Eiser, eigenaar van een woning in de gemeente Duiven, betwistte de aanslagen afvalstoffenheffing over de jaren 2010 tot en met 2013 met het argument dat de opbrengstlimiet van artikel 15.33 Wet milieubeheer zou zijn overschreden. Hij stelde dat de werkelijk gemaakte kosten structureel lager waren dan de geraamde kosten en dat daardoor de verordeningen onverbindend zouden zijn. Daarnaast vorderde eiser een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de afhandeling van zijn beroepen.
De rechtbank oordeelde dat de ramingen van de lasten in de begrotingsjaren niet onredelijk waren, mede vanwege de onzekerheden bij prognoses van afvalstromen en het voorzichtigheidsbeginsel. De rechtbank verwierp ook het betoog dat de toevoeging van overschotten aan de algemene reserves in strijd zou zijn met het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Voorts werd geoordeeld dat onvoldoende is gebleken dat kostenposten zoals het Afvalbrengpunt en het percentage van 40% voor reiniging van het openbaar gebied niet als lasten ter zake kunnen worden aangemerkt.
Ten aanzien van de redelijke termijn stelde de rechtbank vast dat de behandeling van de beroepen meer dan twee jaar in beslag had genomen, maar verlengde zij de termijn gelet op bijzondere omstandigheden, zoals wettelijke bepalingen en instemming van eiser met aanhouding. Desondanks was sprake van een overschrijding van bijna een jaar, waarvoor een immateriële schadevergoeding van € 1.000 werd toegekend. Daarnaast werden proceskosten en griffierechten aan eiser vergoed.
De beroepen tegen de aanslagen werden ongegrond verklaard en de verordeningen bleven van kracht. De Staat werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.