toegelicht op welke wijze eiseres bij terugkeer naar Italië wél opvang voor haar kinderen zou kunnen krijgen of hoe ze dit probleem op een andere wijze zou kunnen oplossen. De enkele stelling dat niet zou zijn gebleken dat zij (eventueel met hulp van de autoriteiten of andere instanties) niet in haar levensonderhoud kan voorzien is in dit geval een onvoldoende motivering.
4.7.
Ook het standpunt van de minister dat eiseres zich voor financiële ondersteuning tot de Italiaanse autoriteiten had moeten wenden, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Eiseres heeft in haar gehoor namelijk verklaard dat zij wel assistentie heeft gevraagd maar dat ze niet voldeed aan de voorwaarden, waaronder de eis dat ze tien jaar een verblijfsvergunning moest hebben om voor een uitkering in aanmerking te komen. [10] Omdat het niet zinvol was, heeft zij zich niet tot de (hogere) autoriteiten of instanties gewend voor hulp of om zich daarover te beklagen. Deze verklaring van eiseres komt overeen met de beschikbare, en door de minister ook niet betwiste, algemene informatie. Uit het ‘Country Report: Italy’, updates over 2023 [11] en 2024 [12] van Asylum Information Database volgt namelijk dat houders van internationale bescherming het recht hebben gelijk te worden behandeld als Italiaanse onderdanen voor wat betreft gezondheidszorg en sociale zekerheid, maar dat voor het verkrijgen van inkomensondersteuning de voorwaarde geldt van verblijf in Italië van tien jaar, waarvan minimaal twee jaar aaneengesloten. Daarbij wordt opgemerkt dat dit in de praktijk tot problemen kan leiden voor houders van een internationale beschermingsstatus, vanwege de moeilijkheden om aan huisvesting te komen nadat zij het opvangsysteem moeten verlaten. In het licht van die algemene informatie valt niet in te zien waarom de minister aan eiseres tegenwerpt dat ze zich niet tot de (hogere) autoriteiten heeft gewend.
4.8.
Gelet op het voorgaande heeft de minister onvoldoende toegelicht dat het voor eiseres mogelijk was of zal zijn om haar rechten als statushouder in Italië te effectueren, met name op het gebied van werk en sociale (inkomens)voorzieningen. Uit de verklaringen van eiseres en de openbare informatie volgt verder dat statushouders zelf in hun huisvesting moeten voorzien. Bij gebrek aan werk of een sociale inkomensvoorziening is echter niet duidelijk hoe een statushouder die huisvesting zou moeten betalen. Onder deze omstandigheden moet de minister nader motiveren wat hij van eiseres verwacht en wat daarbij realistisch gezien mogelijk is voor wat betreft het kunnen effectueren van haar rechten als statushouder, zodat zij zichzelf daar als alleenstaande moeder staande kan houden en geen reëel risico loopt op een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest.
4.8.1.
De rechtbank geeft de minister in overweging om van de Italiaanse autoriteiten garanties te verkrijgen voor wat betreft sociale voorzieningen en huisvesting, zodat is gewaarborgd dat eiseres bij terugkeer naar Italië geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het EU Handvest.
4.8.2.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om op de overige beroepsgronden van eiseres in te gaan. Die kunnen het oordeel namelijk niet anders maken.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De minister heeft het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister moet met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiseres beslissen. De rechtbank geeft de minister hiervoor vier weken de tijd.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling aan eiseres van € 1.868 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL25.44248.
2.Dit staat in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
3.Zie onder andere ABRvS 18 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1971, overweging 3.2.
5.HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219 (Ibrahim).
6.ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1088 en ABRvS 15 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2384.
7.ABRvS 22 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:740 en ABRvS 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788.
8.Zie ABRvS 22 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4490, ABRvS 22 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:740 en ABRvS 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788.
9.Zie ook ABRvS 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1794, overwegingen 8.3 en 8.4, waarnaar wordt verwezen in de uitspraak van 24 juni 2022.
10.Rapport gehoor bescherming EU, EER of Zwitserland, pagina 10.
11.Van juli 2024, pagina’s 248 en 249.
12.Van juli 2025, pagina’s 285 en 286.