5.2.Artikel 2.4 van de Wnb luidt als volgt:
‘‘
1. Gedeputeerde staten leggen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, aan degene die in hun provincie een handeling verricht of het voornemen daartoe heeft, een verplichting op om:
Informatie over de handeling verstrekken;
De nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen;
De handeling overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften uit te voeren, of;
De handeling niet uit te voeren of te staken.
2. Ingeval in het belang van de bescherming van een Natura 2000-gebied een onverwijlde tenuitvoerlegging van een besluit als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is, kunnen gedeputeerde staten het besluit bekendmaken door mondelinge mededeling aan degene die de handeling verricht of het voornemen daartoe heeft. Gedeputeerde staten stellen het besluit zo spoedig mogelijk alsnog op schrift en zenden dit toe of reiken dit uit aan de belanghebbenden.
3. Provinciale staten stellen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, ten aanzien van categorieën van handelingen bij verordening regels, houdende verplichtingen als bedoeld in het eerste lid. Ten aanzien van deze handelingen geven gedeputeerde staten geen toepassing aan het eerste lid.
4. Het is verboden te handelen in strijd met een verplichting als bedoeld in het eerste of derde lid.’
Kan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb worden toegepast?
6. Verweerder betoogt dat er geen grondslag is om toepassing te geven aan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb. Toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb komt alleen aan de orde als de (dreigende) achteruitgang van een gebied duidelijk is toe te schrijven aan de activiteiten van één gebruiker, aldus verweerder. Dit leidt verweerder af uit verschillende passages uit de memorie van toelichting bij artikel 2.4 van de Wnben de Natuurbeschermingswet 1998.In dit geval is sprake van stikstofoverbelasting op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door verschillende activiteiten en daarom is niet de toepassing van artikel 2.4, eerste lid, maar juist van artikel 2.4, derde lid, van de Wnb volgens verweerder aangewezen. Verweerder stelt dat de vraag hoe invulling wordt gegeven aan artikel 2.4, derde lid, van de Wnb niet kan worden uitgevochten over de rug van één willekeurige individuele activiteit die geen relevante bijdrage aan de totale stikstofdepositie levert. De vraag of de Staat voldoende doet ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn kan volgens verweerder aan de orde komen in een civiele procedure.De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) noopt er volgens verweerder ook niet toe dat deze discussie in een dergelijke procedure wordt gevoerd. Uit deze rechtspraak volgt volgens verweerder alleen dat een ex-post beoordeling van een activiteit aan de orde is wanneer dat de enige passende maatregel is.