ECLI:NL:RBGEL:2026:583

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
ARN 24_7979
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PwArt. 18a PwArt. 23 Wetboek van StrafrechtArt. 58 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bijstand en oplegging boete wegens niet melden onroerend goed in Turkije

Eiser ontving bijstand die werd beëindigd en teruggevorderd omdat hij niet had gemeld dat hij onroerend goed in Turkije had geërfd. Het college legde ook een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiser voerde aan dat het college al op de hoogte was en dat hij niet over het vermogen kon beschikken zolang de erfenis niet was verdeeld.

De rechtbank oordeelde dat eiser een actieve inlichtingenplicht had en het bezit van onroerend goed had moeten melden. Het feit dat het college tijdens een gesprek met zijn moeder op de hoogte was van het onroerend goed, betekent niet dat het ook wist van het erven door eiser. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat hij niet over het vermogen kon beschikken en had onvoldoende onderbouwd dat de waarde van het onroerend goed lager was dan vastgesteld.

De rechtbank vond dat het college terecht de bijstand had beëindigd, teruggevorderd en de boete had opgelegd. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg het griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het beroep tegen beëindiging bijstand, terugvordering en boete wegens niet melden onroerend goed in Turkije wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7979

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C. de Vries),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, het college

(gemachtigden: S.M. Hasselbank en E. Okubazghi).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van het recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) van eiser met ingang van 12 maart 2024, de intrekking van de aan eiser verstrekte bijstand over de periode 22 juli 2022 tot en met 12 maart 2024, de terugvordering van bijstand tot een bedrag van € 30.844,53 en de boeteoplegging ter hoogte van € 6.000 door het college. Eiser is het niet eens met de beëindiging, intrekking, terugvordering en boeteoplegging. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de bestreden besluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen gelijk heeft. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 12 maart 2024 (primair besluit 1) heeft het college met ingang van dezelfde datum het recht op bijstand van eiser beëindigd, de verstrekte bijstand over de periode van 22 juli 2022 tot en met 12 maart 2024 ingetrokken en een bedrag van € 30.844,53 aan bijstand teruggevorderd. Met het besluit van 11 april 2024 (primair besluit 2) heeft het college een boete opgelegd aan eiser ter hoogte van € 6.000. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij die besluiten gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiser heeft samen met zijn toenmalige partner bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden. Met ingang van 29 augustus 2023 is de uitkering, als gevolg van een echtsscheiding, bijgesteld naar de alleenstaandennorm.
3.1.
Uit de rapportage van 13 februari 2024 van een rapporteur van het college blijkt het volgende. Op 28 september 2022 heeft het college een anonieme tip gekregen dat eiser een erfenis heeft ontvangen en (daarom) beschikt over grond in Turkije. Eisers moeder is op 1 januari 2022 overleden en eisers vader was al in 2005 overleden, aldus de tipgever. Op 5 oktober 2022 heeft de rapporteur het inlichtingenbureau van het UWV, Internationale Bureau Fraude (IBF), gevraagd onderzoek te verrichten naar het vermogen van eiser in Turkije. Op 6 januari 2023 heeft de rapporteur de resultaten van het onderzoek ontvangen. Uit onderzoek is gebleken dat eiser onroerend goed in Turkije heeft. Daarop is aan eiser op 11 januari 2023 gevraagd om onder meer een machtiging te overleggen, waarmee verder onderzoek naar de percelen in Turkije kan worden gedaan. Op 10 februari 2023 zijn niet alle opgevraagde stukken overgelegd, waarop het recht op bijstand per de eerstvolgende dag is opgeschort. De opschorting is per aangetekende brief van 13 februari 2023 gestuurd.
3.2.
Eiser heeft na het ontvangen van de aangetekende brief op 15 februari 2023 contact opgenomen met de rapporteur en verklaard, dat hij de brief van 11 januari 2023 niet heeft ontvangen. Ook verklaarde hij geen onroerend goed in bezit te hebben. Eiser heeft op zijn verzoek uitstel gekregen voor het aanleveren van de gevraagde gegevens. De toenmalige partner van eiser heeft op 8 maart 2023 om een voorschot gevraagd, die een dag later aan eiser en zijn partner is toegekend. Eiser heeft op 31 maart 2023 de gevraagde machtiging afgegeven aan het college, waarmee het verzuim was hersteld. Daarom is op 3 april 2023 het recht op bijstand hervat.
3.3.
Op 17 januari 2024 heeft de rapporteur een (nieuwe) rapportage van het IBF en een Turks taxatierapport ontvangen en op 26 januari 2024 de vertaling daarvan. Uit de rapportage volgt, dat er meerdere onroerende zaken op naam van eiser staan. Ook is al een perceel dat op naam van eiser stond verkocht. Op 12 februari 2024 heeft de rapporteur informatie ontvangen van het IBF, inhoudende de waarde van de aandelen van eiser in de onroerende zaken, vastgesteld door een Turkse taxateur. De taxateur heeft de waarde van het aandeel van eiser in de percelen op de verwervingsdatum vastgesteld op
€ 67.156.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Aan het primair besluit van 12 maart 2024 is ten grondslag gelegd dat eiser over vermogen kan beschikken en daarom geen recht op bijstand had en heeft.
4.1.
Bij het primair besluit van 11 april 2024 is aan eiser de maximale wettelijke boete opgelegd, wegens een schending van de inlichtingenplicht. Eiser heeft namelijk niet aan het college doorgegeven dat hij vermogen in het buitenland bezit. Het college heeft bij het bepalen van het boetebedrag geen rekening gehouden met de fictieve draagkracht van eiser, omdat hij vermogen in het buitenland bezit.
4.2.
Met het bestreden besluit van 10 oktober 2024 zijn de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 12 maart 2024 en 11 april 2024 ongegrond verklaard, onder aanpassing van de juridische grondslag. De besluiten worden nu gebaseerd op artikel 17, eerste lid, en artikel 18a, eerste en tweede lid, van de Pw. Aan het nemen van het bestreden besluit is een advies van 9 oktober 2024 van de bezwaarschriftencommissie (de commissie) voorafgegaan. Het college heeft het advies integraal overgenomen.
De commissie overweegt – kort gezegd – dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, door de verkrijging van onroerend goed uit de erfenis van zijn moeder niet te melden. De waarde van dit onroerend goed bedraagt op de verwervingsdatum € 67.156. Die waarde overstijgt het vrij te laten vermogen. Omdat er ten gevolge van deze schending van de inlichtingenplicht te veel bijstand is verstrekt, is het college gehouden tot terugvordering van de onterecht verstrekte bijstand. Ook de boete is terecht opgelegd en van verminderde verwijtbaarheid is geen sprake, aldus de commissie.
Schending inlichtingenplicht?
5. Eiser betwist primair dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat het college reeds bekend was met het bezit van het onroerend goed in Turkije. Dit is namelijk aan de orde gekomen tijdens een gesprek dat de moeder van eiser en het college, in aanwezigheid van eiser, hebben gehad in het kader van de bijstand die aan haar werd verleend.
5.1.
Het college voert – kort gezegd – aan dat het niet aan zijn schuld te wijten is, dat het benadelingsbedrag en de boete zo hoog zijn opgelopen. Eiser heeft zelf verzocht om voortzetting van de bijstand en tijdens de onderzoeksfase heeft eiser meermaals ontkend in het bezit te zijn van onroerend goed in het buitenland. Een rechtsgrond om het recht op bijstand op te schorten na herstel van het verzuim ontbrak en daarom is de uitbetaling hervat. Voor het overige verwijst het college naar het bestreden besluit en het advies van de commissie.
5.2.
Niet in geschil is dat eiser, met het overlijden van zijn moeder op 1 januari 2022, (een aandeel in) percelen in Turkije heeft geërfd. Ook is niet in geschil dat het verkrijgen van onroerend goed een omstandigheid is, die van invloed kan zijn op het recht van bijstand en daarom gemeld moet worden. [1] In geschil is of eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. De rechtbank oordeelt als volgt.
5.3.
De beroepsgrond, inhoudende dat eiser de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, slaagt niet. Het college heeft tijdens de zitting terecht aangevoerd, dat eiser een actieve inlichtingenplicht heeft. Eiser dient, voor zover hier relevant, onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. [2] Hierboven is al vastgesteld dat niet in geschil is, dat het verkrijgen van onroerend goed een omstandigheid is die van invloed kan zijn op het recht van bijstand. Eiser had dit dus moeten melden.
De omstandigheid dat tijdens een gesprek tussen zijn moeder en het college haar onroerend goed ter sprake is gekomen, betekent niet dat het college, met het bekend worden van het overlijden van eisers moeder, ook bekend moet worden geacht te zijn geweest met het erven van het onroerend goed door eiser. Het college heeft daarover ook terecht opgemerkt tijdens de zitting, dat het college niet kon weten wat eisers aandeel in dit geërfd onroerend goed zou zijn en wat de waarde daarvan was. Door geen mededeling te doen van het verkrijgen van het onroerend goed, heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden.
Beschikken over het vermogen?
6. Eiser heeft ook aangevoerd dat hij niet over het vermogen kan beschikken, zolang de boedel niet is verdeeld. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [3] volgt, dat niet kan worden aangenomen dat een betrokkene redelijkerwijs niet kan beschikken over een onverdeeld aandeel in een erfenis, zo lang die geen stappen wil ondernemen om een aandeel in een erfenis op te eisen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij wel stappen heeft ondernomen om een aandeel in de erfenis op te eisen, maar dat dit niet is gelukt. Het door hem overgelegde e-mailbericht van 12 juni 2024 is daartoe onvoldoende. Uit het betreffende bericht volgt dat de verdeling van de boedel met daarin een stuk perceel met onroerend goed-nummer: [nummer] , waarvan eiser naast andere familieleden een deel van het eigendomsrecht heeft, niet voor de hand ligt, omdat er ruzie is aan beide kanten van de familie. De rechtbank kan uit de brief niet afleiden, dat eiser daadwerkelijk (tevergeefs) stappen heeft ondernomen om een aandeel in de erfenis op te eisen.
Daarnaast volgt uit het dossier dat eiser zijn aandeel in perceel [perceel], dat hij op 4 februari 2022 heeft verworven, wel heeft kunnen verkopen op 29 juni 2022. Dit is door eiser niet betwist. Dat bij dat perceel minder mensen waren betrokken, zoals eiser tijdens de zitting heeft aangevoerd, doet daar niets aan af. Dat eiser door het college niet is gevraagd, om aannemelijk te maken dat naar Turks recht geen scheiding en deling van een onverdeelde boedel kan worden gevorderd, maakt dit ook niet anders. Omdat eiser stelt niet over het vermogen te kunnen beschikken, is het aan hem om dit te onderbouwen en dat heeft hij niet (voldoende) gedaan.
Waarde juist vastgesteld?
7. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de waarde van het aandeel van eiser in het onroerend goed verkeerd is vastgesteld en dat de daadwerkelijke waarde vele malen lager is, volgt de rechtbank eiser daarin niet. Het college heeft onderzoek laten doen naar het aandeel van eiser door een Turkse taxateur en de waarde daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank, mocht het college uitgaan van de waarde vastgesteld door de Turkse taxateur. Eiser heeft niet, met bijvoorbeeld een taxatierapport van een door hem ingeschakelde taxateur, onderbouwd dat de waarde van het aandeel van eiser in de percelen lager is dan door de Turkse taxateur is vastgesteld.
Terugvordering/verwijtbaarheid oplopen benadelingsbedrag
8. Eiser heeft verder aangevoerd dat het oplopen van het benadelingsbedrag niet (geheel) aan hem te wijten is, omdat het college de bijstand na de opschorting heeft hervat.
8.1.
Deze grond slaagt niet. Het college heeft terecht aangevoerd dat de bijstand niet langer kon worden opgeschort, nadat eiser het verzuim had hersteld door de gevraagde stukken aan te leveren. De bijstand moest daarom worden hervat. Ook volgt de rechtbank het argument van het college, dat het aan eiser te wijten dat het benadelingsbedrag en de boete zo hoog is opgelopen, omdat eiser in de onderzoeksfase heeft ontkend onroerend goed in het buitenland te bezitten. Daardoor duurde het onderzoek langer. De rechtbank begrijpt ook dat het onderzoek naar de waarde van eisers aandeel in onroerend goed in het buitenland veel tijd in beslag neemt. De rechtbank acht één jaar voor een dergelijk onderzoek niet buitensporig lang. Eiser heeft met het e-mailbericht van 27 maart 2023 bovendien zelf verzocht om voortzetting van de bijstand, in de wetenschap dat hij in het bezit was van de percelen in Turkije.
8.2.
Op grond van het achtste lid van artikel 58 van Pro de Pw kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien.
8.2.1.
Eiser heeft geen beroep gedaan op dringende redenen. Gesteld noch gebleken is van feiten of omstandigheden die het college, na een belangenafweging, ertoe hadden moeten brengen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. [4] De terugvordering is uitsluitend het gevolg van de schending van het inlichtingenplicht van eiser. Ook is eiser debet aan het oplopen van de hoogte daarvan is. Zoals blijkt uit 3.2. en is overwogen in 8.1., heeft het onderzoek langer geduurd dan noodzakelijk omdat eiser niet meteen de gevraagde gegevens heeft aangeleverd, hij heeft ontkend dat hij onroerend goed had en dat hij – althans zijn ex-partner – zelf heeft verzocht om een voorschot.
De boete
9. Eiser stelt dat de hoogte van de boete (mede) aan het college te wijten is en dat het college rekening had moeten houden met de fictieve draagkracht, omdat er geen sprake is van vermogen nu eiser er niet over kan beschikken.
9.1.
Noch in het primaire besluit 2 noch in het bestreden besluit staat vermeld hoe het college is gekomen tot een boete van € 6.000. Uit het verweerschrift van het college volgt dat het college is uitgegaan 50% van het benadelingsbedrag wegens normale verwijtbaarheid maar deze boete kan maximaal € 6.000 zijn. [5]
9.2.
Deze argumenten slagen allereerst niet gelet op wat hiervoor is overwogen. Hiervoor is namelijk geoordeeld dat het niet aan het college maar aan eiser te wijten is dat de hoogte van de terugvordering is opgelopen. Eiser heeft de hoogte van de boete dus uitsluitend aan zichzelf te wijten. Ook is hierboven al geoordeeld dat eiser wel de beschikking had over zijn vermogen zodat het college terecht heeft geoordeeld dat het geen rekening hoeft te houden met een fictieve draagkracht. Verder heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat gesteld noch gebleken is van feiten of omstandigheden op grond waarvan er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Naar het oordeel van de rechtbank is de opgelegde boete passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2017; ECLI:NL:CRVB:2017:475.
2.Dit is slechts anders als het gaat om – de zich hier niet voordoende – feiten of omstandigheden die door het college kan worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of die kunnen worden verkregen bij ministeriële regeling aan te wijzen administratie.
3.Bijvoorbeeld de uitspraak van 30 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3190 en van 3 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:623.
4.De uitspraken van de CRvB van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194 en ECLI:NL:CRVB:2024:2195.
5.Uit artikel 18a, derde lid, Pw volgt dat er maximaal een boete kan worden opgelegd van € 6.000 (te weten een boete van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht). De helft van het benadelingsbedrag van € 27.547,25 bedraagt meer dan die € 6.000.