ECLI:NL:RBDHA:2026:9322
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens ontbreken bijkomende elementen van afhankelijkheid
Eiseres, een staatloze Palestijnse uit Syrië, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland bij haar vader, de referent, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen, waarna bezwaar en beroep volgden. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde eerdere uitspraken en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen met inachtneming van de hoorplicht.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit van 12 juli 2024, genomen door de minister van Asiel en Migratie, ondanks een formeel onbevoegd genomen besluit door de staatssecretaris, kan worden gehandhaafd omdat eiseres niet is benadeeld. De kern van het geschil betreft de vraag of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar vader, zoals vereist voor nareis op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet.
De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres niet voldoet aan deze eis. Er is geen bewijs van financiële, emotionele of zorgafhankelijkheid die de normale ouder-kindrelatie overstijgt. Ook de kwetsbare positie van alleenstaande vrouwen en Palestijnen in Syrië leidt niet tot een andere beoordeling. De rechtbank wijst het beroep af, veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten en bevestigt dat het besluit in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.