Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2022
[Eiser A] , uit [plaats B] , eiser
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
1 januari 2013 of in de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 juli 2015 en dat het al om die reden geen rechtgevende uitkering kan zijn. De Svb heeft in beroep alsnog de inkomens- en vermogenspositie van eiser bekeken en beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot het aannemen van een onevenredig zware last voor eiser. Daarvan is geen sprake. Volgens de Svb had eiser tijdens de periode van zijn AOW-gat van zestien maanden een inkomen ter hoogte van het sociaal minimum. Daarnaast beschikte hij over vermogen welk hij kon aanwenden ter overbrugging van het AOW-gat.
€ 900,- van de extra afgesloten hypotheek op om in zijn levensonderhoud te voorzien. Volgens eiser is het door de Svb genoemde spaargeld van € 30.000,- eveneens afkomstig van de extra hypotheek en is dat bedrag bedoeld voor de uitvaartkosten van eiser en zijn echtgenote. Verder stelt eiser dat de Svb ten onrechte ervan uitgaat dat hij bijstand van de gemeente heeft ontvangen. Volgens eiser betrof dit een uitkering op grond van de Tozo. [4] Het ontvangen bedrag heeft hij gebruikt om zijn leveranciers te betalen.
10 september 2019. Vanaf de datum van indiening van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak zijn 35 maanden verstreken. Dit betekent dat de in beginsel redelijk geachte termijn van twee jaar is overschreden met 11 maanden. De procedure in bezwaar heeft ruim drie maanden geduurd en de procedure in beroep 32 maanden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank is toe te rekenen.
26 augustus 2020 van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State [12] volgt dat zich omstandigheden kunnen voordoen die een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier niet voordoet. Er bestaat daarom geen aanleiding om de schadevergoeding te matigen. De door eiser geleden immateriële schade wordt daarom vastgesteld op een bedrag van € 1.000,- welk bedrag geheel ten laste van de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) komt.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen aan eiser van een bedrag aan schadevergoeding van € 1.000,-.