Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1782

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11796989 \ CV EXPL 25-5718
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige advisering effectenleaseovereenkomsten door Dexia Nederland B.V.

Eiser heeft via een tussenpersoon effectenleaseovereenkomsten gesloten met Dexia, waarbij hij geld leende om aandelen te kopen. Na koersdalingen leed eiser verlies en vordert hij volledige schadevergoeding van Dexia wegens onrechtmatig handelen.

De tussenpersoon beschikte niet over de vereiste vergunning voor beleggingsadvies. De Hoge Raad heeft bepaald dat Dexia aansprakelijk is als zij wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies gaf. Eiser heeft voldoende concreet gesteld dat de tussenpersoon hem persoonlijk adviseerde en Dexia hiervan op de hoogte was.

Dexia heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat sprake was van vergunningplichtige advisering en dat zij wetenschap had van het advies. De kantonrechter volgt de jurisprudentie dat Dexia hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld. De schade wordt vastgesteld op circa €42.067,96, vermeerderd met wettelijke rente, en Dexia wordt veroordeeld tot betaling hiervan en de proceskosten.

Incidentele verzoeken van beide partijen worden afgewezen, waarbij de proceskosten in het incident worden gecompenseerd. De vorderingen van Dexia worden afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding aan eiser wegens onrechtmatige advisering via een niet-vergunde tussenpersoon.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11796989 / CV EXPL 25-5718
vonnis van de kantonrechter van 4 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser in conventie / verzoeker in incident / verweerder in reconventie & incident],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
verwerende partij in reconventie en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [eiser in conventie] en Dexia genoemd.

1.Kern van de zaak

1.1.
[eiser in conventie] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomsten hielden het volgende in. [eiser in conventie] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser in conventie] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moest [eiser in conventie] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eiser in conventie] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eiser in conventie] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eiser in conventie] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 8 juli 2025, met een incidenteel verzoek;
  • de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en het incident, tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
  • de conclusie antwoord in het incident tevens conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
[eiser in conventie] heeft de volgende leaseovereenkomsten (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[contractnummer 1]
23-12-1998
Triple Effect
II.
[contractnummer 2]
22-12-1999
Interest Refund Effect
III.
[contractnummer 3]
29-12-1999
Profit Effect
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
[contractnummer 1]
+ € 184,62
Ja, door Dexia aan [eiser in conventie]
II.
[contractnummer 2]
- € 6.914,94
Ja, door [eiser in conventie] aan Dexia
III.
[contractnummer 3]
- € 13.511,35
Ja, door [eiser in conventie] aan Dexia
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [eiser in conventie] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 48.564,00 aan maandtermijnen en een bedrag van € 20.426,29 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser in conventie] € 6.904,33 aan dividenden ontvangen en € 6.455,70 aan fiscaal voordeel genoten. Op 4 februari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 15.884,58 aan [eiser in conventie] uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente.
3.4.
De gemachtigde van [eiser in conventie] , Leaseproces, heeft bij brief van 25 april 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en de verzoeken in de incidenten in conventie en in reconventie
4.1.
[eiser in conventie] vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 Dexia zal veroordelen het aanvraagformulier aan [eiser in conventie] te verstrekken,
- in de hoofdzaak/:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser in conventie] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat [eiser in conventie] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser in conventie] van al datgene dat [eiser in conventie] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser in conventie] , met rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 [eiser in conventie] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier ,althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiser in conventie] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [eiser in conventie] verschuldigd is,
 [eiser in conventie] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en de verzoeken in de incidentenalgemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser in conventie] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[eiser in conventie] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser in conventie] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.5.
[eiser in conventie] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [de tussenpersoon] (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser in conventie] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser in conventie] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser in conventie] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser in conventie] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser in conventie] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.7.
[eiser in conventie] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[eiser in conventie] is in 1998 voor het eerst met [de tussenpersoon] in contact gekomen. [eiser in conventie] heeft het kantoor van [de tussenpersoon] bezocht om zijn financiële situatie door te nemen met een financieel adviseur van [de tussenpersoon] .
Tijdens het gesprek heeft de adviseur van [de tussenpersoon] geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser in conventie] . Zo is met de adviseur gesproken over het werk van [eiser in conventie] . [eiser in conventie] had namelijk een eigen bedrijf. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser in conventie] om vermogen op te bouwen voor zijn eigen bedrijf. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist.
De adviseur adviseerde [eiser in conventie] om een Triple Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van NLG 4.000,-. Volgens de adviseur zou [eiser in conventie] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, wat [eiser in conventie] vervolgens weer kon investeren in zijn eigen bedrijf. Omdat de aandelenfondsen die gekoppeld waren aan het Triple Effect product van gerenommeerde Nederlandse bedrijven waren, was dit volgens de adviseur een erg veilig product waarmee [eiser in conventie] veel rendement kon behalen. De adviseur ondersteunde zijn verhaal aan de hand van rekenvoorbeelden waarin er alleen maar rekening werd gehouden met positieve rendementen. Na afloop van het gesprek heeft [eiser in conventie] de rekenvoorbeelden niet meegekregen van de adviseur, waardoor [eiser in conventie] deze niet kan overleggen in de procedure.
De adviseur heeft [eiser in conventie] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er
niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [eiser in conventie] op deze risico’s gewezen was, had hij het Triple Effect product nooit afgesloten.
[eiser in conventie] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eiser in conventie] het advies van de adviseur opgevolgd en een Triple Effect product van Bank Labouchere afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 4.000,-. De aanvraag voor het Triple Effect product is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. Ten aanzien van het Interest Refund Effect product en het Profit Effect product.
In 1999 heeft [de tussenpersoon] contact opgenomen met [eiser in conventie] om een nieuwe afspraak in te plannen voor een kantoorbezoek om zijn financiële situatie opnieuw door te nemen met een financieel adviseur van [de tussenpersoon] . [eiser in conventie] heeft hiermee ingestemd en heeft in 1999 opnieuw het kantoor van [de tussenpersoon] bezocht.
Tijdens het gesprek heeft de adviseur van [de tussenpersoon] geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser in conventie] . Zo is met de adviseur gesproken over het eigen bedrijf van [eiser in conventie] . Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser in conventie] om nog meer vermogen op te bouwen voor zijn eigen bedrijf. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist.
De adviseur adviseerde [eiser in conventie] om een Interest Refund Effect product en een Profit Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met elk een vooruitbetaling van ongeveer NLG 24.000,-. De adviseur heeft gekeken naar het vermogen van [eiser in conventie] op zijn zakelijke rekening en wat [eiser in conventie] daarvan zou kunnen missen. Aan de hand daarvan heeft de adviseur twee vooruitbetalingen van ongeveer NLG 24.000,- geadviseerd. De adviseur gaf aan dat [eiser in conventie] er goed aan zou doen om twee verschillende producten af te sluiten om zo zijn vermogen te spreiden. Volgens de adviseur zou [eiser in conventie] op deze wijze nog meer vermogen opbouwen, wat [eiser in conventie] vervolgens weer kon investeren in zijn eigen bedrijf. De adviseur ondersteunde zijn verhaal aan de hand van rekenvoorbeelden die [eiser in conventie] lieten zien dat hij met deze producten meer rendement kon behalen dan via een gewone spaarrekening. Ook dit keer heeft [eiser in conventie] de rekenvoorbeelden niet meegekregen en kan hij deze daarom niet overleggen in de procedure.
5.8.
[eiser in conventie] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 24 december 1998 met contractnummer [contractnummer 1] , voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP435 [de tussenpersoon] B.V.”.
- een kopie van het aanvraagformulier van 20 december 1999 op naam van [eiser in conventie] , waarop het ATP-nummer 435 is ingevuld,
- een kopie van de overeenkomst van 23 december 1999 met contractnummer [contractnummer 2] , voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP00435 – [de tussenpersoon] B.V.”
- een kopie van de overeenkomst van 30 december 1999 met contractnummer [contractnummer 3] , voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP000435 – [de tussenpersoon] B.V.”
- een kopie van de website van [de tussenpersoon] , voorzien van de tekst:
“Dè financiële architecten voor u. Een dienstverlenend bedrijf in [vestigingsplaats] met als specialisatie “beleggen op maat”. Dus komt u bij ons voor beleggen – hypotheken – pensioenen – sparen met een verantwoord hoog rendement!”
- een verklaring van [betrokkene] omtrent de werkwijze en totstandkoming van de overeenkomsten door [de tussenpersoon] .
aanhoudingsverzoek
5.9.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.10.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.11.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.12.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser in conventie] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser in conventie] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser in conventie] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser in conventie] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser in conventie] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser in conventie] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser in conventie] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.13.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser in conventie] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eiser in conventie] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiser in conventie] voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser in conventie] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eiser in conventie] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser in conventie] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eiser in conventie]5.15. De door [eiser in conventie] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser in conventie] heeft gehandeld door [eiser in conventie] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Dexia niet alleen als klant aanbracht maar [eiser in conventie] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.16.
[eiser in conventie] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 42.252,58. Dexia heeft deze schadeberekening betwist. Dexia heeft gewezen op het bedrag van € 16.731,24 aan hoofdsom dat zij op 24 februari 2025 aan [eiser in conventie] als ‘onverplichte uitbetaling’ heeft uitgekeerd. Ook heeft Dexia gewezen op het bedrag van € 184,62 dat zij op 24 december 2001 aan [eiser in conventie] heeft uitgekeerd bij beëindiging van de overeenkomst ‘Triple Effect’. Volgens Dexia bedraagt de werkelijke schade van [eiser in conventie] daardoor € 25.336,71. [eiser in conventie] erkent dat de uitkering bij beëindiging van de overeenkomst ‘Triple Effect’ onterecht niet is meegenomen en past de schadeberekening daarom aan naar een bedrag van € 42.067,96. Verder betwist [eiser in conventie] niet dat hij € 16.731,24 heeft ontvangen, maar voert aan dat het niet zo hoort te zijn dat de door [eiser in conventie] verschuldigde wettelijke rente over de schade in mindering mag worden gebracht op de nog niet door haar vergoedde schade. Nu [eiser in conventie] niet kan narekenen waar de ‘onverplichte betaling’ uit bestaat, kan [eiser in conventie] dit niet meenemen in zijn schadeberekening.
5.17.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Zoals [eiser in conventie] heeft aangevoerd, heeft Dexia de opbouw van de € 16.731,24 niet toegelicht en ook niet onderbouwd. Weliswaar staat in het als productie 1 door Dexia overgelegde financiële overzicht in de kolom ‘Onverplichte uitbetaling’ een bedrag van € … aan rente, maar dat is gelet op de betwisting van [eiser in conventie] onvoldoende. Het had op de weg van Dexia gelegen om haar renteberekening inzichtelijk te maken. Dat betekent dat de kantonrechter ervan moet uitgaan dat de schadeberekening van [eiser in conventie] juist is.
5.18.
In de door [eiser in conventie] als productie J overgelegde brief waarin Dexia de betaling van de onverplichte uitbetaling aankondigt, staat:
“[…]
Belangrijk: deze betaling is onverplicht en wordt gedaan zonder erkenning van schuld. Het betreft een vooruitbetaling op een mogelijke vergoeding die u wellicht in rechte kunt krijgen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Mocht achteraf in rechte blijken dat de vooruitbetaling te laag is, dan zal Dexia de betaling aanvullen met hetgeen waartoe zij dan door een rechter veroordeeld wordt. Mocht achteraf blijken dat de vooruitbetaling te hoog en ten onrechte is gedaan, dan behoudt Dexia zich het recht voor de betaling geheel of gedeeltelijk van u terug te vorderen.
[…]”
5.19.
Hieruit leidt de kantonrechter af dat het bedrag van € 16.731,24 in het algemeen als een voorschot is betaald. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [eiser in conventie] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht, waarvan de juistheid door [eiser in conventie] , behoudens het bedrag van de ‘onverplichte uitbetaling’, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). Op deze uitkomst strekt vervolgens in minder het door Dexia betaalde bedrag van € 16.731,24
5.20.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.21.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser in conventie] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het incidentele verzoek van [eiser in conventie]
5.22.
verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van de aanvraagformulieren. Uit het voorgaande volgt dat [eiser in conventie] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
het incidentele verzoek van Dexia
5.23.
Dexia verzoekt dat [eiser in conventie] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.24.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser in conventie] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.25.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser in conventie] worden begroot op € 87,00.
vorderingen Dexia
5.26.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.27.
Omdat [eiser in conventie] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser in conventie] gevallen. De proceskosten van [eiser in conventie] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 954,47
5.28.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
5.29.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van [eiser in conventie]
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in het incident van Dexia
6.3.
wijst het verzoek af,
6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser in conventie] , tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser in conventie] heeft gehandeld door [eiser in conventie] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser in conventie] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser in conventie] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.6.
verklaart voor recht dat [eiser in conventie] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.7.
veroordeelt Dexia om aan [eiser in conventie] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.19.,
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.12.
wijst de vorderingen af,
6.13.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser in conventie] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
68348 560

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.