Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4939

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25/2066
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 461 SrArt. 5.9a OmgevingswetArt. 8.74t Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit wegens vrees voor misbruik

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, welke door de korpschef is geweigerd vanwege vrees voor misbruik. Deze weigering werd door de minister bevestigd na bezwaar. De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld en geoordeeld dat de weigering terecht is.

De weigering is gebaseerd op meerdere feiten, waaronder de intrekking van de eerdere jachtakte in 2021 vanwege het onjuist opbergen van wapens en munitie, meldingen van de ex-partner over conflicten en intimiderend gedrag, en een mutatierapport over het parkeren op verboden terrein met een intimiderende houding. Eiser voerde aan dat deze feiten onvoldoende zijn en dat hij als militair en schietinstructeur zorgvuldig met wapens omgaat.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht vrees voor misbruik heeft aangenomen, mede gelet op de combinatie van incidenten en gedragingen. Ook is geoordeeld dat de minister niet had hoeven volstaan met een minder vergaande maatregel en dat het besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de vergunning blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt ongegrond verklaard en de weigering blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2066

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. W.J. Liebrand),
en

de minister van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. P.J van der Woude).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de korpschef.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de door eiser ingediende aanvraag van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit (jachtakte). De korpschef heeft deze aanvraag met het besluit van 18 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Totstandkoming van het besluit

3. Bij besluit van 23 augustus 2021 heeft de korpschef van de politie de jachtakte van eiser ingetrokken, omdat op 2 juli 2021 op zijn zolder een vuurwapen en munitie buiten de kluis zijn aangetroffen. Nadat eiser daartegen administratief beroep had ingesteld, is de minister bij dat besluit gebleven. Bij uitspraak van 3 mei 2023 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister ongegrond verklaard. [1]
3.1.
Nadat eiser op 1 juli 2024 een nieuwe jachtakte heeft aangevraagd, heeft de korpschef van de Nationale Politie (de korpschef) bij beslissing van 18 oktober 2024 de aanvraag van eiser voor een jachtakte geweigerd in verband met ‘vrees voor misbruik’.
3.2.
De korpschef heeft dit overwogen omdat uit de screening in het Justitieel Documentatieregister en politiesysteem blijkt dat:
  • eiser zich op 29 oktober 2023 schuldig heeft gemaakt aan de overtreding ‘verboden toegang met gemotoriseerd verkeer’ als bedoeld in artikel 461 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
  • eiser op 21 oktober 2023 op het bureau Korpscheftaken te Ewijk aanwezig was voor een intakegesprek. Daarbij is gebleken dat er wel degelijk bijzonderheden omtrent hem bekend waren bij de politie;
  • eiser op 29 juni 2022 de telefoon van zijn ex-partner heeft afgepakt nadat zij weigerde informatie van haar telefoon te wissen. De verbalisanten hebben voorts vastgelegd dat eiser niet meewerkend was aan de bemiddeling en dat de houding tussen eiser en zijn ex-partner over en weer aanvallend was;
  • op 3 november 2022 sprake was van een conflict in de woning van de ex-partner van eiser aan de [locatie] te [plaats]. De ex-partner had eiser verzocht de woning te verlaten, waaraan hij geen gehoor heeft gegeven;
  • op 2 juli 2021 door de politie is geconstateerd dat op de zolder één wapen in een tas naast de wapenkluis stond en één wapen boven op een stapel buiten de kluis lag. Daarnaast lag er munitie boven op de kluis.
3.3.
Eiser heeft administratief beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef. Met de beslissing van 28 maart 2025 op het administratief beroep is de minister bij de weigering van de jachtakte gebleven.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
4. De beoordelingsregels voor de verlening van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit staan in artikel 5.9a van de Omgevingswet gelezen in verbinding met artikel 8.74t van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van het 8.74at, tweede lid, onder a, van het Bkl wordt zo’n vergunning geweigerd indien er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen of van de hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van populaties van in het wild levende dieren of het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen. [2] Dit is verder uitgewerkt in beleidsregels, vastgelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (Circulaire).
4.1.
Het weigeren van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering - ook naar vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - voldoende reden om een verlof niet te verlenen. De begrippen “niet langer kan worden toevertrouwd” wordt nader uitgelegd in de Circulaire. Volgens de Circulaire zijn “het niet langer kunnen toevertrouwen” en “vrees voor misbruik” twee verschillende omschrijvingen voor dezelfde situatie. [3] Vrees voor misbruik kan volgens de Circulaire onder andere blijken uit een veroordeling en andere rechterlijke uitspraken of uit andere omtrent de aanvrager bekende feiten. [4]
4.2.
Bij de beoordeling of deze geringe twijfel aanwezig is, mogen de korpschef en de minister ook niet uit veroordelingen gebleken informatie, zoals processen-verbaal en de feiten en omstandigheden die daaruit naar voren komen, bij hun besluitvorming betrekken. [5]
Mocht de minister uitgaan van de meldingen van de ex-partner en de mutatierapporten?
Meldingen ex-partner
5. Eiser stelt dat de incidenten met zijn ex-partner uit hun verband zijn gehaald. De ex-partner heeft in 2022 tweemaal een melding gemaakt bij de politie, waarvan een mutatierapport is opgesteld. Deze meldingen heeft zij later ingetrokken; zij heeft aangegeven dat zij op dat moment “niet lekker in haar vel” zat. De minister geeft weliswaar aan dat de meldingen zijn ingetrokken, maar stelt dat daarmee niet vaststaat dat de omschreven feiten niet hebben plaatsgevonden. Dit is volgens eiser een feitelijke stellingname die niet met concrete feiten is onderbouwd. Uit een vertrouwelijk rapport van de GGD Gelderland van 7 juli 2023 zou blijken dat de ex-partner van eiser een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis heeft. Daarom is volgens eiser aannemelijk dat de melding in 2022 niet berust op een feitelijke situatie waarin zij zich bedreigd heeft gevoeld, maar samenhangt met haar psychische gesteldheid. De verklaringen van de ex-partner vormen volgens eiser daarom geen twijfel die is gebaseerd op een objectief toetsbare motivering. [6]
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat uit de meldingen van de ex-partner blijkt dat eiser gedrag heeft vertoond dat niet past bij een jachtaktehouder. Dat deze meldingen zijn ingetrokken, neemt niet weg dat de ex-partner op het moment van melden kennelijk de noodzaak voelde de politie in te schakelen. Bovendien staan de meldingen van de ex-partner ook niet op zichzelf en worden deze onderbouwd door de mutatierapporten. De rechtbank acht met name het mutatierapport van 29 juni 2022 van belang. In dit rapport staan ook de observaties van de politieagenten die ter plaatse waren. Beschreven wordt weliswaar dat geen geweld is gebruikt en dat het zoontje van eiser en zijn ex-partner niet geschrokken overkwam, maar ook dat eiser ‘totaal niet meewerkend in bemiddeling’ is en ‘alles naar zijn zin wil hebben’. Verder blijkt uit het rapport dat de ex-partner zich op dat moment niet veilig voelde bij eiser en dat de agenten de houding van eiser ook als kinderachtig hebben ervaren. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarom waarde mocht hechten aan de meldingen van de ex-partner en het mutatierapport van 29 juni 2022.
Mutatierapport 1 december 2023
5.2.
Eiser betwist dat hij zich dwingend, intimiderend of onbehoorlijk zou hebben uitgelaten jegens de boa die hij aantrof toen hij wilde wegrijden uit het Groesbeekse bos. Daarbij zou hij zich niet hebben voorgedaan als faunabeheerder, een functie die hij tot 2021 in die regio wel heeft vervuld. In de rechtspraak is bovendien geen enkele zaak te vinden waarin fout parkeren een relevante onderbouwing vormt voor de gestelde (geringe) vrees voor misbruik. Op de reguliere parkeerplaats op het betreffende bosperceel vinden regelmatig vernielingen plaats; dit was voor eiser reden om zijn auto niet daar, maar elders te plaatsen op een plek achter de slagbomen. Dit zou hem niet verweten moeten worden. Daarnaast is er geen boete opgelegd.
5.3.
Ten aanzien van het mutatierapport van 1 december 2023 over het parkeren achter de slagbomen op 29 oktober 2023 oordeelt de rechtbank dat eiser niet gemotiveerd heeft betwist dat hij in strijd met de geldende regels zijn auto heeft geparkeerd op een plek in het bos waar dat niet mocht. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een mutatierapport; de bewijskracht kan alleen door een gemotiveerde betwisting worden aangetast. [7] De rechtbank is van oordeel dat wat eiser heeft aangevoerd als tegenbewijs geen twijfel wekt aan de juistheid van het mutatierapport. De enkele ontkenning van de in het mutatierapport genoemde meldingen is onvoldoende. Dat het mutatierapport is opgemaakt door een collega van de boa die de overtreding heeft geconstateerd betekent niet dat er geen waarde meer aan het mutatierapport toegekend mag worden. Uit het mutatierapport blijkt dat eiser intimiderend overkwam op de boa. Daarnaast heeft eiser tegenover de boa verklaard dat hij faunabeheerder was en een document getoond met het logo van Staatsbosbeheer. De ontheffing was echter slechts geldig tot en met 31 maart 2021 en was op 29 oktober 2023 dus al geruime tijd verlopen. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij wist dat hij niet achter de slagbomen mocht parkeren, maar dit toch deed omdat er regelmatig vandalisme zou plaatsvinden bij het bosperceel. Ondanks dat het gaat om een lichte overtreding, waarvoor geen boete is opgelegd, heeft de korpschef/minister onder meer op basis van deze gedragingen ‘vrees voor misbruik’ kunnen aannemen omdat eiser wist dat hij daar niet mocht parkeren en er toch bewust voor heeft gekozen om deze regel te negeren omdat hem dit op dat moment beter uitkwam.
Heeft de minister kunnen concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik?
6. Eiser stelt dat de minister enkel teruggrijpt op de gebeurtenis in 2021, toen door de politie is geconstateerd dat wapens en munitie buiten de kluis lagen. Deze kwestie dateert inmiddels van vier jaar geleden en heeft volgens eiser geen relevantie meer voor de onderhavige aanvraag, nu geen sprake is geweest van een overtreding of strafbaar feit als bedoeld in artikel 8.74t, tweede lid, van het Bkl. Door uitsluitend hierop terug te grijpen, is volgens eiser geen sprake van een zelfstandige belangenafweging. Ook is geen nader onderzoek verricht en zijn geen inlichtingen ingewonnen bij Defensie (de werkgever van eiser), referenten of zijn huidige partner. Verder wordt voorbijgegaan aan het feit dat eiser als militair, schietinstructeur en sniper juist zeer bewust omgaat met wapens en munitie. Eiser wijst erop dat vóór het incident in 2021 geen eerdere incidenten hebben plaatsgevonden die twijfel rechtvaardigen aan zijn geschiktheid om in het bezit te zijn van een jachtakte. Verder is eiser van onbesproken gedrag, beschikt hij niet over een strafblad, is hij in het bezit van een diplomatiek paspoort - hetgeen inhoudt dat hij wapens over de grens kan vervoeren - en wordt hij beroepsmatig regelmatig gescreend op mentale stabiliteit, betrouwbaarheid en veiligheid.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van vrees voor misbruik van wapens en munitie. De minister heeft zich op dit standpunt mogen stellen, omdat eiser zich in 2021 niet heeft gehouden aan de voorschriften voor het opbergen van zijn jachtgeweer, hetgeen heeft geleid tot intrekking van zijn jachtakte bij beslissing van de korpschef en ongegrondverklaring van zijn beroep bij uitspraak van 3 mei 2023. [8] Ten tijde van het besluit op beroep had deze gebeurtenis minder dan vier jaar daarvoor plaatsgevonden. Dat is nog niet zodanig lang, dat hieraan geen betekenis meer toekomt. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.3 is overwogen, komt daarbij dat het mutatierapport van 1 december 2023 en de twee meldingen van de ex-partner in combinatie met het mutatierapport van 29 juni 2022, de conclusie rechtvaardigen dat ten tijde van belang sprake is van vrees voor misbruik. Dat eiser als schietinstructeur en sniper bekend is met de omgang met wapens en munitie, doet hier niet aan af. Het gebruik van wapens vindt dan namelijk niet binnen de privésfeer plaats. Het betoog slaagt niet.
Had de minister voor een minder vergaande maatregel moeten kiezen?
7. Eiser stelt dat de minister had kunnen volstaan met een minder vergaande maatregel; het wettelijk kader biedt daarvoor ruimte. Deze mogelijkheid wordt beschreven onder a van de Circulaire, paragraaf 1.2. [9] Daarnaast stelt eiser dat hij inmiddels in een stabiele relatie verkeert en goede afspraken heeft met zijn ex-partner over de omgang met hun zoon, die regelmatig bij hem verblijft. Hierdoor is het weinig aannemelijk dat hij met een jachtakte een gevaar voor de samenleving zou vormen. Daarom kan het bezit van wapens en munitie, en daarmee de jachtakte, nog steeds aan hem worden toevertrouwd.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit de Circulaire volgt dat de korpschef een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit niet hoeft te weigeren als sprake is van een lichte onregelmatigheid; in dat geval kan worden volstaan met een minder vergaande maatregel. Volgens de Circulaire gaat het bij een lichte onregelmatigheid om kleine onjuistheden of slordigheden. [10] Gelet op de overtreding in 2021, het intimiderende optreden tegenover de boa en het conflict met de ex-partner en het daarbij door eiser vertoonde gedrag, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een lichte onregelmatigheid waarvoor met een schriftelijke waarschuwing had moeten worden volstaan. Het betoog slaagt niet.
Is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
8. Eiser stelt dat de maatregel niet proportioneel is in verhouding tot het daarmee te dienen doel. Voor hem zijn jacht en populatiebeheer sinds zijn jeugd een belangrijke passie en vorm van ontspanning. Er is volgens hem geen reden om aan te nemen dat hij de regels zal overtreden of misbruik zal maken van zijn bevoegdheid. De korpschef kan hem bovendien blijven controleren op naleving van de voorschriften, terwijl zijn werkzaamheden bij Defensie een extra controlelaag vormen. Het bestuursorgaan heeft in dit kader een zekere beoordelingsruimte. Voor de toepassing van het evenredigheidsbeginsel verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021. [11] Een minder verstrekkende maatregel, al dan niet met een proeftijd, zou volgens hem passender zijn geweest.
8.1.
De rechtbank begrijpt dat de persoonlijke gevolgen van de weigering van de jachtakte voor eiser groot zijn. Volgens artikel 8.74t, tweede lid, onder a, van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit geweigerd als sprake is van vrees voor misbruik. Dit is een dwingende formulering. Als er zulke aanwijzingen zijn, is er geen ruimte voor een afweging van de belangen van eiser. Dat neemt niet weg dat alle relevante omstandigheden van het geval moeten worden betrokken bij de beoordeling of er zulke aanwijzingen zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister mocht concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik. Bovendien is het niet onevenredig dat niet voor een minder ingrijpende maatregel is gekozen.
8.2.
De uitspraak waarnaar eiser verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak ging het om de vraag of de bergplaats voor wapens en/of munitie deugdelijk was verankerd in de vloer of muur. De Afdeling oordeelde dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat de verankering ondeugdelijk was en dat intrekking, zonder voorafgaande waarschuwing, om die reden niet evenredig was. Daarbij woog mee dat de vergunninghouder al ongeveer 35 jaar in het bezit was van een jachtakte en dat niet was gebleken van eerdere onregelmatigheden. Die situatie verschilt wezenlijk van de onderhavige zaak en is daarom hier niet van toepassing. Het betoog slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit te verlenen in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Artikel 8.74t, tweede lid, onder a, van het Bkl.
3.Paragraaf 1.1 van de Circulaire.
4.Paragraaf 1.2 van de Circulaire.
5.Uitspraak van de Afdeling van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2904.