ECLI:NL:RBGEL:2025:10888

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
AWB 23_4531
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20b Wet VpbArt. 16 AWRArt. 47 AWRArt. 55 AWRArt. 67e AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt Nederlandse vestigingsplaats en vernietigt boetes en verliesherzieningsbeschikking

De rechtbank Gelderland heeft op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een meervoudige belastingzaak betreffende navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting en boetes opgelegd aan een Curaçaose vennootschap. De inspecteur stelde dat de werkelijke leiding van de vennootschap in Nederland was gevestigd, waardoor navordering en boetes terecht waren opgelegd.

De rechtbank bevestigde dat de werkelijke leiding van belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2017 in Nederland was uitgeoefend, mede op basis van e-mails, presentaties en andere documenten die de betrokkenheid van de Nederlandse aandeelhouder en adviseurs aantoonden. De navorderingsaanslagen werden daarom in stand gelaten. De boetes werden echter vernietigd omdat belanghebbende een pleitbaar standpunt had en geen opzet of grove schuld kon worden verweten.

Daarnaast vernietigde de rechtbank de verliesherzieningsbeschikking 2018 omdat geen nieuw feit was vastgesteld en de inspecteur reeds beschikte over de benodigde gegevens. De rechtbank wees ook de bezwaren tegen de belastingrente af en kende belanghebbende een proceskostenvergoeding toe. De uitspraak bevat uitgebreide motivering over de toepasselijkheid van de navorderingstermijn, het bewijsvermoeden omtrent de werkelijke leiding en de zorgvuldigheid van de inspecteur.

Uitkomst: De rechtbank handhaaft de navorderingsaanslagen, vernietigt de boetes en de verliesherzieningsbeschikking en kent proceskostenvergoeding toe.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/4531, 23/4534, 23/4536, 23/4540, 23/4551 en 24/5771

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 12 december 2025

in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor [plaats 3] , de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 juni 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2017 de volgende (navorderings)aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb), beschikkingen belastingrente en boetebeschikkingen opgelegd:
Zaaknr.
Soort
Tijdvak
Belastbare winst
Belastbare bedrag
Belasting
Belastingrente
Boete
23/4531
Navorderingsaanslag
2013
€ 97.773
€ 97.773
€ 19.554
€ 10.206
€ 9.777
23/4534
Navorderingsaanslag
2014
€ 33.685
€ 33.685
€ 6.737
€ 2.978
€ 3.368
23/4536
Navorderingsaanslag
2015
€ 110.884
€ 110.884
€ 22.176
€ 7.246
€ 11.088
23/4540
Aanslag
2016
€ 142.148
€ 142.148
€ 28.429
€ 5.925
€ -
23/4551
Aanslag
2017
€ 161.231
€ 161.231
€ 27.207
€ -
€ -
Voor het jaar 2018 heeft de inspecteur een verliesherzieningsbeschikking in de zin van artikel 20b, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) vastgesteld, waarbij het oorspronkelijke verlies van € 204.638 is gewijzigd naar € 36.847 (zaak 24/5771).
Belanghebbende heeft tegen de hiervoor vermelde (navorderings)aanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de bezwaren met betrekking tot de jaren 2013, 2014, 2015 en 2018 ongegrond verklaard. De bezwaren met betrekking tot de jaren 2016 en 2017 heeft de inspecteur gegrond verklaard (zie hierna onder punt 38.).
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift en de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd. De inspecteur heeft daarbij voor een aantal stukken een verzoek gedaan tot geheimhouding dan wel beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij beslissing van 3 april 2025 heeft de geheimhoudingskamer het verzoek toegewezen, behoudens enkele in punt 7. van die beslissing vermelde e-mails. Bij brief van 18 april 2025 heeft de inspecteur de desbetreffende e-mails ongeschoond overgelegd.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 september 2025 op zitting behandeld. Namens belanghebbenden zijn verschenen de gemachtigden. Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] , [persoon F] , [persoon G] en
[persoon H] .
De zaken van belanghebbende zijn gelijktijdig behandeld met de zaken van [naam bedrijf 1] [1] , [naam bedrijf 2] [2] en [naam bedrijf 3] [3]

Feiten

1. [persoon I] (de Aandeelhouder) woont in Nederland.
2. De Aandeelhouder is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 4] , [naam bedrijf 3] en van [naam bedrijf 5] . [naam bedrijf 5] is opgericht naar Nederlands recht en in Nederland gevestigd. [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 3] zijn opgericht naar het recht van Curaçao en statutair gevestigd op Curaçao.
3. [naam bedrijf 4] is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 1] ), die op haar beurt enig aandeelhouder is van belanghebbende. [naam bedrijf 1] en belanghebbende zijn opgericht naar het recht van Curaçao en statutair gevestigd op Curaçao. [naam bedrijf 6] ( [naam bedrijf 6] ) is de formele bestuurder van [naam bedrijf 4] , [naam bedrijf 1] en belanghebbende. [naam bedrijf 6] is gevestigd op Curaçao.
4. [naam bedrijf 3] was enig aandeelhouder van [naam bedrijf 7] , die op haar beurt enig aandeelhouder was van [naam bedrijf 2] [naam bedrijf 7] en [naam bedrijf 2] waren opgericht naar het recht van Curaçao en statutair gevestigd op Curaçao en zijn per 21 augustus 2015 geliquideerd. Als vereffenaar is [naam bedrijf 8] in het handelsregister van Curaçao vermeld. Voor vereffening was [naam bedrijf 6] de formele bestuurder van [naam bedrijf 7] en [naam bedrijf 2] Vanaf 10 september 2016 is [naam bedrijf 3] ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, is als bezoekadres het adres van de Aandeelhouder vermeld en is de Aandeelhouder vanaf 1 september 2016 als bestuurder opgenomen. Voor 1 september 2016 was [naam bedrijf 6] de formele bestuurder van [naam bedrijf 3]
5. [naam bedrijf 9] is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 10] heeft vanaf februari 2014 100% van de stemrechtloze aandelen in de Nederlandse vennootschap [naam bedrijf 11] .
6. Het belang in [naam bedrijf 9] is gesplitst in een belang van 99,9% en 0,1%. Tot september 2015 lag het 0,1% belang bij de Aandeelhouder. Vanaf september 2015 ligt het 0,1% belang bij [naam bedrijf 5] . Van 2010 tot december 2011 en vanaf september 2015 lag het 99,9% belang bij [naam bedrijf 3] Vanaf december 2011 tot september 2015 lag het 99,9% belang bij [naam bedrijf 7]
7. Vanaf 1 januari 2019 zijn alle overgebleven vennootschappen in Nederland gevestigd.
8. In het dossier bevinden zich diverse management agreements, principal-party-agreements en service agreements die zijn gesloten tussen [naam bedrijf 6] en de vennootschappen. [naam bedrijf 6] heeft deze overeenkomsten ondertekend voor zichzelf en namens de desbetreffende vennootschap. Overeenkomsten met belanghebbende en [naam bedrijf 1] bevinden zich niet in het dossier. In het dossier bevinden zich facturen die [naam bedrijf 6] heeft uitgereikt voor de dienstverlening aan de vennootschappen. Er bevinden zich in het dossier echter geen facturen die zijn uitgereikt aan belanghebbende en [naam bedrijf 2]
Adviseurs
9. [naam bedrijf 6] heeft met [naam bedrijf 12] overeenkomsten gesloten voor fiscale dienstverlening ten behoeve van [naam bedrijf 4] , [naam bedrijf 3] en hun dochtervennootschappen. De fiscale dienstverlening betreft advies- en compliance (aangifte) werkzaamheden.
10. [persoon J] (de beleggingsadviseur) is beleggingsadviseur. Hij heeft voor zijn dienstverlening facturen uitgereikt aan [naam bedrijf 2] (vanaf maart 2014 tot eind 2015), [naam bedrijf 3] (2016 en 2017), [naam bedrijf 1] en belanghebbende (vanaf het vierde kwartaal 2016 tot en met 2017), en [naam bedrijf 10] (vanaf 2012 tot en met het eerste kwartaal 2018).
11. [naam bedrijf 13] (het accountantskantoor) heeft dienstverleningsovereenkomsten gesloten voor onder meer fiscale dienstverlening met [naam bedrijf 9] , [naam bedrijf 10] en [naam bedrijf 5] . De contactpersoon voor de fiscale dienstverlening is [persoon K] (de fiscaal adviseur). Het accountantskantoor verzorgde onder meer de aangiften vennootschapsbelasting van de Nederlandse vennootschappen, alsmede de aangiften inkomstenbelasting van de Aandeelhouder en zijn partner.
12. [naam bedrijf 14] (het belastingadvieskantoor) heeft dienstverleningsovereenkomsten gesloten met [naam bedrijf 10] , [naam bedrijf 5] ., [naam bedrijf 9] , [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 2] voor het verrichten van fiscale werkzaamheden.
Activiteiten ten aanzien van belanghebbende
Lening voor aankoop woning
13. In een e-mail van 17 oktober 2012 om 13:10 heeft een medewerker van het belastingadvieskantoor een presentatie gestuurd naar een collega. De presentatie met datum 19 oktober 2012 omvat 18 sheets en gaat over de huidige structuur en de beschrijving van drie scenario’s die met name zien op de vraag welke gevolgen zijn verbonden aan het wel of niet emigreren van de Aandeelhouder. Op de voorlaatste sheet zijn enkele openstaande punten vermeld, waaronder de vermeldingen ‘Lening in verband met aankoop woning [plaats 3] ’, ‘Voorstel verzoek [naam bedrijf 1] om lening’ en ‘Aankoop huis bij dochter?’.
14. Op een specificatie bij een factuur van het belastingadvieskantoor van 15 november 2012 is als werkzaamheid een bespreking op 19 oktober 2012 met de Aandeelhouder vermeld.
15. In een e-mail van 7 januari 2013 om 15:08 van de notaris aan de Aandeelhouder, met het belastingadvieskantoor in de cc, heeft de notaris een volmacht ter ondertekening, de nota van afrekening en de (concept) akte van levering van het huis voor de dochter van de Aandeelhouder toegezonden.
16. In een e-mail van 7 januari 2013 om 15:28 van het belastingadvieskantoor aan [naam bedrijf 6] is de nota van afrekening en de akte van levering (van het huis) aan [naam bedrijf 6] toegezonden met de vermelding: zoals net besproken.
17. In een e-mail van 7 januari 2013 van 15:50 van [naam bedrijf 6] aan de Aandeelhouder, met het belastingadvieskantoor in de cc, is het volgende vermeld:
“(…) Zoals bekend is [naam bedrijf 1] economisch eigenaar van een deel van het saldo bij Rabobank rekening ([rekeningnummer]) te naam van [naam bedrijf 10] . [naam bedrijf 1] heeft dit economisch eigendom op haar beurt per 31 december overgedragen aan [belanghebbende] .
Namens [belanghebbende] bevestigen wij hierbij dat wij akkoord zijn met een overmaking vanaf de rekening bij Rabobank tnv [naam bedrijf 10] voor een bedrag van Euro 858,633.01 conform bijgaande nota naar het rekeningnummer van [notaris] in [plaats 2] .
In een separate mail zullen wij de voorwaarden voor de lening vastleggen.
Graag ontvangen wij bevestiging van de overboeking voor onze dossiers. (…)”
18. In de separate e-mail van [naam bedrijf 6] aan de Aandeelhouder, met het belastingadvieskantoor in de cc, is het volgende vermeld:
“(…) Conform de mail van zoeven inzake de overboeking ad. Euro 858,633.01 vanuit [naam bedrijf 10] naar [notaris] doen wij je hierbij de voorwaarden voor de lening vanuit [belanghebbende] aan jezelf in prive toekomen.
- Leningsperiode 10 jaar, dus terug te betalen 7 januari 2023
- Rente 12 maands eurobor plus een opslag van 1.1%
Graag ontvangen wij zsm van jou of via je adviseur
- De woz waarde
- Taxatierapport van de woning
We zullen met [medewerker van het belastingadvieskantoor] ook nog overleggen inzake hypothecaire zekerheid.(…)”
19. [naam bedrijf 6] en de Aandeelhouder hebben de overeenkomst van geldlening ondertekend zonder vermelding van de datum.
20. Op 8 januari 2013 is de woning gelegen aan [locatie] in [plaats 3] overgedragen aan de Aandeelhouder.
Herstructurering 2014/2015
21. Het belastingadvieskantoor heeft in 2014 en 2015 geadviseerd over de herstructurering van de vennootschappelijke structuur met als uiteindelijk doel om [naam bedrijf 3] naar Nederland over te brengen en haar dochtervennootschappen te liquideren. In dat kader zouden onderlinge schuldvorderingen worden vereenvoudigd. In een e-mail van het belastingadvieskantoor aan de fiscaal adviseur van 19 september 2014 is een presentatie over de herstructurering opgenomen. In die presentatie is een voorgestelde verdeling van het vermogen opgenomen, waarbij overigens twee alternatieven voor herstructurering zijn opgenomen.
22. De Aandeelhouder schrijft aan de fiscaal adviseur in de e-mail van 1 oktober 2014:
“(…) inderdaad staat de financiering [naam bedrijf 15] mogelijk voor de deur maar is niet zeker, dan zou ik eventueel een huis in St Tropez willen kopen (14 mio) kan dit ev ook geleend worden van de vennootschap in de antillen tegen 3% ofzo we hoeven daar geen vpb te betalen over deze rente inkomsten? we moeten inderdaad even kijken hoeveel cash er nog is om van te leven, ik heb het laatste jaar veel uitgegeven. (…)”
23. De fiscaal adviseur heeft die e-mail op 2 oktober 2014 doorgestuurd naar het belastingadvieskantoor met de vermelding dat het moeilijk is voor de Aandeelhouder een beslissing te nemen.
24. In een e-mail van 24 oktober 2014 heeft de fiscaal adviseur aan de beleggingsadviseur en de Aandeelhouder een overzicht gestuurd van de bezittingen van de Aandeelhouder in privé en vennootschappen, waaronder de Nederlandse vennootschappen en de ‘vennootschappen op de Antillen’. In de e-mail schrijft de fiscaal adviseur onder meer:
“(…) Op dit moment ligt er een mandaat van ca 27 mio om te beleggen op de Antillen, ik zou dit willen handhaven en eventueel kan het vermogen op de antillen worden verhoogd naar ca 35 mio. Het is van belang om hierover een beslissing te nemen om de reorganisatie van de structuur voor 1-1 aanstaande door te voeren. (…)”
25. In een presentatie van 2 december 2015 met als titel ‘Stappenplan. Herstructurering [naam bedrijf 9] / [naam bedrijf 2] 2015’ is een stappenplan opgenomen. In het stappenplan zijn activiteiten vermeld die zijn genummerd en waarbij is vermeld wie daarvoor verantwoordelijk is, op welk moment de activiteit gereed moet zijn en de status van de activiteit. In het stappenplan is in onderdeel 21b) vermeld:
“(…) Afstemming over te dragen bezittingen [naam bedrijf 3] aan de [naam bedrijf 9] tak
(…)
- Over te dragen bezittingen nader te bepalen om tot 35 mio te komen:
o Account [naam bank 1] (deel wordt mogelijk omgezet) laagrenderend vermogen in de [belanghebbende] (…)”
Activiteit 21b) is in het stappenplan van december 2015 nog niet als gereed aangemerkt.
Jaarrekeningen belanghebbende
26. Volgens de jaarrekeningen en tussentijdse rapportages van belanghebbende bestaan de activa van belanghebbende in de jaren 2013-2015 nagenoeg geheel uit leningen aan de Aandeelhouder, een lopende rekening op [naam bedrijf 3] en rekening-courantverhoudingen met [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 3] De inkomsten van belanghebbende bestaan voornamelijk uit de rente-inkomsten op de leningen. De rente is nagenoeg geheel als afzonderlijke lening geboekt of bij de leningen bijgeboekt.
27. In een tussentijdse rapportage van 30 september 2017 is bij de balansdatum 31-12-2016 en datum 30-09-2017 een portfolio opgenomen van € 3.784.967 (2016) en € 3.525.056 (2017). Hierbij is vermeld dat het gaat om een ‘security portfolio’ aangehouden bij [naam bank 1] .
Vestigingsplaatsonderzoek
28. Bij brief van 19 juli 2017 heeft de inspecteur op grond van artikel 47 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de Aandeelhouder verzocht voor de jaren 2010 tot en met 2015 de gehele administratie ter beschikking te stellen, inclusief de originele digitale bestanden (auditfiles), waaronder het e- mailverkeer en de primaire tijdschrijfbestanden van het bestuur van [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 7] , [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4]
29. Bij brieven van 4 oktober 2017 heeft de inspecteur een vestigingsplaatsonderzoek aangekondigd bij [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 7] , [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4]
30. In het kader van het vestigingsplaatsonderzoek heeft de inspecteur informatie opgevraagd en ontvangen van (vertegenwoordigers van) de vennootschappen en heeft hij derdenonderzoeken ingesteld bij het belastingadvieskantoor, het accountantskantoor en de beleggingsadviseur.
31. Van het vestigingsplaatsonderzoek is in oktober 2019 een rapport opgemaakt (het rapport). Het rapport heeft betrekking op [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 7] , [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4] In het rapport is geconcludeerd dat de werkelijke leiding van de vennootschappen wordt uitgeoefend vanuit Nederland door de Aandeelhouder samen met zijn adviseurs. In het rapport is vermeld dat tijdens het onderzoek is gebleken dat ten aanzien van de feitelijke leiding, de gang van zaken met betrekking tot belanghebbende in niets verschilt ten opzichte van die van de overige vennootschappen.
32. In een e-mail van 3 maart 2020 schrijft de inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende:
“(…) Onlangs hebben wij telefonisch contact gehad over de door u namens enkele van de vennootschappen van de heer (…) ingediende verzoeken tot intrekking dan wel uitstel van de uitnodigingen tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting. Uit ons gesprek is het volgende komen vast te staan dan wel hebben wij het volgende afgesproken.
(…)
Voor de aangiften vennootschapsbelasting 2015 t.n.v. [naam bedrijf 4] , [belanghebbende] , [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 7] heb ik aangegeven dat deze aangiften niet meer kunnen leiden tot een primitieve aanslag over 2015. Er is dan ook geen directe noodzaak aanwezig om deze aangiften nog in te dienen. Ik heb u wel aangegeven dat deze goedkeuring om de aangiften niet in te dienen niet betekent dat de Belastingdienst het standpunt ten aanzien van de fiscale vestigingsplaats van de vennootschappen intrekt. (…)”
33. Bij brief van 18 maart 2020 is mede namens belanghebbende aan de inspecteur medegedeeld wat de fiscale resultaten zijn van de verschillende vennootschappen waarnaar de inspecteur onderzoek heeft gedaan. Daarbij is ook inzicht gegeven in de resultaten uitgaande van andere waarderingsmethoden.
De (navorderings)aanslagen en uitspraken op bezwaar
34. De inspecteur heeft met dagtekening 30 oktober 2021 (2013), 13 november 2021 (2014), 30 december 2020 (2015), 28 december 2019 (2016), 25 mei 2021 (2017) de (navorderings)aanslagen opgelegd.
35. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De bezwaarschriften zijn ontvangen op 26 november 2021 (2013, 2014), 29 januari 2021 (2015), 4 februari 2020 (2016) en 23 juni 2021 (2017).
FIOD-stukken
36. Bij brief van 5 augustus 2021 heeft de inspecteur de FIOD verzocht gegevens en inlichtingen te verstrekken uit het strafrechtelijk onderzoek [naam onderzoek] . Daarbij heeft de inspecteur ook specifiek verzocht, voor zover de gegevens en inlichtingen uit het strafdossier zijn gedigitaliseerd, om documenten waarin nader benoemde zoektermen in voorkomen.
37. Bij e-mail van 17 januari 2022 heeft de FIOD de gegevens via filetransfer verstrekt (de FIOD-stukken).
38. Met dagtekening 8 juni 2023 heeft de inspecteur de uitspraken op bezwaar gedaan.
De bezwaren voor de jaren 2016 en 2017 heeft de inspecteur gegrond verklaard, de overige bezwaren heeft hij ongegrond verklaard. Voor het jaar 2017 heeft de inspecteur de belastbare winst en het belastbare bedrag vastgesteld op € 26.380 negatief (een verlies) en een beschikking belastingrente van € 4.172 vastgesteld (te vergoeden belastingrente). Voor het jaar 2016 heeft de inspecteur de belastbare winst vastgesteld op € 92.289, het belastbare bedrag vastgesteld op € 65.909 (in verband met achterwaartse verliesverrekening) en de belastingrente verminderd tot € 3.846.
Verliesherzieningsbeschikking 2018
39. In een brief van 13 februari 2020 heeft de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende aan de inspecteur geschreven:
“(…) Daarbij komt nog dat hierin is uitgegaan van een waardering tegen marktwaarde en dat een cijfermatige uitwerking op basis van een andere waardering (bijvoorbeeld kostprijs) nog niet gereed is. Het zou dus zo kunnen zijn dat dit bedrag nog lager uitvalt. Graag worden wij in de gelegenheid gesteld dit punt nader uit te werken. (…)”
40. In de hiervoor vermelde brief van 18 maart 2020 (zie punt 33.) is in de cijfermatige uitwerking bij belanghebbende voor het jaar 2018 vermeld een resultaat van € 204.638 negatief, een positief bedrag onder de noemer [naam bank 1] van € 167.791 en een (herrekend) resultaat van € 36.847 negatief.
41. Met dagtekening 2 april 2022 heeft de inspecteur een definitieve aanslag Vpb voor het jaar 2018 opgelegd. Daarbij is de belastbare winst en het belastbaar bedrag vastgesteld op € 204.638 negatief. Bij de aanslag is tevens een verliesbeschikking afgegeven van € 204.638. Hiertegen heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt.
42. Met dagtekening van 12 augustus 2023 heeft de inspecteur ambtshalve bij beschikking het verlies vastgesteld op € 36.847 (de verliesherzieningsbeschikking).
43. Met dagtekening 14 februari 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. In de uitspraak op bezwaar is onder meer het volgende vermeld:
“(…) In de bezwaarfase ten aanzien van de jaren 2013 tot en met 2017 is door belanghebbende aangegeven dat men voor de beleggingen het waarderingssysteem "kostprijs of lagere marktwaarde" wenst te hanteren. Conform de gegevens in de brief van 18 maart 2020 met kenmerk 20-0003383 leidt dit tot een herziening van de resultaten over de jaren 2016 en verder. Voor de jaren 2013 tot en met 2015 heeft deze wijziging van het waarderingssysteem geen gevolgen.
Uw bezwaar tegen deze navorderingsaanslag over het jaar 2018 ten bedrage van
euro -/- 36.847 behelst het verzoek tot vaststelling van een hoger verlies. Dit in
afwijking van uw eigen - eerdere - verzoek om kostprijs of lagere marktwaarde
toe te passen.
Bovendien is in eerste instantie de primitieve aanslag over 2018 vastgesteld naar
een belastbaar bedrag van euro -/- 204.638 en is op verzoek van de belastingplichtige deze aanslag door middel van een navordering vastgesteld op euro -/- 36.847. Belastingplichtige hopt voor het jaar 2018 naar believen heen en weer naar een verlies wat hem het meest gerede voorkomt.(…)”

Beoordeling door de rechtbank

44. De rechtbank beoordeelt of de (navorderings)aanslagen, de beschikkingen belastingrente en de vergrijpboeten terecht en niet te hoog zijn vastgesteld en of de verliesherzieningsbeschikking terecht en niet te laag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
45. Met betrekking tot de (navorderings) aanslagen voor de jaren 2013 tot en met 2017 zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:
Zijn de FIOD-stukken onrechtmatig verkregen?
Is op de FIOD-stukken het informeel verschoningsrecht van toepassing?
Zijn de navorderingsaanslagen 2013 en 2014 buiten de termijn opgelegd?
Is voor de jaren 2013, 2014 en 2015 voldaan aan de voorwaarden voor navordering?
Is sprake van belastingplicht in Nederland?
Is het belastbare bedrag te hoog vastgesteld?
Dient de boete te worden vernietigd omdat sprake is van een pleitbaar standpunt?
Kan de verwijtbare gedraging worden toegerekend aan belanghebbende?
Kan belanghebbende opzet c.q. grove schuld worden verweten?
46. Met betrekking tot de verliesherzieningsbeschikking 2018 zijn de antwoorden op de vragen a. en b. ook in geschil. Daarnaast zijn met betrekking tot de verliesherzieningsbeschikking de antwoorden op de volgende vragen in geschil:
Dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd, omdat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld?
Is voldaan aan de voorwaarden voor herziening?
Is sprake van belastingplicht in Nederland?
Is het verlies te laag vastgesteld?
47. De rechtbank komt tot het oordeel dat de (navorderings)aanslagen en rentebeschikkingen terecht en niet te hoog zijn vastgesteld, maar dat de boeten en de verliesherzieningsbeschikking moeten worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
FIOD-stukken
48. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de FIOD-stukken niet kunnen worden gebruikt in de zaak van belanghebbende, omdat de overdracht onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Daarnaast moeten de FIOD-stukken buiten beschouwing blijven, omdat sprake is van een schending van het fair-play-beginsel. Het gaat om stukken waarop het informeel verschoningsrecht van toepassing is.
49. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij de stukken rechtmatig heeft verkregen naar aanleiding van een verzoek van artikel 55 van Pro de AWR. Er is geen reden waarom de FIOD-stukken niet zouden mogen worden gebruikt. Voor de stellingen van belanghebbenden is geen steun te vinden in het recht.
50. De rechtbank oordeelt als volgt. Belanghebbende heeft niets gesteld op grond waarvan aanleiding bestaat voor een oordeel dat de FIOD-stukken onrechtmatig zijn verkregen door de FIOD of de inspecteur. De rechtbank is van oordeel dat de gegevensverstrekking aan de inspecteur op grond van artikel 55 van Pro de AWR rechtmatig is. [4] Daarmee is tevens geen sprake van een schending van het beginsel van fair-play.
Navorderingsaanslagen buiten de termijn opgelegd (2013-2014)?
Standpunten van partijen
51. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen 2013 en 2014 buiten de termijn zijn opgelegd. De inspecteur stelt ten onrechte dat de inkomstenbestanddelen in het buitenland zijn opgekomen. De verlengde navorderingstermijn is daarom niet van toepassing. Daarbij dient niet gekeken te worden naar de onderliggende bronnen van winst. Alle ontvangen inkomsten in 2013 en 2014 zijn afkomstig uit rentebaten, die zijn verkregen van vorderingen op de Aandeelhouder. De Aandeelhouder heeft deze schulden in box 3 aangegeven. De rentebaten op de vorderingen zijn ontvangen en verwerkt door de vordering op de Aandeelhouder te laten toenemen met het bedrag aan verschuldigde rente. Als de inspecteur gelijk heeft dat belanghebbende in Nederland is gevestigd, dan zijn alle betrokken partijen in Nederland gevestigd.
52. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen 2013 en 2014 binnen de termijn zijn opgelegd. Voor de beoordeling of de verlengde navorderingstermijn van toepassing is, dient te worden uitgegaan van de fysieke locatie en dat is in dit geval een andere dan de fiscale vestigingsplaats.
Beoordeling
53. De reguliere navorderingstermijn liep af op 31 december 2018 (2013) en 31 december 2019 (2014). De navorderingsaanslagen 2013 en 2014 zijn dus buiten de reguliere navorderingstermijn opgelegd. Het gaat in 2013 en 2014 om bijgeschreven rente voor vorderingen op Nederlandse debiteuren. De rente is bijgeschreven in de administratie van belanghebbende die, zo maakt de rechtbank op uit de jaarstukken, op Curaçao wordt opgemaakt en bewaard. Daarmee is de opbrengst buiten het zicht van de fiscus gebleven en opgekomen in het buitenland. [5] De verlengde navorderingstermijn is daarom van toepassing.
Voorwaarden navordering: nieuw feit, ambtelijk verzuim en kwade trouw (2013-2015)
Standpunten van partijen
54. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur met de relevante feiten bekend was toen de aanslagtermijn nog niet was verstreken. De inspecteur was al vroeg bekend met de volledige structuur, de vestigingsplaats is meermalen impliciet aan de orde geweest en in 2017 is een onderzoek ingesteld naar de vestigingsplaats. In 2014 hebben gesprekken met de Belastingdienst plaatsgevonden over de fiscale structuur van de vennootschappen en toen bestond reeds aanleiding voor een onderzoek. Door dit niet te doen heeft de inspecteur zijn onderzoeksplicht geschonden. Uit correspondentie in 2014 blijkt dat de inspecteur reeds in 2011 twijfelde aan de vestigingsplaats. De feiten hadden de inspecteur dus redelijkerwijs al bekend kunnen zijn. Van kwade trouw is geen sprake, omdat het pleitbaar is dat belanghebbende niet in Nederland is gevestigd.
55. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de bevindingen uit het vestigingsplaatsonderzoek onmiskenbaar een nieuw feit vormen. De inspecteur hoefde niet te twijfelen aan het standpunt van belanghebbende en haar adviseurs dat de vestigingsplaats buiten Nederland was gelegen. Daar komt bij dat onjuiste inlichtingen zijn verstrekt en dus sprake is van kwade trouw. De inspecteur stelt zich daarbij op het standpunt dat ook spontane informatieverstrekking kan leiden tot kwade trouw en verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017 [6] .
Beoordeling
56. Naar het oordeel van de rechtbank beschikt de inspecteur over een zogenoemd nieuw feit en heeft hij geen ambtelijk verzuim begaan. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
57. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn kan geen grond voor navordering opleveren (een ambtelijk verzuim), behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. [7] Het ligt op de weg van de inspecteur om de feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw. [8]
58. Bij e-mail van 5 oktober 2018 [9] heeft [naam advocatenkantoor] aangekondigd spontaan informatie te verstrekken over belanghebbende. De informatie is kort daarna via file transfer aan de inspecteur verstrekt. De inspecteur heeft de stukken afkomstig van de beleggingsadviseur en het accountantskantoor in november 2018 en december 2018 ontvangen. In de verstrekte informatie bevindt zich een grote hoeveelheid e-mails. Deze e-mails zijn van belang omdat die weergeven op welke wijze investeringen van de vennootschappen tot stand zijn gekomen. Dat zijn de nieuwe feiten waarover de inspecteur nog niet eerder beschikte. Daarnaast moet de inspecteur enige tijd worden gegund om deze grote hoeveelheid informatie te beoordelen. Van de inspecteur kan daarom niet worden verwacht dat hij eind 2018 al duidelijkheid had over de vestigingsplaats van belanghebbende. Ook zijn er geen gegronde redenen waarom de inspecteur al een aanslag voor het jaar 2015 had moeten opleggen voordat hij bekend raakte met de resultaten van het vestigingsplaatsonderzoek. Het overleg dat met de inspecteur heeft plaatsgevonden in 2014 leidt niet tot een ander oordeel. Op dat moment was de inspecteur immers niet bekend met de relevante e-mails. Er bestond destijds ook onvoldoende aanleiding voor de inspecteur om een onderzoek in te stellen, aangezien het om een ander onderwerp en niet over belanghebbende ging.
Belastingplicht in Nederland (2013-2017)
Standpunten van partijen
59. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij in de jaren 2013-2017 niet belastingplichtig is in Nederland. De inspecteur heeft geen gedegen onderzoek gedaan naar de vestigingsplaats van belanghebbende. Het vestigingsplaatsonderzoek had geen betrekking op belanghebbende. De inspecteur heeft daarom gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Belanghebbende betwist de conclusies van het rapport en zet vraagtekens bij de totstandkoming ervan. Het rapport vestigingsplaatsonderzoek is doordrenkt van doelredeneringen en persoonlijke opvattingen en kan daarom niet dienen als bewijs. De adviseurs hebben geen rol gespeeld in de leiding van belanghebbende. De e-mails die zijn overgelegd, onderbouwen niet dat de feitelijke leiding in Nederland was gelegen. Het betreft allemaal advieswerkzaamheden. Voor de jaren 2016 tot en met 2018 heeft de inspecteur onvoldoende bewijs geleverd.
60. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de vestigingsplaats van belanghebbende Nederland is. Belanghebbende is een privévennootschap van de Aandeelhouder. Daarom geldt het bewijsvermoeden dat de werkelijke leiding berust bij de uiteindelijk gerechtigde de Aandeelhouder en zijn adviseurs. Belanghebbende heeft dit bewijsvermoeden niet ontzenuwd. De inspecteur voert aan dat de werkzaamheden van [naam bedrijf 6] met name administratief van aard zijn en dat [naam bedrijf 6] slechts een uitvoerende rol heeft. De inspecteur wijst in dat verband op de overeenkomsten die [naam bedrijf 6] met de vennootschappen heeft gesloten en de urenspecificaties bij de facturen van [naam bedrijf 6] . Ook wijst de inspecteur op de gang van zaken rondom diverse investeringen, zoals dat naar voren komt in met name e-mailcorrespondentie.
Beoordeling
61. Het ligt op de weg van de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, waaruit volgt dat de werkelijke leiding van een lichaam in een bepaald jaar niet werd uitgeoefend door het statutaire bestuur, maar door een ander en dat de werkelijke leiding in Nederland werd uitgeoefend. [10] Voor de uitleg van het begrip ‘werkelijke leiding’ gaat het om de kernbeslissingen met betrekking tot de activiteiten van het lichaam, de eindverantwoordelijkheid voor deze beslissingen en de instructies die worden gegeven aan de binnen belanghebbende werkzame personen. [11]
62. Gelet op de feiten die zijn vermeld onder de punten 12. en 13. acht de rechtbank aannemelijk dat op 19 oktober 2012 het belastingadvieskantoor de Aandeelhouder heeft geadviseerd over de aankoop van een woning voor zijn dochter en de financiering daarvan, onder meer door een verzoek te doen aan [naam bedrijf 1] voor het verkrijgen van een lening. Over het verstrekken van de lening is geen verdere correspondentie bekend tot de e-mails van 7 januari 2013. Op 7 januari 2013 om 15:08 heeft de notaris aan de Aandeelhouder de nota van afrekening gemaild met het belastingadvieskantoor in de cc. De rechtbank acht aannemelijk dat het belastingadvieskantoor op initiatief van de Aandeelhouder in de cc van deze e-mail is opgenomen. Daarmee heeft de Aandeelhouder in wezen de instructie gegeven om ervoor zorg te dragen dat de nota van afrekening tijdig wordt betaald door [naam bedrijf 1] , of een andere vennootschap binnen de structuur, en dat de betaling als een lening aan de Aandeelhouder wordt beschouwd, zoals besproken op 19 oktober 2012. Uit de e-mail van 15:28, waarin de nota van afrekening is gestuurd aan de formele bestuurder, leidt de rechtbank af dat het belastingadvieskantoor eerst telefonisch contact heeft opgenomen met de formele bestuurder van belanghebbende. Ruim twintig minuten later geeft de formele bestuurder van belanghebbende aan akkoord te zijn met de overboeking van de gelden. Op dat moment is er nog geen afgesloten leningsovereenkomst, is niet duidelijk of de Aandeelhouder akkoord zal gaan met de voorwaarden voor de lening, is geen enkele zekerheid bedongen en heeft de formele bestuurder geen kennis over de taxatiewaarde van de woning. Daarnaast kan uit de e-mail van de formele bestuurder worden afgeleid dat, zoals besproken op 19 oktober 2012, aanvankelijk [naam bedrijf 1] de lening zou verstrekken, maar omdat de economische eigendom van een deel van de banktegoeden is overgedragen aan belanghebbende, belanghebbende de lening zal verstrekken. Op grond hiervan acht de rechtbank aannemelijk dat in wezen de Aandeelhouder de instructie heeft gegeven en de beslissing heeft genomen dat belanghebbende de nota van afrekening zal voldoen en de betaling als een lening aan de Aandeelhouder zal worden beschouwd. Gelet op de woonplaats van de Aandeelhouder acht de rechtbank aannemelijk dat die beslissing in Nederland is genomen. Niet gesteld of gebleken is dat in 2013 andere beslissingen ten aanzien van het vermogen van belanghebbende zijn genomen. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de werkelijke leiding van belanghebbende in 2013 in Nederland is uitgeoefend en de vestigingsplaats van belanghebbende in 2013 daarom Nederland is.
63. De samenstelling van het vermogen van belanghebbende is in de jaren 2013-2015 niet wezenlijk gewijzigd (zie punt 26.). De rechtbank ziet daarom geen aanleiding over de jaren 2014 en 2015 anders te oordelen.
64. Uit de tussentijdse rapportage van 30 september 2017 (punt 27.) komt naar voren dat het vermogen van belanghebbende in 2016 en 2017 een belangrijke wijziging heeft ondergaan. In die jaren is een rekening bij [naam bank 1] op de balans van belanghebbende vermeld. Op grond van de feiten en omstandigheden vermeld onder de punten 21. tot en met 25. acht de rechtbank aannemelijk dat de beslissing om over te gaan tot herstructurering van de vennootschappelijke structuur is genomen door de Aandeelhouder. De rechtbank acht daarbij met name van belang dat uit de e-mails van de fiscaal adviseur naar voren komt dat het aan de Aandeelhouder is om een beslissing te nemen over de verdeling van het vermogen over de overgebleven vennootschappen. Daarmee is ook de beslissing om over te gaan tot uitvoering van het stappenplan en dus het onderbrengen van het account [naam bank 1] - naar de rechtbank begrijpt de rekening bij [naam bank 1] - bij belanghebbende, genomen door de Aandeelhouder en niet door de formele bestuurder. Niet gesteld of gebleken is dat in 2016/2017 andere beslissingen ten aanzien van het vermogen van belanghebbende zijn genomen. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de werkelijke leiding van belanghebbende ook in 2016 en 2017 in Nederland is uitgeoefend en de vestigingsplaats van belanghebbende in die jaren daarom Nederland is.
65. De stelling van belanghebbende over de kwaliteit van het rapport kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank heeft haar oordelen niet gebaseerd op de conclusies van het rapport, maar op de e-mails, presentaties, facturen en andere documenten die als bijlagen bij het rapport zijn gevoegd.
66. De stelling van belanghebbende dat geen gedegen onderzoek naar haar vestigingsplaats is gedaan en dat de inspecteur daarom onzorgvuldig heeft gehandeld kan ook niet tot een ander oordeel leiden. De inspecteur is in het rapport wel ingegaan op de vestigingsplaats van belanghebbende en de voor belanghebbende relevante feiten zijn daarin vermeld.
Belastbaar bedrag (2013-2017)
67. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de belastbare bedragen onjuist zijn vastgesteld. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd.
68. De inspecteur heeft de (navorderings)aanslagen vastgesteld aan de hand van de gegevens zoals namens belanghebbende aangeleverd met de brief van 18 maart 2020. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de belastbare bedragen lager zijn dan belanghebbende zelf heeft berekend.
69. De (navorderings)aanslagen zijn terecht en niet te hoog vastgesteld.
Boeten (2013-2015)
Rechtskader
70. Op grond van artikel 67e van de AWR kan aan de belastingplichtige een boete worden opgelegd indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Maatgevend is of een belastingplichtige opzet dan wel grove schuld kan worden verweten met betrekking tot zijn gedragingen voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslag, of indien geen aanslag is opgelegd, uiterlijk had kunnen worden opgelegd. [12]
71. Het ligt op de weg van de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting overtuigend [13] te bewijzen, op grond waarvan kan worden aangenomen dat belanghebbende het beboetbare feit heeft begaan. Hierbij kan de inspecteur gebruik maken van bewijsvermoedens, mits die vermoedens zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden die - voor zover daarover geschil bestaat - buiten redelijke twijfel vaststaan en het vermoeden redelijkerwijs uit die feiten en omstandigheden voortvloeit en het - behoudens contra-indicaties die het vermoeden ontzenuwen - niet anders kan zijn dan dat het vermoeden juist is. [14]
72. Bij de beoordeling is nog het volgende van belang. Toerekening van opzet of grove schuld van een ander dan de belastingplichtige aan de belastingplichtige is uitgesloten. [15] Hetzelfde heeft te gelden voor de toerekening van opzet of grove schuld van een ander aan een andere betrokkene. Ook kennis die aanwezig is bij de ene persoon, kan niet zonder meer worden toegerekend aan een ander. [16] Indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet hoefde te twijfelen, dan is er geen aanleiding voor het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept. Daarbij is van belang dat de belastingplichtige bij de samenwerking met de adviseur de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd. [17]
De verweten gedraging
73. De inspecteur verwijt belanghebbende dat zij (opzettelijk dan wel grofschuldig) ten onrechte geen aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2015 heeft ingediend, dat ten onrechte niet is verzocht om te worden uitgenodigd tot het doen van aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2015 en dat onjuiste informatie is verstrekt en dat daardoor te weinig belasting is geheven.
74. Het staat vast dat de inspecteur belanghebbende niet heeft uitgenodigd tot het doen van aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2013 tot en met 2015. Eind 2019 heeft de inspecteur belanghebbende wel uitgenodigd tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2015, maar hij heeft vervolgens goedgekeurd dat de aangifte achterwege konden blijven. In het licht van deze gang van zaken is het verwijt dat belanghebbende ten onrechte geen aangiften heeft ingediend onbegrijpelijk. Belanghebbende had daartoe tot eind 2019 geen verplichting en de inspecteur heeft voor het overige ingestemd met het achterwege laten van de indiening van een aangifte.
75. De inspecteur heeft in het verweerschrift niet nader onderbouwd waarom sprake zou zijn van het verstrekken van onjuiste gegevens en inlichtingen. Hij heeft niet gesteld welke gegevens en inlichtingen door wie op welk moment zijn verstrekt en waar de onjuistheid in is gelegen. In de pleitnota heeft de inspecteur gewezen op het verstrekken van inlichtingen door de fiscaal adviseur. De fiscaal adviseur zou in een e-mail van 30 juni 2014 aan de inspecteur hebben medegedeeld dat [naam bedrijf 3] op Curaçao is gevestigd, terwijl hij zou hebben geweten dat niet het geval was. Ook heeft de fiscaal adviseur volgens de inspecteur niet heeft verzocht om uitreiking van aangiftebiljetten.
76. Daargelaten of de fiscaal adviseur hier namens [naam bedrijf 3] sprak en mocht spreken, gaat het hier niet om belanghebbende. Deze gedraging van de fiscaal adviseur kan daarom niet aan belanghebbende worden toegerekend. Daarnaast merkt de rechtbank op dat [naam bedrijf 3] in de jaren 2010 tot en met 2015 uitsluitend negatieve resultaten hebben behaald [18] . Van enige verplichting tot het verzoeken om uitreiking van aangiftebiljetten door die vennootschap kan daarom geen sprake zijn [19] . Een gedraging van belanghebbende die zou bestaan uit het verstrekken van onjuiste gegevens en inlichtingen, is daarom niet bewezen.
77. Dan blijft over het verwijt dat belanghebbende ten onrechte (opzettelijk of grofschuldig) niet heeft verzocht om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting met als gevolg dat te weinig belasting is geheven.
Opzet of grove schuld
78. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de statutaire bestuurder en de Aandeelhouder zich ervan bewust waren dat de fiscale vestigingsplaats van belanghebbende in Nederland was gelegen en dat de statutaire bestuurder beschikt over fiscale kennis. De inspecteur wijst erop dat de statutaire bestuurder regelmatig overleg had met het belastingadvieskantoor. In de presentaties over de herstructurering is de Aandeelhouder expliciet gewezen op de vereisten met betrekking tot de vestigingsplaats van belanghebbende.
79. Belanghebbende stelt zich onder meer op het standpunt dat zij is geadviseerd door het belastingadvieskantoor, dat het belastingadvieskantoor een gerenommeerd advieskantoor is, dat zij mocht vertrouwen op de adviezen, dat zij geen feiten achter heeft gehouden voor het belastingadvieskantoor en dat het belastingadvieskantoor op geen enkel moment erop heeft gewezen dat de werkelijke leiding wel eens in Nederland zou kunnen liggen.
80. De rechtbank oordeelt als volgt
81. De Aandeelhouder heeft het belastingadvieskantoor ingeschakeld die hem in 2011 onder meer heeft geadviseerd over de handelwijze met betrekking tot de verkoopopbrengst van de aandelen in een vennootschap. Het belastingadvieskantoor heeft geadviseerd gebruik te maken van een vennootschappelijke structuur, waarvan enkele vennootschappen op Curaçao zijn gevestigd. Enkele vermogensbestanddelen zouden dan in die buitenlandse vennootschappen worden ondergebracht, met als gevolg dat minder winstbelasting zou worden geheven. Daarbij heeft het belastingadvieskantoor geadviseerd de economische eigendom van een deel van het vermogen af te splitsen van de juridische eigendom. De juridisch eigendom bleef achter bij een Nederlandse vennootschap waarvan belanghebbende directeur was.
82. Uit de stukken komt ook naar voren dat het belastingadvieskantoor de Aandeelhouder niet alleen adviseerde over de structuur en latere herstructureringen, maar ook bij investeringen van de buitenlandse vennootschappen en fiscale aangelegenheden van belanghebbende zelf. Zo zijn er presentaties en adviezen die betrekking hebben op het voorkomen van een aanmerkelijk belangheffing bij belanghebbende, de aankoop van een huis door belanghebbende en de schenking van een woning door de Aandeelhouder. Ook [naam bedrijf 6] maakte gebruik van de dienstverlening van het belastingadvieskantoor.
83. Tot de gedingstukken behoren twee presentaties waarin is vermeld dat de aandeelhouders van de onder punt 81. bedoelde vennootschap deels zeggenschap over hun vermogen willen houden [20] en dat de Aandeelhouder zelf actief betrokken is in het denkproces met betrekking tot zijn vermogen [21] . Hieruit kan worden afgeleid dat het belastingadvieskantoor op de hoogte was van een potentiële betrokkenheid van de Aandeelhouder bij bepaalde investeringen, of in ieder geval de drang van de Aandeelhouder om zich hiermee bezig te houden. In de door de inspecteur overgelegde stukken bevinden zich diverse e-mails en presentaties waaruit volgt dat het belastingadvieskantoor voorafgaand aan een investering wordt geraadpleegd en het belastingadvieskantoor daarbij zo nodig adviseert. Daarbij is voor het belastingadvieskantoor ook duidelijk dat de initiatieven voor de investeringen niet van de formele bestuurder van de vennootschappen afkomstig zijn, en dat het veelal gaat om initiatieven die afkomstig zijn van de Aandeelhouder zelf. De rechtbank wijst daarbij op de eerder genoemde presentatie van 19 oktober 2012, waarbij diverse investeringen zijn vermeld, e-mails in verband met een verstrekking van een lening door de Aandeelhouder aan een bevriende relatie [22] , diverse e-mails met betrekking tot andere investeringen zoals [naam bedrijf 16] [23] , [naam bedrijf 17] [24] , [naam bank 1] [25] en het openen van een bankrekening bij [naam bank 2] [26] .
84. Het voorgaande wijst op een actieve samenwerking van de Aandeelhouder, als werkelijk leidinggevende, en [naam bedrijf 6] , als statutair bestuurder, met het belastingadvieskantoor. Het belastingadvieskantoor wist dat de Aandeelhouder zich graag bezig hield met het meedenken over investeringen en het belastingadvieskantoor werd, al dan niet via anderen, op de hoogte gehouden van de investeringen en adviseerde daarbij zo nodig actief. Er is geen bewijs dat het belastingadvieskantoor de Aandeelhouder of [naam bedrijf 6] heeft gewaarschuwd dat het handelen van de Aandeelhouder met zich zou brengen dat de vestigingsplaats van belanghebbende Nederland zou zijn. De inspecteur heeft niets naar voren gebracht op grond waarvan is bewezen dat de Aandeelhouder of [naam bedrijf 6] in de samenwerking met het belastingadvieskantoor niet de zorg hebben betracht die redelijkerwijs van hen kon worden gevergd.
85. Onder die omstandigheden hoefden de Aandeelhouder en [naam bedrijf 6] zich niet zelf te verdiepen in de vraag of, gelet op de feitelijke gang van zaken, de vestigingsplaats van de vennootschappen misschien toch Nederland zou kunnen zijn.
86. Het belastingadvieskantoor heeft geen andere handelingen verricht dan advieswerkzaamheden. Het belastingadvieskantoor is daarom niet aan te merken als de werkelijke leidinggevende. De gedragingen en de mogelijke opzet of grove schuld van het belastingadvieskantoor kunnen daarom niet worden toegerekend aan belanghebbende.
87. Gelet op het voorgaande kan belanghebbende geen opzet of grove schuld worden verweten. De boeten moeten worden vernietigd.
Belastingrente
88. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
De verliesherzieningsbeschikking 2018
Standpunten van partijen
89. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitspraak op bezwaar onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat dezelfde tekst is gebruikt als bij de uitspraak op bezwaar voor de (navorderings)aanslagen. Ook stelt belanghebbende zich op het standpunt dat niet aan de voorwaarden voor herziening is voldaan, omdat een nieuw feit ontbreekt, de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan omdat hij al twijfelde aan de vestigingsplaats en geen sprake is van kwade trouw. Verder stelt belanghebbende zich op het standpunt dat geen sprake is van belastingplicht in Nederland en dat het belastbare bedrag te hoog is vastgesteld.
90. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan. Belanghebbende heeft in de bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen aangevoerd dat een andere waarderingsmethode moest worden toegepast. Toepassing daarvan leidde tot een lager verlies in 2018. Het verzoek van belanghebbende in andere bezwaren mocht de inspecteur als een verzoek om navordering beschouwen en daarmee is aan de voorwaarden voor navordering voldaan. De toepassing van een andere waarderingsmethode is het nieuwe feit. Het niet toepassen van die andere waarderingsmethode in 2018 zou in strijd komen met goedkoopmansgebruik, omdat dan geen sprake is van een bestendige gedragslijn.
Beoordeling
91. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar niet onzorgvuldig tot stand gekomen. In de uitspraak op bezwaar is de inspecteur ingegaan op de door belanghebbende opgeworpen gronden. Het is weliswaar juist dat in de uitspraak op bezwaar passages zijn opgenomen die niet relevant zijn voor het bezwaar tegen de verliesherzieningsbeschikking. Dat alleen maakt niet dat de uitspraak op bezwaar als geheel onzorgvuldig is. De rechtbank wijst er verder op dat het procedureverloop in belastingzaken in beginsel meebrengt dat eventuele onzorgvuldigheden in de totstandkoming en/of de motivering van de uitspraak op bezwaar op zichzelf niet tot vernietiging van die uitspraak kunnen leiden. De rechtbank ziet in zoverre geen reden de uitspraak op bezwaar te vernietigen.
92. De rechtbank zal hierna de overige beroepsgronden beoordelen.
93. Artikel 20b, derde lid, van de Wet Vpb luidt als volgt:
Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het verlies te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de in het eerste lid bedoelde beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
94. Met dagtekening 2 april 2022 is aan belanghebbende de definitieve aanslag Vpb van nihil opgelegd en tevens is de verliesbeschikking van € 204.638 afgegeven. Daarna heeft de inspecteur een verliesherzieningsbeschikking vastgesteld. Het geschil kan geen betrekking hebben op de navorderingsaanslag van nihil. [27] Tegen de (oorspronkelijke) verliesvaststellingsbeschikking heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt. Die verliesvaststellingsbeschikking staat daarom onherroepelijk vast. De rechtbank is daarom van oordeel dat in de procedure tegen de verliesherzieningsbeschikking de belastingplicht van belanghebbende niet aan de orde kan komen. In de procedure tegen de verliesherzieningsbeschikking is slechts aan de orde of de inspecteur terecht het verlies lager heeft vastgesteld dan oorspronkelijk het geval was. De rechtbank ziet bevestiging van dit oordeel in een arrest van de Hoge Raad van 1 april 2005 [28] , waarin de Hoge Raad oordeelde dat een eenmaal bij beschikking vastgesteld verlies voor verrekening vatbaar blijft, zolang de verliesbeschikking niet is herzien.
95. De rechtbank leidt uit de stukken de volgende gang van zaken af. De inspecteur heeft een vestigingsplaatsonderzoek ingesteld naar [naam bedrijf 4] , [naam bedrijf 7] , [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] . Hiervan is in oktober 2019 een rapport opgemaakt. Belanghebbende was daarbij geen onderwerp van onderzoek, maar is wel enkele malen in het rapport genoemd. Naar de rechtbank aanneemt heeft de inspecteur ter behoud van rechten de aanslag Vpb 2016 aan belanghebbende opgelegd, waartegen belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. In het bezwaarschrift is onder meer aangevoerd dat belanghebbende het niet eens is met het belastbaar bedrag. In de brieven van 13 februari 2020 en 18 maart 2020 is, mede namens belanghebbende, de wijziging van de waarderingsmethodiek aan de orde gesteld. Daarbij is een cijfermatige uitwerking opgenomen waarin ook de gevolgen voor belanghebbende zijn vermeld. Daarbij is ook vermeld dat als rekening wordt gehouden met de andere waarderingsmethode, het verlies van belanghebbende in 2018 € 36.847 is. De inspecteur beschikte op dat moment (in 2020) dus al over het voornemen van belanghebbende om een andere waarderingsmethode toe te passen en over de cijfermatige gevolgen daarvan. Vervolgens heeft de inspecteur met dagtekening 2 april 2022 de definitieve aanslag Vpb voor het jaar 2018 opgelegd en het verlies vastgesteld op € 204.638.
96. De rechtbank is van oordeel dat van een nieuw feit geen sprake is, omdat de inspecteur in 2020 al over alle gegevens beschikte die nodig waren om de verliesbeschikking tot het volgens hem juiste bedrag vast te stellen. De omstandigheid dat de inspecteur in de bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen 2013-2017 over de waarderingsmethodiek zelf nog geen (definitief) standpunt had ingenomen, brengt niet met zich dat sprake is van een nieuw feit. Er is daarom ook geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 16, tweede lid, letter c, van de AWR. Van kwade trouw is ook geen sprake. Het gaat hier niet om de vestigingsplaats van belanghebbende, maar om de toe te passen waarderingsmethode en de gevolgen daarvan voor de hoogte van het verlies. Belanghebbende kan in dat kader op geen enkele wijze kwade trouw worden verweten. De inspecteur had bij het opleggen van de definitieve aanslag en de verliesbeschikking rekening kunnen houden met het lagere verlies en met belanghebbende kunnen afspreken dat zij daartegen bezwaar zou maken en dat in de uitspraak op bezwaar rekening zou worden gehouden met het definitieve standpunt over de waarderingsmethode.
97. Het voorgaande brengt met zich dat de verliesherzieningsbeschikking moet worden vernietigd. De gronden van belanghebbende over de hoogte van het verlies hoeven niet te worden behandeld.

Conclusie en gevolgen

98. De beroepen voor de jaren 2016 en 2017 zijn ongegrond. De beroepen voor de jaren 2013 tot en met 2015 en 2018 zijn gegrond. Dat betekent dat de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2013 en 2015 en 2018 worden vernietigd, maar voor de jaren 2013 tot en met 2015 uitsluitend voor zover het de boeten betreft. De boeten en de verliesherzieningsbeschikking worden vernietigd.
99. Belanghebbende krijgt een vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 9.324. Belanghebbende krijgt ook het griffierecht terug. De inspecteur moet deze bedragen betalen.
100. De proceskostenvergoeding is als volgt vastgesteld. De zaken 23/4531, 23/4534 en 23/4536 hangen met elkaar samen. Hiervoor wordt één proceskostenvergoeding toegekend van € 6.216 [29] . In de bezwaarfase is wel een kostenvergoeding toegekend, maar dat zag op de jaren 2016 en 2017. Zaak 24/5771 over de verliesherzieningsbeschikking 2018 hangt niet samen met de andere zaken van belanghebbende. Hiervoor kent de rechtbank een afzonderlijke proceskostenvergoeding toe van € 3.108 [30] .
101. De zaken van belanghebbende zijn gelijktijdig behandeld met de zaken van [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] Het gaat echter niet om samenhangende zaken. De beroepen van [naam bedrijf 2] zijn ongegrond verklaard en in die zaken is geen proceskostenvergoeding toegekend. De zaken van [naam bedrijf 3] betreffen een volstrekt andere kwestie. De zaken van [naam bedrijf 1] en belanghebbende vertonen wel enige samenhang. Echter de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil, zijn voor belanghebbende toch aanzienlijk anders dan voor [naam bedrijf 1] , waarbij ook een rol speelt dat voor [naam bedrijf 1] ook voor de jaren 2011 en 2012 navorderingsaanslagen en boeten zijn opgelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de werkzaamheden niet identiek zijn.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen in de zaken 23/4540 en 23/4551 ongegrond;
  • verklaart de beroepen in de zaken 23/4531, 23/4534, 23/4536 en 24/5771 gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor de zaken 23/4531, 23/4534, 23/4536 uitsluitend voor zover het de boeten betreft;
  • vernietigt de boeten (2013-2015) en de verliesherzieningsbeschikking 2018;
  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 9.324;
  • bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 736 (€ 365 + € 371) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en mr. J.A.L. Heldens, leden, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 december 2025
griffier
voorzitter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummers 23/4541, 23/4544, 23/4547, 23/4549, 23/4552, 23/4555, 23/4557, 23/4559 en 23/4562.
2.Zaaknummers 23/4566 tot en met 23/4569.
3.Zaaknummers 23/8006 tot en met 23/8010.
4.Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2389.
5.Vgl. Gerechtshof Den Haag 3 november 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2269 en Hoge Raad 14 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:395 (81 RO).
7.Artikel 16, eerste lid, van de AWR.
8.Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:359.
9.Bijlage 189 bij het verweerschrift.
10.Hoge Raad 23 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5105 en Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP5258.
11.Hoge Raad 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:47.
12.Gerechtshof Amsterdam 9 juni 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AP1808.
13.Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526 en Hoge Raad 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1394.
14.Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063.
15.Hoge Raad 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7741.
16.Vgl. Hoge Raad 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1394, r.o. 4.2.6.
17.Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26.
18.Brief van 18 maart 2020, bijlage 230 van 1277 bij het dossier vestigingsplaatsonderzoek.
19.Artikel 2, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994.
20.Conceptpresentatie concept 16 juni 2011.
21.Conceptpresentatie 17 augustus 2011.
22.E-mails van 16 oktober 2012 en 2 en 9 november 2012 (bijlagen 18, 19 en 20 van het rapport),
23.E-mails van 1 en 9 oktober 2015 (bijlage 33 en 34 van het rapport).
24.E-mail van 20 februari 2014 (FIOD-stukken).
25.E-mail 12 april 2013 (FIOD-stukken)
26.E-mail 30 mei 2013 (FIOD-stukken).
27.Vgl. Hoge Raad 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5248.
28.Hoge Raad 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6000.
29.1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 907 met een factor 2 voor de zwaarte en een factor 1 voor samenhang.
30.1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 907 met een factor 1 voor de zwaarte.