Eiseres, een stichting voor christelijk primair onderwijs, verricht naast niet-economische onderwijsactiviteiten ook economische activiteiten, waaronder het detacheren van onderwijspersoneel via haar dochtervennootschap [A] B.V. Deze vennootschap behaalde 27,2% van haar opbrengsten uit het ter beschikking stellen van personeel aan eiseres. Verweerder, de Belastingdienst, wees het verzoek tot vorming van een fiscale eenheid af wegens het ontbreken van economische verwevenheid.
De rechtbank stelde vast dat zowel eiseres als [A] ondernemers zijn voor de omzetbelasting en dat financiële en organisatorische verwevenheid aanwezig is. Het geschil betrof de economische verwevenheid. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad en concludeerde dat voldoende is dat niet-verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan, zonder dat een gemeenschappelijke klantenkring of hetzelfde economisch doel vereist is.
Omdat [A] een substantieel deel van haar opbrengsten behaalt uit diensten aan eiseres, is er sprake van dergelijke economische verwevenheid. Het maakt niet uit dat de prestaties van [A] worden geleverd aan het niet-economische deel van eiseres, aangezien de stichting als geheel ondernemer is. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de afwijzende beschikking en bepaalde dat met ingang van 1 januari 2013 een fiscale eenheid bestaat. Tevens werden de proceskosten en griffierechten aan eiseres toegewezen.