Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9643

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
11430265 EL EXPL 24-14
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995Art. 195 RvArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia door vergunningplichtige advisering effectenleaseovereenkomsten

In deze zaak staat centraal of Dexia aansprakelijk is voor de schade van [partij A] als gevolg van effectenleaseovereenkomsten die via een tussenpersoon zonder vergunning zijn gesloten. [partij A] heeft drie effectenleaseovereenkomsten afgesloten waarbij zij met geleend geld belegde, wat leidde tot verlies en restschuld. Dexia stelde dat de tussenpersoon mogelijk geen vergunningplichtige advisering had gegeven, maar de rechtbank oordeelde dat de tussenpersoon wel degelijk vergunningplichtig advies had verstrekt en Dexia hiervan op de hoogte had moeten zijn.

De rechtbank baseert zich op uitgebreide jurisprudentie, waaronder arresten van de Hoge Raad en gerechtshoven, en stelt vast dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomsten aan te gaan terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning persoonlijk advies gaf. De schade van [partij A] wordt volledig toegerekend aan Dexia, ondanks dat [partij A] ook omstandigheden had die tot schade bijdroegen.

Dexia's verzoek tot inzage van vertrouwelijke documenten van de gemachtigde van [partij A] wordt afgewezen vanwege het verschoningsrecht. De rechtbank veroordeelt Dexia tot betaling van € 18.124,96 plus wettelijke rente, het ongedaan maken van een eventuele H-codering bij het Bureau Kredietregistratie, en de proceskosten. De vorderingen van Dexia worden afgewezen.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding van € 18.124,96 aan [partij A] wegens onrechtmatig handelen door vergunningplichtige advisering via tussenpersoon zonder vergunning.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden
NAV/c
Zaak-/rolnr.: 11430265 EL EXPL 24-14
8 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[partij A] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
verweerster in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
eiseres in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.

1.De kern van de zaak

1.1.
[partij A] heeft via een tussenpersoon een drietal effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomsten hielden het volgende in.
[partij A] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen die aan het einde van de looptijd van de overeenkomsten eigendom zouden worden van [partij A] . [partij A] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moest [partij A] het geleende bedrag – voor zover mogelijk uit de verkoopopbrengst van haar aandelen – terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 november 2024, met een incidenteel verzoek;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens conclusie van antwoord
in conventie en van eis in reconventie, met een incidenteel verzoek,
- de incidentele conclusie van antwoord in vrijwaring tevens conclusie van repliek in
conventie en van antwoord in reconventie;
- het vonnis in het vrijwaringsincident van 18 juni 2025;
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
- de conclusie van dupliek in reconventie tevens akte uitlaten producties in conventie;
- de akte uitlaten producties in reconventie.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
[partij A] heeft de volgende effectenleaseovereenkomsten ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
[contractnummer 1]
16-01-2001
Capital Effect
240 mnd
€ 27.475,20
II.
[contractnummer 2]
16-01-2001
Capital Effect
240 mnd
€ 27.475,20
III.
[contractnummer 3]
16-01-2001
AEX Plus Effect
240 mnd
€ 27.228,00
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
I.
05-10-2006
- € 2.041,48
II.
05-10-2006
- € 2.103,53
III.
05-10-2006
- € 318,12
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [partij A] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 16.777,61 aan maandtermijnen en een bedrag van € 4.248,11 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [partij A] € 2.143,40 aan dividenden ontvangen en € 757,36 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4.
De gemachtigde van [partij A] , Leaseproces, heeft bij brief van 15 maart 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen onder meer op grond van onrechtmatige daad. Tevens is het recht voorbehouden ook nog andere gronden aan te voeren.
4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en de verzoeken in de incidenten in conventie en in reconventie
4.1.
[partij A] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
-
in het incident:
 Dexia zal veroordelen de aanvraagformulieren en haar versie van de ondertekende
overeenkomsten aan [partij A] te verstrekken,
-
in de hoofdzaak:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [partij A]
  • voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [partij A] van al datgene dat [partij A]
  • Dexia te veroordelen om te bewerkstelligen dat de mogelijke H-codering van [partij A]
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [partij A]
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert dan wel verzoekt, samengevat dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
-
in het incident:
 [partij A] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het
intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten, waar de door
Leaseproces namens [partij A] in deze procedure ingenomen feitelijke
stellingen aan zijn ontleend,
-
in de hoofdzaak:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia na betaling aan [partij A] van een bedrag
  • [partij A] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en de verzoeken in de incidenten
algemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [partij A] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[partij A] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
het incidentele verzoek van Dexia
5.4.
Dexia verzoekt op grond van artikel 195 Rv Pro dat [partij A] wordt veroordeeld
het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend. Omdat deze procedure al vóór 1 januari 2025 aanhangig was, is in dit geval artikel 843a Rv nog van toepassing. Een zogenoemde “exhibitievordering” komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende uit artikel 843a lid 1 Rv voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:
- degene die de vordering instelt, dient een rechtmatig belang te hebben,
- het moet gaan om bepaalde bescheiden,
- aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.
5.5.
Daargelaten de vraag of aan deze vereisten is voldaan, oordeelt de kantonrechter dat op grond van het derde en vierde lid van artikel 843a Rv geen inzage van het intakeformulier dan wel van andere schriftelijke documenten verlangd kan worden. In het derde lid van artikel 843a Rv is, kortgezegd, bepaald dat beoefenaren van vertrouwensberoepen ter zake van hetgeen hen in hun hoedanigheid is toevertrouwd niet gehouden zijn om aan de exhibitievordering te voldoen. In beginsel betreft dit alle met de beroepsbeoefenaar gewisselde stukken en is het aan de beroepsbeoefenaar om te bepalen of die informatie hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd. Er is dus bij hoge uitzondering ruimte om van de beroepsbeoefenaar te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Ook van [partij A] als cliënt van de beroepsbeoefenaar kan (ervan uitgaande dat [partij A] , althans haar gemachtigde, in het bezit is van het intakeformulier of vergelijkbaar ander document) geen inzage worden verlangd omdat gewichtige redenen als bedoeld in het vierde lid van artikel 843a Rv, zich daartegen verzetten.
5.6.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [partij A] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens, via een toegewezen exhibitievordering, bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de incidentele vordering van Dexia moet worden afgewezen.
5.7.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden begroot op € 87,00.
tussenpersoon
5.8.
[partij A] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [tussenpersoon] (hierna te noemen: de tussenpersoon). Dexia heeft in de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie opgemerkt dat een van de vennoten van de tussenpersoon dezelfde meisjesnaam draagt als [partij A] en de huisadressen van deze vennoot en [partij A] op steenworp afstand van elkaar liggen. Volgens Dexia kan dus ook sprake zijn van een vanuit de privé- of familiaire situatie gegeven advies, hetgeen niet vergunningsplichtig is. [partij A] heeft in de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie toegelicht dat het feit dat zij dezelfde meisjesnaam draagt als een van de vennoten van de tussenpersoon op toeval berust en zij deze persoon niet kent. [partij A] benadrukt dat de medewerkers van de tussenpersoon geen familie van haar zijn. Dexia heeft hierop niet meer gereageerd. De kantonrechter gaat daarom ervan uit dat de tussenpersoon in dit geval handelde in de uitoefening van beroep of bedrijf.
5.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [2] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.10.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [partij A] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.11.
[partij A] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“ [partij A] stuitte op een advertentie van de tussenpersoon over ‘breed beleggen’, waarop ze besloot een informatiepakket aan te vragen over dit product, ook wel het AEX Plus Effect. (…) [partij A] besloot naar aanleiding van het informatiepakket telefonisch contact op te nemen met de tussenpersoon voor advies. De medewerker van de tussenpersoon die zij aan de lijn kreeg, stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [partij A] door te nemen met een financieel adviseur van de tussenpersoon. [partij A] heeft hiermee ingestemd.
Tijdens het gesprek heeft de adviseur van de tussenpersoon geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [partij A] . Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen, het spaargeld en de gezinssituatie van [partij A] . Ook werd gesproken over een erfenis die [partij A] recent had ontvangen en de hoogte daarvan. Ook werd gesproken over de koopwoning van [partij A] . De adviseur vroeg naar de hypotheekakte en bankafschriften van de afgelopen periode. [partij A] heeft deze gegevens aan de adviseur verstrekt. De gehele financiële situatie is derhalve besproken. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [partij A] om meer financiële reserve op te bouwen voor later, bijvoorbeeld om haar woning te verbouwen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier geschikte producten voor wist.
De adviseur adviseerde [partij A] om twee Capital Effect producten en een AEX Plus Effect product met vooruitbetalingen van Bank Labouchere af te sluiten. De adviseur adviseerde om een deel van de verkregen erfenis aan te wenden voor de vooruitbetaling van de producten, namelijk ongeveer NLG 12.000,- per product, totaal ongeveer NLG 36.000,-. Volgens de adviseur zou [partij A] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [partij A] meer financiële zekerheid zou hebben in de toekomst en haar woning zou kunnen verbouwen. De adviseur gaf aan dat het zonde was om het bedrag op haar spaarrekening te laten staan, en [partij A] met deze drie producten een veel beter rendement zou behalen dan wanneer zij het geld op haar spaarrekening zou laten staan.
De adviseur heeft [partij A] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Het kon volgens de adviseur niet mis gaan. Als [partij A] op de risico’s gewezen was, had zij de twee Capital Effect producten en het AEX Plus Effect product nooit afgesloten.
[partij A] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiele producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [partij A] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de twee Capital Effect producten en het AEX Plus Effect product is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn ter ondertekening naar [partij A] verstuurd per post. (…)
[partij A] heeft een AEX Plus Effect afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 12.000,52 en twee Capital Effect producten met een vooruitbetaling van NLG 12.108,95 per product. [partij A] heeft conform het advies van de adviseur de erfenis aangewend om de drie vooruitbetalingen te voldoen, in totaal NLG 36.218,42.”
5.12.
[partij A] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 16 januari 2001 met contractnummer
[contractnummer 1] , voorzien van de tekst:
“Adviseur: [tussenpersoon];
- een kopie van de overeenkomst van 16 januari 2001 met contractnummer
[contractnummer 2] , voorzien van de tekst:
“Adviseur: [tussenpersoon];
- een kopie van de overeenkomst van 16 januari 2001 met contractnummer
[contractnummer 3] , voorzien van de tekst:
“Adviseur: [tussenpersoon];
- een brief van 13 december 2000, voorzien van het logo van de tussenpersoon,
betreffende de toezending van een informatiepakket, waarin te lezen is:
“Onlangsheeft u gereageerd op onze advertentie over “Breed Beleggen”. Zoals afgesproken,ontvangt u hierbij een vrijblijvend informatie-pakket over dit unieke product. Hetbijgaande informatie-pakket bestaat uit een brochure van Bank Labouchere, onze eigenbrochure en twee aanvraagformulieren”;
- drie brieven van 17 januari 2001 gericht aan [partij A] , voorzien van het logo
van de tussenpersoon, betreffende de toezending van de overeenkomsten;
- een kopie van een uittreksel van de KvK van de tussenpersoon met als beschrijving
van de werkzaamheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten
“het sluitenvan spaar- en levensverzekeringen”.
aanhoudingsverzoek
5.13.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven 's-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.14.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.15.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd, terwijl er juist door het feit dat er extreem veel tijd is verstreken tussen het afsluiten van de overeenkomsten en het moment dat [partij A] zich erop heeft beroepen dat zij is geadviseerd door de tussenpersoon, alle aanleiding is om behoedzaam met de verklaring van [partij A] om te gaan;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.16.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [partij A] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [3] [4] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft [partij A] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [partij A] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [partij A] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [partij A] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en de adviseur van de tussenpersoon en er voor haar geen aanleiding was eerder onderzoek te doen omdat [partij A] pas zeer laat een beroep heeft gedaan op advisering, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [partij A] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia5.17. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [partij A] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [partij A] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
aansprakelijkheid Dexia5.18. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [5] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [partij A]5.19. De door [partij A] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [partij A] niet alleen als klant aanbracht maar [partij A] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.20.
De als gevolg hiervan door [partij A] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [partij A] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). [partij A] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie de schade berekend op € 18.124,96. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.
5.21.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.22.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij A] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
BKR-registratie
5.23.
Dexia zal - voor het geval Dexia met betrekking tot [partij A] een H-codering aan het Bureau Kredietregistratie in Tiel heeft doorgegeven - worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie in Tiel te verzoeken die registratie ongedaan te maken. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,00.
de incidentele vordering van [partij A]
5.24.
vordert Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van de aanvraagformulieren en de bij Dexia in bezit zijnde ondertekende overeenkomsten. Uit het voorgaande volgt dat [partij A] in het gelijk zal worden gesteld. Zij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat de vordering zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
vorderingen Dexia
5.25.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.26.
Omdat [partij A] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [partij A] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten in conventie van [partij A] worden begroot op:
- dagvaarding € 135,97
- griffierecht € 87,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 942,97
5.27.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van [partij A]
6.1.
wijst de vordering af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in het incident van Dexia
6.3.
wijst de vordering af,
6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [partij A] niet alleen als klant aanbracht maar [partij A] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.6.
verklaart voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.7.
veroordeelt Dexia om binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan [partij A] te betalen een bedrag van € 18.124,96, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.20.,
6.8.
veroordeelt Dexia - voor het geval Dexia met betrekking tot [partij A] een H-codering aan het Bureau Kredietregistratie in Tiel heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie in Tiel te verzoeken die registratie ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,00.
6.9.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 942,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.10.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.11.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.12.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.13.
wijst de vorderingen af,
6.14.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [partij A] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Bellaart, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
3.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
4.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
5.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.