ECLI:NL:RBGEL:2026:5305

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
ARN 25/1792, 25/2744 en 25/6606
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 3:3 AwbArt. 3:4 AwbArt. 4:5 AwbArt. 5:39 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen handhaving en weigering legalisatie splitsing woning in strijd met Omgevingswet

Eiseres is eigenaar van een pand dat gesplitst is in acht zelfstandige wooneenheden zonder vereiste vergunningen, in strijd met de Omgevingswet en veiligheidsvoorschriften. Het college legde last onder dwangsom op en dwangsommen werden verbeurd en ingevorderd. Eiseres voerde beroep in tegen deze besluiten en tegen het buiten behandeling laten van een aanvraag tot legalisatie van de splitsing.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende heeft gemotiveerd dat bijzondere omstandigheden bestaan die invordering van de dwangsommen onevenredig maken. De aanvraag tot legalisatie werd terecht buiten behandeling gelaten wegens het ontbreken van noodzakelijke aanvullende gegevens. De e-mailcorrespondentie tussen eiseres en het college vormt geen besluit in de zin van de Awb.

De beroepen worden ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen vergoeding van proceskosten. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De beroepen van eiseres tegen de handhavings- en invorderingsbesluiten en het buiten behandeling laten van de aanvraag worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/1792, 25/2744 en 25/6606

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats 1], eiseres

(gemachtigde: D. van Dam),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem

(gemachtigde: mr. M. Mintjes en M.C. Staring).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de zaken met zaaknummers 25/1792, 25/2744 en 25/6606, die allemaal betrekking hebben op het pand aan de [locatie] in [plaats 2]. Eiseres is eigenaresse van het pand en is het niet eens met de besluiten die het college heeft genomen. Zij voert verschillende beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De rechtbank heeft de verschillende beroepsprocedures van eiseres met zaaknummers 25/1792, 25/2744 en 25/6606 op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.

Inleiding

3. De beroepsprocedures gaan samengevat over (a) het handhavend optreden door het college tegen het splitsen en in strijd met verschillende veiligheidsvoorschriften (laten) gebruiken van haar woning, (b) het niet in behandeling nemen van een aanvraag ter legalisering en (c) de vraag speelt of de e-mailwisseling tussen eiseres en het college kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De rechtbank zal als eerste de zaak met betrekking tot de last onder dwangsom en de tussentijds genomen invorderingsbesluiten van 25 juni 2025 en 17 september 2025 behandelen (25/1792). Vervolgens behandelt de rechtbank de zaak waarin de vraag is voorgelegd of de aanvraag van 19 juni 2025 terecht door het college buiten behandeling is gesteld (25/6066). Ten slotte gaat de rechtbank in op de e-mailwisseling tussen eiseres en het college (25/2744).

Totstandkoming van het besluit (25/1792)

4. Bij besluiten van 8 juni 2021 en 10 juni 2022 heeft het college aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd om de splitsing van het pand in acht zelfstandige wooneenheden ongedaan te maken en ongedaan te houden. Aan deze last heeft eiseres niet voldaan, zodat dwangsommen van in totaal € 30.000,– zijn verbeurd. Deze dwangsommen worden momenteel via de deurwaarder ingevorderd.
4.1.
Op 21 mei 2024 hebben toezichthouders opnieuw een controle van het pand uitgevoerd. Geconstateerd is dat de splitsing van het pand in acht zelfstandige wooneenheden niet ongedaan is gemaakt en dat de cv-installatie en de brandblusmiddelen niet periodiek zijn onderhouden.
4.2.
Op 20 juni 2024 is het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom verzonden. Tegen dit voornemen is geen zienswijze ingediend.
4.3.
Bij besluit van 23 juli 2024 heeft het college eiseres een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende:
- de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet te beëindigen en herhaling daarvan te voorkomen. Eiseres kon hieraan voldoen door de splitsing van het pand in acht zelfstandige wooneenheden binnen drie maanden na verzending van het besluit ongedaan te maken en ongedaan te houden. Het college bepaalde de hoogte van de dwangsom op € 150.000,– per geconstateerde overtreding per week indien niet tijdig en/of niet volledig aan deze last werd voldaan, met een maximumbedrag van € 300.000,–;
- de overtreding van de artikelen 2.6 en 6.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) te beëindigen en herhaling daarvan te voorkomen. Eiseres kon hieraan voldoen door binnen zes weken na de dag van verzending van het besluit de cv-installatie periodiek te laten onderhouden en te laten keuren door een gecertificeerd bedrijf. Het college bepaalde de hoogte van de dwangsom op € 2.500,– per geconstateerde overtreding per week indien niet tijdig en/of niet volledig aan deze last werd voldaan, met een maximumbedrag van € 10.000,–;
- de overtreding van artikel 6.35 van het Bbl te beëindigen en herhaling daarvan te voorkomen. Eiseres kon hieraan voldoen door binnen zes weken na de dag van verzending van het besluit de aanwezige brandblusmiddelen ten minste eenmaal per twee jaar op adequate wijze door een deskundig bedrijf te laten onderhouden, waarbij ook de goede werking van de blustoestellen wordt gecontroleerd. Het college bepaalde de hoogte van de dwangsom op € 2.500,– per geconstateerde overtreding per week indien niet tijdig en/of niet volledig aan deze last werd voldaan, met een maximumbedrag van € 10.000,–.
4.4.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 maart 2025 heeft het college het besluit in stand gelaten, met dien verstande dat:
- de hoogte van de dwangsom voor de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet wordt herroepen en vastgesteld op € 7.500,– per geconstateerde overtreding per week, met een maximumbedrag van € 75.000,–;
- de wettelijke grondslag wordt aangevuld met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 3.3 van het Facetplan parkeren (onderdeel van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente Arnhem) en artikel 3.124 in samenhang met artikel 3.127 en artikel 6.35 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
4.5.
Op 29 maart 2025 heeft eisers beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 13 mei 2025 is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Lopende het beroep heeft de voorzieningenrechter dit verzoek bij uitspraak van 23 mei 2025 afgewezen. [1]
4.6.
Op 4 november 2024 heeft een toezichthouder geconstateerd dat de woningsplitsing niet ongedaan is gemaakt en dat daarmee niet aan de last is voldaan. Het voornemen tot invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsom ter hoogte van
€ 7.500,– is op 19 mei 2025 verzonden. Op 1 juni 2025 heeft eiseres een zienswijze ingediend. Op 25 juni 2025 heeft het college het invorderingsbesluit verzonden. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt, dat onder verwijzing naar artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is toegezonden aan de rechtbank.
4.7.
Op 9 april 2025 heeft een toezichthouder geconstateerd dat de woningsplitsing niet ongedaan is gemaakt en dat daarmee niet aan de last is voldaan. Het voornemen tot invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsom ter hoogte van € 7.500,– is op 4 juli 2025 verzonden. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze in te dienen. Op 17 september 2025 is het invorderingsbesluit verzonden. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt, dat onder verwijzing naar artikel 5:39, eerste lid, van de Awb is toegezonden aan de rechtbank.
4.1
Tijdens de beroepsprocedures tegen de invorderingsbesluiten zijn verzoeken om voorlopige voorzieningen ingediend. Bij uitspraken van 24 december 2025 heeft de voorzieningenrechter deze verzoeken afgewezen. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente [3] . Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
5.1.
Op het perceel van het pand gelegen aan de [locatie], was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Burgemeesterwijk - Transvaalbuurt 2013’, 'Facetplan parkeren' en 'Facetplan woningsplitsing en verkamering’ van kracht. Deze bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Arnhem. Aan het onderhavige perceel is de bestemming wonen toegekend, met als functieaanduiding ‘horeca van categorie e’. [4]
5.2.
Uit artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 3.3. van het Facetplan parkeren, volgt dat het niet toegestaan is om zonder vereiste omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken of laten gebruiken waarbij niet in voldoende mate ruimte is aangebracht en in stand wordt gehouden op eigen terrein voor (de toename in) de parkeer- of stallingsbehoefte.
5.3.
Uit artikel 2.6, aanhef en onder b, van het Bbl volgt dat de eigenaar van het bouwwerk waar een bouwwerkinstallatie (zoals c.v-installatie) aanwezig is, er voor zorg moet dragen dat deze bouwwerkinstallatie adequaat wordt beheerd, onderhouden en gecontroleerd. Uit artikel 6.4, aanhef en onder a. van het Bbl volgt dat degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van het gebruik een brandgevaarlijke situatie kan ontstaan, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om te voorkomen dat brandgevaar wordt veroorzaakt.
5.4.
Uit artikel 3.124 in samenhang met artikel 3.127 en artikel 6.35 van het Bbl volgt dat draagbare blustoestellen die duidelijk zichtbaar in de gemeenschappelijke ruimten moeten hangen of met een pictogram als bedoeld in Nen 3011 zijn gemarkeerd, ten minste eenmaal per twee jaar op adequate wijze wordt onderhouden, waarbij ook de goede werking van dat blustoestel wordt gecontroleerd.
Overtreding
5.4.
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet gemotiveerd betwist heeft dat sprake is van de in de last onder dwangsom genoemde overtredingen. In het beroepschrift staat dat eiseres opkomt tegen de invorderingsbesluiten. Dit is ook bevestigd tijdens de zitting. De beroepsgronden van eiseres zien dan ook enkel op de invorderingsbesluiten en niet op het opleggen van de last onder dwangsom als zodanig.

Invorderingsbesluiten van 25 juni 2025 en 17 september 2025

6. Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, heeft het beroep tegen een last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
Beginselplicht tot invordering
6.1.
Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [5]
Is sprake van bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien?
6.2.
Eiseres heeft meerdere gronden aangevoerd die betrekking hebben op de evenredigheid van de invorderingsbesluiten. De rechtbank zal deze beroepsgronden eerst afzonderlijk bespreken en vervolgens beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat invordering van de dwangsommen onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
Financiële schade
6.2.1.
Eiseres stelt dat de invorderingen leiden tot onevenredige financiële schade. Haar financiering zou per 1 februari 2025 aflopen. Herfinanciering zou worden belemmerd doordat het college blijft vasthouden aan de invordering van de dwangsommen. Dit zou ertoe leiden dat het pand door de bank wordt uitgewonnen en ver onder de marktwaarde wordt verkocht. Indien invordering leidt tot onevenredige schade, zou volgens eiseres op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van invordering moeten worden afgezien. [6]
6.2.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de financiële draagkracht in beginsel geen aspect is dat wordt betrokken bij de beslissing om tot invordering over te gaan. De draagkracht van de overtreder kan in de regel pas in de executiefase ten volle worden meegewogen. Voor een uitzondering op deze regel bestaat slechts aanleiding indien evident is dat de overtreder, gelet op zijn financiële draagkracht, niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Op de overtreder rust de last dit aannemelijk te maken en daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in haar financiële situatie en in de gevolgen die betaling van de verbeurde dwangsommen voor haar zou hebben. [7] Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet van dien aard dat het college van invordering van de verbeurde dwangsommen had moeten afzien. De rechtbank merkt daarnaast op dat de door eiseres aangehaalde uitspraak geen betrekking heeft op de kwestie die in dit geval voorligt en daarom niet kan dienen ter onderbouwing van haar stelling.
Concreet zicht op legalisatie
6.2.3.
Eiseres stelt dat zij op 21 maart 2026 een aanvraag heeft ingediend die strekt tot legalisatie van de bestaande situatie (splitsing). Deze aanvraag zou voorafgaand aan de indiening zijn afgestemd met de gemeente en wordt momenteel in behandeling genomen.
6.2.4.
Voor zover eiseres betoogt dat concreet zicht op legalisatie ook moet worden meegewogen als bijzondere omstandigheid, oordeelt de rechtbank als volgt. Als op het moment van het nemen van het invorderingsbesluit concreet zicht op legalisatie bestond, is dat geen bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. [8] Bovendien heeft eiseres op 21 maart 2026 slechts een ruimtelijk initiatief ingediend. Dit betreft geen formele aanvraag en evenmin een verzoek om legalisatie in de hiervoor bedoelde zin.
Punitief karakter
6.2.5.
Eiseres stelt dat de overtredingen inmiddels zouden zijn beëindigd. Het doel van de last onder dwangsom, het beëindigen van de overtredingen, zou daarmee zijn bereikt. Uit uitspraken van de Afdeling zou volgen dat, als een overtreding is beëindigd en het bestuursorgaan de dwangsom uitsluitend nog een bestraffend karakter geeft, dit aanleiding kan zijn om van invordering af te zien. [9] Daarnaast zou uit rechtspraak van de Afdeling volgen dat invordering niet langer noodzakelijk is als de illegale situatie is beëindigd en de last onder dwangsom zijn doel heeft bereikt. [10]
6.2.6.
De rechtbank stelt vast dat tijdens de controle van 4 november 2024 is geconstateerd dat het pand nog steeds was gesplitst in acht zelfstandige wooneenheden. Dit betekent dat de bouwkundige transformatie niet ongedaan was gemaakt en dat van rechtswege een dwangsom van € 7.500,- is verbeurd. Op 6 februari 2025 heeft de toezichthouder vastgesteld dat zes appartementen leegstonden, één appartement werd bewoond en één appartement niet is betreden. Dit betekent echter niet dat de bouwkundige transformatie ongedaan is gemaakt, zoals eiseres stelt. De rechtbank merkt bovendien op dat aan het belang van invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Ten aanzien van de door eiseres aangehaalde uitspraken merkt de rechtbank hetzelfde op als in overweging 6.2.2.
Fair play en evenredigheidsbeginsel
6.2.7.
Eiseres stelt dat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht dat het rekening houdt met de belangen van de burger, zeker wanneer de juridische status van een maatregel nog onderwerp is van rechterlijke toetsing. Het direct invorderen van een geldsom voordat de rechter zich heeft uitgesproken over de rechtmatigheid van de onderliggende last, is volgens eiseres in strijd met het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb) en het fair play-beginsel (artikel 2:4 van Pro de Awb). Eiseres stelt dat uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat het bestuursorgaan in bepaalde omstandigheden voorzichtig moet zijn met het daadwerkelijk effectueren van een invordering, zolang niet op bezwaar of beroep is beslist. [11]
6.2.8.
De beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft tegen beide invorderingsbesluiten een voorlopige voorziening aangevraagd, de voorzieningenrechter heeft vervolgens in beide gevallen geoordeeld dat geen sprake is van een onomkeerbare situatie voor eiseres, zoals een faillissement of acute financiële nood, zodat een spoedeisend belang ontbreekt. [12] Ten aanzien van de door eiseres aangehaalde uitspraak merkt de rechtbank hetzelfde op als in overweging 6.2.2.
Begunstigingstermijn
6.2.9.
Eiseres stelt dat er sprake is van een onredelijke termijnstelling. De opgelegde begunstigingstermijn van drie maanden was onrealistisch gezien de marktomstandigheden. [13]
6.2.10.
Voor zover eiseres betoogt dat de begunstigingstermijn ook moet worden meegewogen als bijzondere omstandigheid, oordeelt de rechtbank dat eiseres deze grond had moeten richten tegen de last onder dwangsom. Bovendien acht de rechtbank een begunstigingstermijn van drie maanden niet onevenredig kort, mede gelet op het feit dat eerder al tweemaal een last onder dwangsom is opgelegd en dwangsommen zijn verbeurd. Eiseres heeft ook onvoldoende gemotiveerd waarom deze termijn onredelijk zou zijn. Ten aanzien van de door eiseres aangehaalde uitspraak merkt de rechtbank hetzelfde op als in overweging 6.2.2.
Misbruik van bevoegdheid
6.2.11.
Eiseres stelt dat het college haar lijkt te willen bestraffen voor gebeurtenissen uit het verleden. Volgens eiseres blijkt dit uit het feit dat het college niet tijdig op haar bezwaar heeft beslist en pas heeft gereageerd nadat de rechtbank daartoe aanleiding had gegeven. Volgens eiseres duidt dit op misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:3 van Pro de Awb.
6.2.12.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet onderbouwd gemotiveerd heeft dat het college misbruik maakt van zijn bevoegdheid. De enkele stelling dat niet op haar bezwaar is beslist, is daarvoor onvoldoende.
Conclusie over de evenredigheid van het besluit
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet. Alles in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het college geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien.

Totstandkoming van het besluit (Zaak: 25/6066)

7. Op 19 juni 2025 heeft eiseres een aanvraag voor tijdelijke huisvesting van buitenlandse studenten en stagiairs die gedurende een beperkte periode (volgens eiseres veelal 3 tot 6 maanden) in Nederland verblijven. Het college heeft bij brief van 26 juni 2025 verzocht om aanvulling van de aanvraag. Volgens het college waren de ingediende stukken onvoldoende om tot een inhoudelijke beoordeling te komen. Om die reden heeft het college verzocht de ontbrekende of onvolledige gegevens uiterlijk op 24 juli 2025 aan te vullen. Het college heeft de volgende aanvullende gegevens opgevraagd:
  • Plattegrondtekeningen bestaand en nieuw voorzien van brandcompartimentering;
  • Doorsnedetekening voorzien bestaand en nieuwe voorzien van brandcompartimentering;
  • Detaillering brandafscheiding;
  • Parkeerbalans/motivatie;
  • Etfal;
- Participatieverslag level 2.
7.1.
Eiseres heeft niet gereageerd op het verzoek om aanvullende stukken in te dienen. Om die reden heeft het college bij besluit van 31 juli 2025 besloten de aanvraag buiten behandeling te laten. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
7.2.
Bij het bestreden besluit van 9 december 2025 heeft het college het primaire besluit in stand gelaten. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

Is er sprake van procesbelang?
8.1.
Het college stelt dat eiseres geen procesbelang meer heeft, omdat zij met haar bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2025 niet meer of een gunstiger resultaat kan bereiken dan met de behandeling en beoordeling van haar nieuwe aanvraag van 2 september 2025.
8.2.
Eiseres stelt schade te hebben geleden. Zij heeft het pand niet kunnen verhuren, terwijl haar kosten en hypotheeklasten zijn blijven doorlopen.
8.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep onder meer bestaan als wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van de betrokken bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het besluit. [15]
8.4.
De rechtbank overweegt dat eiseres tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit heeft geleid tot schade. Doordat eiseres het pand niet kon verhuren heeft zij inkomsten misgelopen.
Heeft het college in redelijkheid kunnen stellen dat de overgelegde gegevens niet voldoende waren?
9. Eiseres stelt dat met name de tekeningen en de gegevens over de brandcompartimentering ten onrechte zijn opgevraagd, omdat er in het pand niets wordt gewijzigd. In zo’n situatie is het vragen om bouwtekeningen met maatvoering niet relevant. Eiseres stelt verder dat het pand de functie logies al heeft en in het verleden ook als zodanig werd gebruikt. Eiseres zou daarom niet om een functiewijziging hebben gevraagd, maar enkel of het beschreven gebruik binnen die bestaande logiesfunctie valt.
9.1.
In artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat het college kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, wanneer de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het aan het college is om te beoordelen of het over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om een besluit op een aanvraag te nemen. [16] Gelet hierop moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het college in redelijkheid om de aanvullende stukken heeft kunnen vragen om de aanvraag te kunnen beoordelen.
9.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet alle gegevens heeft verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een bouwactiviteit waarbij tussen partijen in geschil is of het voorgenomen en in de aanvraag beschreven gebruik (verhuur van onzelfstandige kamers aan buitenlandse studenten) in overeenstemming is met de bestemming ‘logies’. Zij heeft daarbij expliciet gevraagd om te bevestigen dat dit gebruik is toegestaan.. Het college heeft zich gelet op het voorgenomen gebruik en de daarover verstrekte informatie op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit, bestaande uit het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in afwijking van het bestemmingsplan. De rechtbank stelt voorop dat eiseres de gevraagde parkeerbalans, inclusief motivering, niet heeft verstrekt. De parkeerbalans is relevant voor de beoordeling van de aangevraagde vergunning en vormt daarom op zichzelf al voldoende grond om de aanvraag buiten behandeling te laten. Verder merkt de rechtbank op dat eiseres het pand in het verleden heeft gewijzigd zonder te beschikken over de daarvoor vereiste vergunning. Dit heeft geleid tot diverse handhavingsprocedures die onder meer betrekking hebben op voorschriften inzake brandveiligheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, mede gelet op deze voorgeschiedenis, de gevraagde tekeningen en gegevens over de brandcompartimentering terecht opgevraagd. Eiseres heeft deze gegevens, evenals de overige gevraagde gegevens, niet binnen de gestelde termijn aangeleverd. Door het ontbreken van deze gegevens heeft het college geen inhoudelijke beoordeling kunnen verrichten, zodat het in redelijkheid heeft kunnen besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten.
Overige beroepsgronden
10. De stellingen van eiseres dat met de aanvraag enkel om uitleg van het begrip ‘logies’ werd gevraagd, dat het college herhaaldelijk heeft nagelaten een inhoudelijk oordeel te geven en dat het de buitenbehandelingstelling heeft misbruikt om een inhoudelijk oordeel te ontwijken, zijn niet onderbouwd gemotiveerd. Bovendien doen deze stellingen niet af aan de conclusie in rechtsoverweging 9.2. Ook de stelling van eiseres dat zij door de handelswijze van het college financieel en juridisch nadeel lijdt, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betreft namelijk geen belang dat kan worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of het college de aanvraag buiten behandeling mocht laten. De beroepsgronden slagen niet.

E-mailwisseling (25/2744)

11. Eiseres stelt dat de reactie van het college, zoals verwoord in de e-mailcorrespondentie van 10 juni 2025 en definitief bevestigd per e-mail van 21 juni 2025 een besluit behelzen. Dit besluit zou inhouden dat het door haar voorgenomen gebruik van het pand aan de [locatie] - te weten tijdelijke huisvesting van buitenlandse stagiairs en studenten voor een duur van maximaal zes maanden - niet wordt aangemerkt als logiesfunctie, maar als wonen dan wel kamerverhuur, hetgeen volgens de gemeente in strijd is met het geldende omgevingsplan. Volgens eiseres vormen de reacties van het college een schriftelijke beslissing van een bevoegd bestuursorgaan met rechtsgevolgen voor de aanwending en juridische aanvaardbaarheid van het gebruik van het pand. Het betreft daarom volgens eiseres een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, waartegen beroep openstaat op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

Is er sprake van een besluit?
11.1.
In artikel 1:3 van Pro de Awb staat dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen [17] , heeft een beslissing rechtsgevolg, als zij er op is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, of een juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.
11.2.
De rechtbank merkt de e-mailwisseling aan als een verzoek om beginselbereidheid te bepalen in het kader van een nieuw ruimtelijk initiatief voor het gebruik van het pand aan de [locatie]. Bij een dergelijk initiatief ligt de vraag voor of het college eventueel bereid is medewerking te verlenen als een aanvraag wordt ingediend om af te wijken van het omgevingsplan. Er is daarom geen sprake van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, maar hooguit van een principeverzoek. Een beslissing op een principeverzoek is niet op rechtsgevolg gericht en daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. [18] De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen van eiseres in de zaken 25/1792, 25/2744 en 25/6606 zijn ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ARN 25/1515, ECLI:NL:RBGEL:2025:3989.
2.ARN 25/3849, ECLI:NL:RBGEL:2025:11461 en ARN 25/4262, ECLI:NL:RBGEL:2025:11462.
3.Artikel 22.1 Omgevingswet en artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet
4.Horecabedrijven gericht op het verstrekken van logies met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden of dranken voor gebruik ter plaatse, zoals hotels, pensions en bed en breakfast -bedrijven met meer dan vier slaapplaatsen.
5.Zie bijvoorbeeld ELCI:L:RVS:2025:887.
8.Uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2686.
12.ARN 25/3849, ECLI:NL:RBGEL:2025:11461 en ARN 25/4262, ECLI:NL:RBGEL:2025:11462.
14.ETFAL staat voor Evenwichtige Toedeling van Functies aan Locaties.
17.Zie bijvoorbeeld in de uitspraken van 30 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3065, en van 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:99.