ECLI:NL:RBGEL:2025:10102

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
ARN 24/4798
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 2 ParticipatiewetArt. 53a ParticipatiewetArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging en intrekking bijstandsrecht wegens onvoldoende medewerking huisbezoek

Eiseres ontvangt sinds 2021 bijstand en werd op grond van een anonieme melding onderzocht vanwege vermoedens dat haar dochters bij haar zouden wonen zonder ingeschreven te staan. Het college constateerde afwijkingen in het waterverbruik en waarnemingen van een auto van een dochter nabij het uitkeringsadres. Tijdens een gesprek op 26 maart 2024 weigerde eiseres medewerking aan een aansluitend huisbezoek, wat het college als schending van de medewerkingsplicht beschouwde.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht het recht op bijstand per 26 maart 2024 heeft ingetrokken en per 15 april 2024 beëindigd. De medewerkingsplicht is gebaseerd op artikel 17 lid 2 van Pro de Participatiewet. Er was een redelijke grond voor het huisbezoek vanwege het waterverbruik en waarnemingen. Eiseres heeft geen zwaarwegend belang gesteld om het huisbezoek te weigeren en was voldoende geïnformeerd over de gevolgen van weigering.

De rechtbank concludeert dat het college het rechtmatig belang had om het huisbezoek direct na het gesprek uit te voeren en dat eiseres onvoldoende medewerking heeft verleend. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en mocht het college de bijstand intrekken, beëindigen en te veel betaalde bedragen terugvorderen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en beëindiging van het recht op bijstand en terugvordering is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/4798

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats 1], eiseres

(gemachtigde: mr. M.F. van den Brink),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college

(gemachtigden: F. de Gama en V.R.E. Gieling).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van het recht van eiseres op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) per 15 april 2024. Ook gaat het over de intrekking van de bijstand per 26 maart 2024 tot aan de datum van de beëindiging en de terugvordering van een bedrag van € 236,06 aan te veel ontvangen bijstand. Eiseres is het niet eens met deze beëindiging, intrekking en terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beëindiging en de intrekking van het recht op bijstand van eiseres en de terugvordering van de te veel ontvangen bijstand.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het recht op bijstand van eiseres per 15 april 2024 heeft mogen beëindigen en per 26 maart 2024 heeft mogen intrekken. Ook mocht het college het bedrag van € 236,06 aan te veel ontvangen bijstand terugvorderen. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen. Heeft het college het besluit gebaseerd op de juiste wettelijke grondslag? Heeft eiseres onvoldoende meegewerkt aan het huisbezoek? Was er een redelijke grond voor het huisbezoek? Is sprake van informed consent? Is eiseres voldoende geïnformeerd over de gevolgen van het weigeren van het huisbezoek? En kon het recht op bijstand van eiseres worden vastgesteld? Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het besluit van 15 april 2024 heeft het college besloten het recht op bijstand van eiseres per 15 april 2024 te beëindigen en per 26 maart 2024 in te trekken. Ook vordert het college een bedrag van € 236,06 aan te veel ontvangen bijstand van eiseres terug. Met het bestreden besluit van 27 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Eiseres heeft in beroep een verzoek ingediend voor vrijstelling van het betalen van griffierecht. De rechtbank heeft dit verzoek, bij brief van 31 juli 2024, voorlopig toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit verzoek alsnog af te wijzen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar dochter, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontvangt sinds 22 maart 2021 bijstand van het college naar de norm van een alleenstaande. Op 17 januari 2024 heeft het college een anonieme melding ontvangen. Daarin wordt aangegeven dat bij eiseres twee dochters ([dochter 1] en [dochter 2]) inwonen die niet ingeschreven staan. Beide dochters zijn jonger dan 27 jaar. Zij hebben allebei een baan en een auto. Eiseres heeft het goed en wordt door haar dochters financieel ondersteund. Ze willen in de toekomst een huis in Marokko gaan bouwen. Overdag werken de dochters van eiseres. Als zij thuis zijn, staan de auto’s ook in de buurt geparkeerd. Naar aanleiding van deze melding heeft het college een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verstrekte bijstand. Van dit onderzoek is verslag gedaan in de Rapportage Handhaving W&I van 28 maart 2024. Uit deze rapportage blijkt het volgende.
3.1.
Eiseres is sinds 12 december 2003 gescheiden van [persoon A]. Zij heeft zeven kinderen. Eiseres staat sinds 22 maart 2021 als enige persoon ingeschreven op het adres [locatie] in [plaats 1] (het uitkeringsadres). [dochter 1] en [dochter 2] staan samen ingeschreven op een adres in [plaats 2]. Op naam van [dochter 1] staat het kenteken van een witte Volkswagen Up geregistreerd en op naam van [dochter 2] het kenteken van een witte Fiat 500 en het kenteken van een zwarte Volkswagen Polo.
3.2.
Uit opgevraagde gegevens van de elektriciteits- en gasleverancier op het uitkeringsadres is gebleken dat het gasverbruik over 2022 658 m3 bedroeg. Dat komt overeen met het gasverbruik voor een flat. Het elektraverbruik op het uitkeringsadres bedroeg voor 2022 1.880 kWh. Dit komt overeen met het verbruik van één persoon. Uit opgevraagde gegevens van Vitens blijkt dat het jaarverbruik over de periode van 19 februari 2021 tot 2 maart 2022 op het uitkeringsadres 77 m3 bedroeg (komt overeen met een eenpersoonshuishouden). Van 2 maart 2022 tot 8 maart 2023 bedroeg het jaarverbruik 87 m3 (komt overeen met een tweepersoonshuishouden) en over de periode van 8 maart 2023 tot 15 maart 2024 bedroeg het jaarverbruik 92 m3 (komt overeen met een tweepersoonshuishouden).
3.3.
Gedurende de periode van 12 februari 2024 tot en met 16 februari 2024 zijn zes waarnemingen verricht op het uitkeringsadres. Deze waarnemingen werden verricht tussen 7:07 en 7:32 uur. Daaruit bleek het volgende: de witte Fiat 500 en de zwarte Volkswagen Polo werden beide nul keer aangetroffen. De witte Volkswagen Up (op naam van [dochter 1]) werd bij iedere waarneming aangetroffen. In de periode van 12 maart tot en met 26 maart 2024 zijn verspreid over elf dagen twaalf waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres op verschillende tijdstippen in de ochtend. Daarbij is zes keer de Volkswagen Up van [dochter 1] waargenomen tijdens vijf verschillende dagen.
3.4.
Bij brief van 19 maart 2024 is eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 26 maart 2024. Ook is zij bij deze brief verzocht om daarbij de bankafschriften van alle op haar naam staande bankrekeningen vanaf 1 januari 2024 tot en met 19 maart 2024 aan te leveren. Eiseres is op deze afspraak verschenen. De bankafschriften heeft zij daarbij niet overgelegd. Tijdens het gesprek heeft het eiseres – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende verklaard. Eiseres woont alleen op het uitkeringsadres. Haar dochters wonen samen in een huis in [plaats 3]. Zij werken allebei in de thuiszorg in [plaats 1]. Zij werken beiden verschillende diensten, ook nachtdiensten. [dochter 1] helpt eiseres met de boodschappen. Haar dochters helpen eiseres niet met het huishouden. Haar dochters komen drie keer per week bij eiseres thuis. Soms blijven zij bij eiseres slapen. Eiseres kan niet zeggen hoeveel dagen of weken haar dochters bij haar zijn. Haar dochter heeft werkkleding in de woning van eiseres liggen. Verder liggen er alleen spullen van eiseres zelf in haar huis. Nu, met de Ramadan, heeft eiseres vier keer met haar dochters samen gegeten. Wanneer het geen Ramadan is, eet zij soms samen met haar dochters. Haar dochters proberen zo veel mogelijk bij eiseres te zijn. Haar dochters hebben een sleutel van de woning van eiseres en zijn daar ook weleens als eiseres er niet is. Wanneer de dochters jarig zijn nodigen zij vrienden uit in de woning van eiseres. Eiseres gaat elke dag onder de douche, in de zomer twee keer per dag. Ze doucht vijftien tot twintig minuten. De wasmachine en vaatwasser draaien drie keer per week. Het toilet wordt acht tot tien keer per dag doorgetrokken. Eiseres maakt de tuin schoon met water. Haar dochters douchen ook als ze blijven slapen. Eiseres bidt vijf keer per dag en wast zich daarvoor. Zij probeert elke dag te koken. Het klopt niet dat de Volkswagen van [dochter 1] meermaals werd aangetroffen nabij de woning van eiseres. Alleen als zij moet werken, staat de auto daar geparkeerd. [dochter 1] zet haar auto daar expres neer, zodat zij niet hoeft te betalen in het centrum. [dochter 1] slaapt bij eiseres, niet elke nacht, als ze nachtdienst heeft. Ze slaapt in haar eigen huis ’s middags. [dochter 1] komt ook ’s morgens koffiedrinken na haar nachtdienst. Dat is om 8:00 uur tot 10:00 of 11:00 uur. Haar dochters wonen niet bij eiseres. Aan het eind van het gesprek is eiseres aangegeven dat de rapporteurs een huisbezoek af wilden leggen om de woon- en leefsituatie te controleren. Daarop heeft eiseres aangegeven dat het onzin is dat men een huisbezoek af wil leggen. Ze geeft geen toestemming om naar haar huis te komen. Zij voelt zich bedreigd. Eiseres wil eerst boodschappen doen en daarna kan het huisbezoek wel. Ze wil nu niet meewerken en gaat niets tekenen. De rapporteurs hebben eiseres daarop uitgelegd dat, nu zij geen medewerking heeft verleend aan het afleggen van het huisbezoek, het recht op bijstand mogelijk niet kan worden vastgesteld en dat dit recht mogelijk zal worden beëindigd. Daarna hebben de rapporteurs een waarneming verricht bij het uitkeringsadres. Daarbij is de Volkswagen van [dochter 1] geparkeerd waargenomen. Even later zagen zij eiseres te voet arriveren en haar woning binnengaan.
3.5.
In de middag van 26 maart 2024 heeft [dochter 2] telefonisch contact opgenomen met de rapporteur om aan te geven dat eiseres het gesprek niet had begrepen. Zij stelde daarom voor het gesprek opnieuw te voeren in haar aanwezigheid. Daarop is aangegeven door de rapporteur dat dat niet mogelijk is en dat eiseres wel degelijk het gesprek leek te begrijpen en dat dit ook meermaals bij haar is gecontroleerd.
3.6.
Uit hun onderzoeksbevindingen hebben de rapporteurs geconcludeerd dat niet kon worden vastgesteld hoeveel personen woonachtig zijn op het uitkeringsadres en dat het recht op bijstand vanaf 26 maart 2024 niet kan worden vastgesteld. Daarom moet het recht op bijstand van eiseres worden beëindigd. Vervolgens is het college overgegaan tot de bestreden besluitvorming.
Wat vindt het college?4. Het college heeft – samengevat – het volgende aan de intrekking en beëindiging van het recht op bijstand van eiseres en de terugvordering van de te veel betaalde bijstand ten grondslag gelegd. Volgens het college is de anonieme melding voldoende aanleiding voor een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Het college mag dit doen op grond van artikel 53a van de Pw.
Volgens het college was er wel een redelijke grond voor het huisbezoek. Uit het rapport van de medewerkers blijkt dat het waterverbruik over de periode van 2 maart 2022 tot 8 maart 2023 92 m3 is. Het waterverbruik over de periode van 8 maart 2023 tot 15 maart 2024 is 87 m3. Volgens het Nibud is het jaarverbruik van een tweepersoonshuishouden gemiddeld 95 m3. Eiseres zit met haar waterverbruik dichter bij het gemiddelde van een tweepersoonshuishouden dan van een eenpersoonshuishouden. Ook zijn er in de periode van 12 februari 2024 tot en met 16 februari 2024 en de periode van 12 maart 2024 tot en met 28 maart 2024 op verschillende dagen waarnemingen verricht bij de woning van eiseres. Bij elf van de zeventien waarnemingen is gezien dat de auto van de dochter van eiseres ([dochter 1]) nabij de woning van eiseres geparkeerd stond. De verklaring van eiseres komt niet overeen met het hoge waterverbruik. Bovendien heeft zij tijdens het gesprek aangegeven dat [dochter 1] om 8.00 uur langskomt. Volgens het waarnemingsjournaal stond de auto van [dochter 1] al ruim voor die tijd bij de woning van eiseres geparkeerd. Ook heeft eiseres tijdens het gesprek onvoldoende duidelijkheid gegeven over haar woon- en leefsituatie. Omdat er na het gesprek met eiseres nog geen helder beeld was over haar woon- en leefsituatie hebben de medewerkers aangegeven dat zij een huisbezoek op het uitkeringsadres wilden afleggen. Eiseres was niet bereid mee te werken aan het huisbezoek. Uit het gespreksverslag blijkt nadrukkelijk dat eiseres geen toestemming wilde verlenen, omdat zij eerst boodschappen wilde gaan doen. Ook blijkt uit dit verslag dat de medewerkers eiseres herhaaldelijk hebben meegedeeld dat het niet meewerken gevolgen kan hebben voor haar recht op bijstand. Desondanks heeft eiseres geweigerd daaraan mee te werken. Daarna is zij in de gelegenheid gesteld de verklaring door te lezen en te ondertekenen. Eiseres wilde daarvan geen gebruik maken.
In het gespreksverslag staat dat eiseres bevestigend heeft geantwoord op de vraag of zij de Nederlandse taal voldoende spreekt. Ook hebben de medewerkers te kennen gegeven dat eiseres het aan kan geven als zij iets niet begrijpt. Eiseres heeft tijdens het gesprek niet gezegd dat zij de gestelde vragen niet begreep. Bovendien waren het vrij eenvoudige en relevante vragen over haar woon- en leefsituatie. Uit het gespreksverslag blijkt ook dat eiseres pas aan het eind van het gesprek haar telefoon in haar hand hield en toen door de medewerkers verzocht werd deze weg te leggen. Uit navraag bij de medewerker blijkt dat eiseres op haar telefoon aan het typen was, nadat de medewerker kenbaar had gemaakt een huisbezoek te willen afleggen. Ook geeft de medewerker aan dat eiseres niet heeft aangegeven dat zij hulp nodig had en dat dit anders wel in het verslag zou zijn vermeld. Volgens het gespreksverslag hebben de medewerkers eiseres duidelijk uitgelegd waarom zij een huisbezoek wilden afleggen. Ook hebben zij haar verzocht mee te werken aan het huisbezoek en hebben zij uitgelegd wat het gevolg zou zijn van het niet direct meewerken aan het huisbezoek. Volgens het verslag heeft eiseres verklaard dat zij dit heeft begrepen. Verder heeft eiseres verklaard dat zij niet meewerkt, omdat zij eerst boodschappen wilde gaan doen. Uit het gespreksverslag blijkt ook dat eiseres zich wel realiseerde wat er van haar werd verwacht en er geen sprake is van miscommunicatie. Zij heeft er desondanks voor gekozen om niet aan het huisbezoek mee te werken. Voor het college is het belangrijk om onmiddellijk een huisbezoek af te leggen om een opgegeven woonsituatie te verifiëren, omdat anders de mogelijkheid bestaat dat in die woonsituatie tussentijds een wijziging wordt aangebracht. Dan is dit controlemiddel veel minder effectief. Als een belanghebbende een huisbezoek weigert, hoeft het college daarom geen tweede poging te doen om een huisbezoek af te leggen. De medewerkers hebben daarom terecht geweigerd in te gaan op het aanbod van eiseres in de middag een huisbezoek af te leggen. Dat eiseres eerst bij de opticien langs wilde, zoals in bezwaar wordt gesteld, is geen zeer dringende reden om onmiddellijke uitvoering van het huisbezoek te weigeren.
Gelet op de verklaring van eiseres over haar woonsituatie in samenhang met het hoge waterverbruik en de waarnemingen was er voldoende aanleiding een huisbezoek af te leggen. Doordat eiseres geweigerd heeft om medewerking te verlenen aan het huisbezoek, heeft zij de medewerkingsplicht geschonden. Hierdoor heeft het college het recht op bijstand niet kunnen vaststellen.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres is het niet eens met de intrekking, beëindiging en terugvordering en voert daartegen – samengevat – het volgende aan. Als grondslag voor de intrekking wordt schending van de medewerkingsverplichting genoemd. Dit betreft niet de juiste grondslag. Als dit inderdaad de grondslag betreft dan mist namelijk in dit geval de opschorting voorafgaand aan de intrekking.
Indien (al dan niet subsidiair) de grondslag van het bestreden besluit moet worden begrepen als schending van de inlichtingenverplichting, dan voert eiseres aan dat zij op het moment van ‘weigeren’ van het huisbezoek niets op te helderen had. Er was namelijk onvoldoende aanleiding voor twijfel aan haar woonsituatie op basis van de bewijsstukken in het dossier, terwijl de bewijslast daarvan bij het college ligt.
Er bestaat dus onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat eiseres onvoldoende heeft ‘meegewerkt’ tijdens het gesprek op 26 maart 2024 en dat zij een huisbezoek zou hebben geweigerd. Zij heeft gewoon niet goed begrepen wat precies de bedoeling was en dacht dat ze eerst nog wel naar de opticien kon. Dit had voorkomen kunnen worden door eiseres eerst te laten bellen met haar dochter en haar te laten vertalen, maar dit mocht niet van de betrokken medewerkers. Dat zij de stukken niet had meegenomen kan geen grond zijn voor intrekking, omdat die dezelfde dag alsnog zijn aangeboden, maar de ontvangst is geweigerd. Verder is het antwoord op de vraag of zij het Nederlands voldoende beheerst om het gesprek te voeren niet zaligmakend in die zin dat iemand best wat Nederlands kan verstaan, maar mogelijk niet alles. De medewerkers hadden daar alert op moeten zijn.
Volgens het bestreden besluit is het waterverbruik relevant geweest voor twijfel aan de woonsituatie, maar eiseres stelt daartegenover dat dit duidt op een huishouden van één à twee personen, dus niet overduidelijk twee of meer. Bovendien laat het college haar stroom- en gasverbruik buiten beschouwing, terwijl dit verbruik juist duidt op bewoning van één persoon (of zelfs minder dan dat). Voor uitleg over de waarnemingen van de auto van [dochter 1] verwijst eiseres naar het aanvullend bezwaarschrift. Ten slotte voert zij in dit verband aan dat een anonieme tip als bewijswaarde nihil is. Voor het huisbezoek bestond dus geen redelijke grond. Dit alles levert een onrechtmatigheid op, omdat de feitelijke grondslag voor intrekking te beperkt is. Bovendien was geen sprake van informed consent als bedoeld in de vaste rechtspraak daarover. Naast het gebrek in de feitelijke grondslag, levert dit ook een zorgvuldigheidsgebrek op.
Wat vindt de rechtbank?
Toetsingskader
5. De rechtbank stelt voorop dat het besluit tot intrekking van bijstand een voor een belanghebbende belastend besluit is. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandsverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandsverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat in de situatie van eiseres haar recht op bijstand bij besluit van 15 april 2024 met ingang van 26 maart 2024 is ingetrokken en dat het college de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. [1] De te beoordelen periode moet daarom worden bepaald op de periode van 26 maart 2024 tot 15 april 2024.
Heeft het college het besluit gebaseerd op de juist grondslag?
6. In het bestreden besluit geeft het college aan dat dit besluit onder meer is genomen op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw.
6.1.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien hij deze medewerkingsverplichting in onvoldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken. [2] Van beëindiging van bijstand is sprake, wanneer aan een besluit tot toekenning van (periodieke) bijstand de juridische werking wordt ontnomen met ingang van een dag die is gelegen op of na de datum van het primaire (beëindigings)besluit. Het recht op bijstand kan worden ingetrokken vanaf de schending van de medewerkingsverplichting. [3]
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht aan de beëindiging en de intrekking van het recht op bijstand van eiseres per 26 maart 2024 het schenden van de medewerkingsverplichting en niet het schenden van de inlichtingenverplichting ten grondslag heeft gelegd. Het verlenen van medewerking aan een huisbezoek ziet namelijk op de medewerkingsverplichting en niet op de inlichtingenverplichting. Zoals de rechtbank in 6.1 heeft overwogen kan, indien een betrokkene de medewerkingsverplichting in onvoldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken. Opschorting van de bijstand voorafgaande aan de intrekking of beëindiging daarvan is niet vereist.
Heeft eiseres onvoldoende meegewerkt aan het huisbezoek?
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende medewerking verleend aan het huisbezoek dat de rapporteurs van het college aansluitend aan het gesprek op 26 maart 2024 wilden afleggen op het uitkeringsadres. Uit het verslag van dit gesprek blijkt dat namelijk dat eiseres niet akkoord was dat aansluitend aan het gesprek een huisbezoek plaats zou vinden.
7.1.
De CRvB heeft in vaste rechtspraak geoordeeld dat onder bepaalde omstandigheden het weigeren van de medewerking aan een huisbezoek de betrokkene niet kan worden tegengeworpen. Maar in het algemeen komt groot gewicht toe aan het belang van een bijstandsverlenende instantie om – zo nodig – onmiddellijk een huisbezoek af te leggen om een door de betrokkene opgegeven woonsituatie te verifiëren. De reden daarvan is dat de mogelijkheid bestaat dat in die woonsituatie voor het huisbezoek een wijziging wordt aangebracht, waardoor dit controlemiddel veel minder effectief is. De bijstandsverlenende instantie mag daarom van de betrokkene verlangen dat hij medewerking verleent aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek. Toch kan mogelijk het weigeren van de medewerking de betrokkene niet worden tegengeworpen als de betrokkene een zwaarwegend belang heeft dat de weigering rechtvaardigt. [4]
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres een dergelijk zwaarwegend belang om geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek direct aansluitend aan het gesprek op 26 maart 2024 niet aannemelijk gemaakt. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling dat zij eerst boodschappen wilde doen of naar een afspraak met de opticien wilde gaan en dat zij zich onvoldoende geïnformeerd voelde is daarvoor, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende. [5] Het college heeft terecht gewezen op het belang om onmiddellijk na het gesprek een huisbezoek af te leggen om de opgegeven woonsituatie te verifiëren. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de medewerkingsverplichting heeft geschonden.
Was er een redelijke grond voor het huisbezoek?
8. Aan het niet meewerken aan een huisbezoek kunnen pas gevolgen worden verbonden – in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand – als voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Dit is vaste rechtspraak van de CRvB. [6]
8.1.
Een redelijke grond voor een huisbezoek bestaat als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dat redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand én duidelijk is op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden daaraan kan worden getwijfeld. Ook moeten deze gegevens niet op een andere effectieve en voor de betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank was er een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek door het college op het uitkeringsadres. Tijdens het onderzoek is door de medewerkers van het college vastgesteld dat het waterverbruik op het uitkeringsadres vanaf in ieder geval 2 maart 2022 veel hoger lag dan het gemiddelde verbruik van een alleenstaande. Weliswaar is, zoals eiseres in beroep heeft gesteld, het correct dat de cijfers van het gas- en elektraverbruik overeenkomen met het verbruik van een alleenstaande. De rechtbank merkt bij die cijfers echter op dat, in tegenstelling tot de gegevens over het waterverbruik, het niet gaat om recente gegevens, maar om gegevens van 2022. Die gegevens liggen dus ruim voor de beoordelingsperiode. Daardoor kan aan deze gegevens niet de waarde worden toegekend die eiseres daaraan toegekend wenst te zien. Verder acht de rechtbank van belang dat er door de medewerkers van het college gedurende twee perioden in totaal zeventien waarnemingen zijn verricht bij het uitkeringsadres en dat bij elf van deze waarnemingen de witte Volkswagen Up (op naam van [dochter 1]) is aangetroffen nabij dit adres. Ook heeft eiseres tijdens het gesprek op 26 maart 2024 vage verklaringen afgelegd over hoe vaak en wanneer haar dochters bij haar zijn en welke spullen van hen in haar huis aanwezig zijn.
8.3.
Op grond hiervan kon het college redelijkerwijs twijfelen aan de juistheid van de opgegeven woonsituatie op het uitkeringsadres. De door eiseres verstrekte informatie over haar woonsituatie kon niet op een andere voor haar minder belastende wijze worden geverifieerd. [7] Het college heeft daarom van eiseres mogen verlangen dat zij medewerking zou verlenen aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek.
Is sprake van informed consent?
9. De beroepsgrond van eiseres dat niet aan het vereiste van ‘informed consent’ is voldaan, omdat zij onvoldoende begreep waarom het huisbezoek nodig was en er sprake was van miscommunicatie, slaagt niet.
9.1.
Eiseres heeft reeds tijdens het gesprek op 26 maart 2024 aangegeven geen toestemming te verlenen voor het afleggen van een huisbezoek direct aansluitend aan dat gesprek. De medewerkers van het college zijn daarom in het geheel niet binnengetreden in de woning van eiseres. Van schending van het huisrecht zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM kan daarom geen sprake zijn. Het vereiste van ‘informed consent’ dient enkel om dat huisrecht te beschermen. De vraag of eiseres wel of niet een geldige toestemming, namelijk ‘informed consent’, heeft gegeven voor het huisbezoek heeft in dit geval dus geen betekenis. [8]
Is eiseres voldoende geïnformeerd over de gevolgen weigeren huisbezoek?
10. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiseres dat geen sprake is van informed consent zo, dat zij erop doelt dat zij er onvoldoende op is gewezen dat het niet meewerken aan huisbezoek gevolgen zou kunnen hebben voor haar recht op bijstand. Deze beroepsgrond slaagt niet.
10.1.
Wat de rechtbank onder 9.1 heeft overwogen laat onverlet dat de bijstandverlenende instantie bij het verzoek om toestemming voor het huisbezoek een informatieplicht heeft. De zwaarte van het onderzoeksmiddel en de ingrijpendheid van het huisbezoek voor de betrokkene brengen mee dat van de bijstandverlenende instantie grote zorgvuldigheid mag worden verwacht bij het uitvoeren van het huisbezoek en het tegenwerpen van niet (willen) meewerken aan de betrokkene. Dit is vaste rechtspraak. [9] Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt met zich mee dat een betrokkene zoveel als mogelijk en nodig moet worden gewezen op de nadelige gevolgen van het weigeren van toestemming voor het huisbezoek. Bij het ontbreken van adequate informatie over de gevolgen van een weigering kan de betrokkene geen goede afweging maken over het al dan niet verlenen van toestemming voor het huisbezoek.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de medewerkers van het college eiseres tijdens het gesprek voldoende hebben uitgelegd dat zij een huisbezoek af wilden leggen op het uitkeringsadres om te controleren of eiseres correct heeft verklaard over haar woon- en leefsituatie. Ook hebben zij eiseres meerdere malen erop gewezen dat het niet verlenen van medewerking aan dit huisbezoek consequenties kan hebben voor haar recht op bijstand. Ook hebben de medewerkers van het college eiseres meermalen gevraagd om deze medewerking te verlenen.
10.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet het eiseres, gelet op het voorgaande, tijdens het gesprek op 26 maart 2024 redelijkerwijs duidelijk zijn geweest wat de aanleiding en het doel van het af te leggen huisbezoek was en wat de gevolgen zouden kunnen zijn het niet verlenen van medewerking daaraan. Uit het verslag van het gesprek blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat eiseres de strekking van de vragen van de medewerkers van het college tijdens het gesprek op 26 maart 2024 niet begreep. Ook heeft eiseres tijdens dit gesprek niet aangegeven dat zij de gestelde vragen niet begreep. Dat sprake was van miscommunicatie is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gebleken.
Kon het recht op bijstand van eiseres worden vastgesteld?
11. Zoals volgt uit het voorgaande heeft eiseres door haar handelen het college de mogelijkheid ontnomen om vast te stellen wat de woon- en leefsituatie op het uitkeringsadres was. Omdat de woonsituatie van eiseres niet kon worden vastgesteld, kon ook het recht op bijstand tijdens de beoordelingsperiode niet worden vastgesteld. Daarom heeft het college het recht op bijstand van eiseres per 26 maart 2024 mogen intrekken en per 15 april 2024 mogen beëindigen. Ook heeft het college de te veel betaalde bijstand mogen terugvorderen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraken van 2 december 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AO1106), 19 mei 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI6848) en 21 december 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:3239).
2.Bijvoorbeeld de uitspraak van CRvB 25 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:523.
3.CRvB 10 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:38.
4.Bijvoorbeeld de uitspraken van 13 april 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:938) en 18 juni 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1255).
5.Vgl. CRvB 18 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1255.
6.Bijvoorbeeld de uitspraken van 11 april 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436), 19 maart 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:531) en 25 maart 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:523).
7.Vgl. CRvB 25 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:523.
8.CRvB 18 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1255.
9.CRvB 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3095.