Eiseres, een jonggehandicapte met een Wajong-uitkering, verzocht het UWV om haar uitkering mee te nemen naar Bulgarije, waar haar ouders vrijwilligerswerk willen doen en zij afhankelijk van hen is voor verzorging. Het UWV wees dit verzoek af omdat niet is gebleken dat de ouders genoodzaakt zijn om buiten Nederland te wonen, hetgeen een vereiste is voor toepassing van de hardheidsclausule die het exportverbod kan opheffen.
De rechtbank bevestigt dat het exportverbod en de invulling van de hardheidsclausule door het UWV niet in strijd zijn met het gemeenschapsrecht, mede gelet op het arrest Hendrix van het Hof van Justitie EU. De situatie van eiseres wijkt af van die van migrerende werknemers, waarop dat arrest betrekking had. De wetgever heeft rekening gehouden met Wajong-gerechtigden die nooit zullen kunnen werken en heeft een hardheidsclausule opgenomen die strikt wordt toegepast.
De rechtbank oordeelt dat de verhuizing van de ouders van eiseres een vrijwillige keuze is, gebaseerd op humanitaire motieven en geloofsovertuiging, maar niet objectief en dwingend is. Ook is geen sprake van een disproportionele inbreuk op het recht op vrij verkeer van personen of het evenredigheidsbeginsel. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het UWV-besluit blijft in stand.