Eiseres kreeg een boete van €24.000 opgelegd wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) door het laten verrichten van arbeid door Bulgaarse werknemers zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank oordeelt dat Nederland terecht gebruik heeft gemaakt van overgangsmaatregelen waardoor een vergunningplicht gold voor Bulgaren tot 1 januari 2014.
De overtreding is vastgesteld op basis van administratieve controles, loonstroken en urenregistraties, waarbij eiseres als werkgever is aangemerkt. Eiseres voerde aan dat de boete onterecht was wegens onder meer het ne bis in idem-beginsel, schending van het verdedigingsbeginsel, onjuiste beleidsregels en het niet tijdig ontvangen van het boeterapport.
De rechtbank verwierp deze bezwaren, maar stelde vast dat de procedure meer dan twee jaar heeft geduurd, waardoor de redelijke termijn is overschreden. Dit leidde tot een matiging van de boete met 25% en een verdere vermindering van 5% wegens termijnoverschrijding. De boete werd vastgesteld op €17.100. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de proceskosten werden deels aan verweerder opgelegd.