Eiseres, exploitant van een agrarisch bedrijf, kreeg van de minister een boete van €8.542 opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke mest in 2019. De minister trok tevens de derogatievergunning over 2019 in en sloot eiseres uit van deelname aan derogatie in 2025. Eiseres betwistte de boete en stelde onder meer dat sprake was van rechtsverwerking en onjuiste berekening van gebruiksnormen.
De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd was over de intrekking van de derogatievergunning te oordelen, maar wel over de boete. De rechtbank verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel en de stelling dat de gebruiksnormen onjuist waren toegepast. Wel matigde de rechtbank de boete met 20% vanwege een overschrijding van de beslistermijn van bijna twee jaar tussen het NVWA-rapport en het boetebesluit.
De rechtbank stelde de boete vast op €7.593,60 en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt de noodzaak van tijdige besluitvorming en bevestigt dat een overschrijding van de beslistermijn kan leiden tot matiging van een bestuurlijke boete.