ECLI:NL:RBGEL:2026:789

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
ARN 23_6503 e.a.
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 5:25 AwbArt. 5:29 AwbArt. 5:30 AwbArt. 5:31c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling lasten bestuursdwang en kostenverhaal bij illegale dierenactiviteiten

Eisers, handelend namens een vennootschap en privé, zijn geconfronteerd met lasten onder bestuursdwang, dwangsommen en kostenverhaalbesluiten vanwege illegale bouwwerken, opslag, bedrijfsmatig fokken van honden en illegale verhuur van dieren op een perceel in West Maas en Waal.

De rechtbank oordeelt dat de besluiten van het college van burgemeester en wethouders rechtmatig zijn genomen. Eisers werden niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren tegen enkele besluiten wegens termijnoverschrijding die niet verschoonbaar is, ondanks hun persoonlijke omstandigheden met een ernstig zieke zoon. Het beroep op overgangsrecht, overmacht en vertrouwensbeginsel faalt omdat eisers onvoldoende onderbouwing boden en het college adequaat handelde.

De rechtbank stelt vast dat de kosten voor bestuursdwang en opslag redelijk zijn en dat de taxatie van de roerende zaken door een erkende taxateur is uitgevoerd. De verkoop van roerende zaken is niet in strijd met het Didam-arrest, dat alleen op onroerende zaken van toepassing is. Eisers krijgen het betaalde griffierecht terug voor onterecht geheven griffierecht bij kostenverhaalbesluiten, maar verder worden hun beroepen ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de bestuursdwang, dwangsommen en kostenverhaalbesluiten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/6503, ARN 23/6505, ARN 23/8097 en ARN 24/7083

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen
[curator/eiser 1], kantoorhoudend in [plaats 1] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
[naam bedrijf 1] , [eiser 2] en [eiseres]uit [plaats 2] , eisers, [1]
(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal

(gemachtigden: mr. S.E. de Wit en mr. A. de Zeeuw).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over drie besluiten waarin eisers lasten onder bestuursdwang zijn opgelegd, over een besluit tot invordering van een dwangsom en twee kostenverhaalbesluiten. Deze besluiten zien op illegale bouwwerken, illegale opslag, het beëindigen van bedrijfsmatig fokken van honden en het illegaal verhuren van dieren aan de [locatie] in [plaats 2] (het perceel). Eisers zijn het niet eens met de besluiten. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de besluiten mocht nemen. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 12 oktober 2022 heeft het college vier de volgende lasten aan eisers opgelegd: een last onder bestuursdwang en drie lasten onder dwangsom. Aan deze besluiten liggen controles ten grondslag waarin het college verschillende overtredingen van het bestemmingsplan heeft geconstateerd op het perceel. Eisers hadden een bedrijf waarbij dieren werden verhuurd. Daarnaast fokten zij honden. Het college heeft de last onder bestuursdwang ten uitvoer gelegd en daarvoor twee kostenverhaalsbesluiten genomen. Ook daar komen eisers tegen op, net als tegen een dwangsom die is ingevorderd.
3. In het besluit met kenmerk ODR22H00311 heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd voor de illegale opslag en bouwwerken waar geen dieren verblijven. Daarnaast is in dit besluit een last onder dwangsom opgelegd voor drie illegale bouwwerken waar dieren verblijven. De illegale bouwwerken en opslag moesten worden verwijderd. Hieraan moesten eisers voor 24 november 2022, waarbij voor de last onder dwangsom een dwangsom geldt van maximaal € 15.000.
3.1.
Op 12 oktober 2022 heeft het college nog een last onder dwangsom aan eisers opgelegd (kenmerk ODR22H00383) die gaat over het beëindigen en beëindigd houden van het bedrijfsmatig fokken en verkopen van honden, te voldoen voor 24 november 2022, onder dwangsom van € 20.000 ineens.
3.2.
Op 26 oktober 2022 heeft het college een last onder dwangsom aan eisers opgelegd (kenmerk ODR22H00430) die gaat over het illegaal verhuren van dieren, te voldoen voor 10 november 2022, onder dwangsom van € 50.000 ineens.
In de zaak met zaaknummer 23/6505:
3.3.
Bij beslissing op bezwaar van 22 augustus 2023 heeft het college het bezwaar van eisers tegen de last van 12 oktober 2022 (kenmerk ORD22H00311) voor de drie illegale bouwwerken niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
In de zaak met zaaknummer 23/8097:
3.4.
Bij besluit van 12 januari 2023 heeft het college een invorderingsbesluit opgelegd aan eisers voor een totaalbedrag van € 85.000 vanwege de overtreding van de twee lasten onder dwangsom van 12 oktober 2022 en de last onder dwangsom van 26 oktober 2022 (het invorderingsbesluit). Het gaat om het niet tijdig verwijderen van drie bouwwerken, het hebben van meer dan acht honden en het niet stoppen met de verhuur van dieren.
3.5.
Bij beslissing op bezwaar van 20 december 2023 heeft het college het bezwaar tegen het invorderingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
In de zaak met zaaknummer 23/6503:
3.6.
Op 31 januari en 1 februari 2023 heeft het college de last onder bestuursdwang ten uitvoer gelegd. Op 1 maart 2023 heeft het college een besluit tot kostenverhaal aan eisers opgelegd van in totaal € 63.270,35 vanwege toegepaste bestuursdwang (het kostenverhaalsbesluit 1) Het college verhaalt facturen, de ambtelijke uren,de taxatie van de bouwwerken en de kosten van opslag. Het college heeft de taxatie van de executiewaarde bepaald op € 17.850.
3.7.
Bij beslissing op bezwaar van 22 augustus 2023 heeft het college het kostenverhaalsbesluit grotendeels in stand gelaten, met aftrek van de kosten voor het afvoeren van de schaftwagen van € 544,50.
In de zaak met zaaknummer 24/7083:
3.8.
Op 26 mei 2023 heeft het college een tweede besluit tot kostenverhaal aan eisers opgelegd van in totaal € 71.031,43 vanwege toegepaste bestuursdwang voor het opslaan (kostenverhaalsbesluit 2). Op 31 januari en 1 februari 2023 heeft het college bouwwerken (wagens) en goederen meegevoerd en opgeslagen bij [naam bedrijf 2] in [plaats 3] omdat de overtreding van de last van 12 oktober 2022 nog niet was beëindigd.
3.9.
Bij beslissing op bezwaar van 26 september 2024 heeft het college het kostenverhaalsbesluit 2 grotendeels in stand gelaten, met inachtneming van de volgende punten:
  • als grondslag van het kostenverhaal is artikel 5:25, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen;
  • zowel de kosten van de gemaakte opslag na de dertienwekentermijn als het verschil tussen de getaxeerde waarde en verkoopwaarde van de in beslag genomen roerende zaken worden in mindering gebracht op het verhaalsbedrag.
In de vier zaken:
3.10.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen de hierboven opgenomen beslissingen op bezwaar.
3.11.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
3.12.
Bij uitspraak van 31 oktober 2023 zijn [naam bedrijf 1] (de vennootschap), [eiser 2] en [eiseres] door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard. In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die uitspraak in stand gelaten. [2] De curator heeft op 24 juli 2025 met toestemming van de rechter-commissaris aangegeven de beroepen voort te zetten waarbij eisers en hun gemachtigde de procedures feitelijk kunnen blijven voeren. [3]
3.13
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld, tegelijk met de zaken ARN 23/6508, ARN 23/6510, ARN 23/6514, ARN 24/1568 en 24/1573. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 2] en [eiseres] en hun gemachtigde, en de gemachtigden van het college. De curator heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht
4. De rechtbank oordeelt dat zij de twee zaken over het kostenverhaal (zaaknummers ARN 23/6503 en ARN 24/7083) ten onrechte onder zelfstandige zaaknummers heeft ingeschreven en griffierecht heeft geheven. Het beroep tegen de lasten onder bestuursdwang heeft namelijk van rechtswege ook betrekking op de beschikkingen tot vaststelling van de kosten van bestuursdwang. [4] Eisers krijgen daarom in deze zaken het betaalde griffierecht terug.
Ontvankelijkheid
5. In de zaak met zaaknummer ARN 24/7083 heeft de gemachtigde van eisers het beroep mede ingesteld namens [eiseres] , terwijl hij alleen bezwaar heeft gemaakt namens de vennootschap en [eiser 2] . Het college heeft hierop gewezen en verder opgemerkt dat geen machtiging is overgelegd om namens [eiseres] beroep in te stellen. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk, aldus het college.
6. Anders dan het college oordeelt de rechtbank dat [eiseres] ontvankelijk is in haar beroep. De gemachtigde van eisers heeft mede namens de vennootschap bezwaar gemaakt. Een vennootschap onder firma is geen rechtspersoon, zodat dit bezwaar dus in feite namens de vennoten is ingediend. Uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [eiseres] een van de twee vennoten van de vennootschap is. Als vennoot is zij met haar privévermogen hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap. Daarmee heeft zij een belang bij de procedure. Dat er slechts een schriftelijke machtiging van [eiser 2] aan de gemachtigde is overgelegd vindt de rechtbank in dit geval niet doorslaggevend. Uit het verloop van de zitting blijkt dat beide vennoten – [eiser 2] en [eiseres] - aanwezig waren namens de vennootschap en zichzelf en de gemachtigde hen vertegenwoordigde.
Inhoudelijke beoordeling
7. De rechtbank beoordeelt de besluiten aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
In de zaken met zaaknummers 23/6505 en 23/8097 (last onder bestuursdwang en invordering):
Is de termijnoverschrijding van het bezwaar verschoonbaar?
8. Eisers betogen dat zij ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun bezwaar tegen de last onder bestuursdwang en het invorderingsbesluit. Eisers stellen dat sprake was van een uitzonderlijke situatie die ertoe leidt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Er is sprake van bijzondere omstandigheden waardoor eisers niet in staat zijn geweest tijdig bezwaar in te dienen. Eisers hebben namelijk een ernstig zieke zoon. Dat het college de procedures voortzet, vinden eisers inhumaan en getuigt van onbehoorlijk bestuur.
8.1.
De rechtbank stelt voorop dat de persoonlijke situatie van eisers heel verdrietig is. Zij hebben een intensief ziekteproces van hun zoon meegemaakt. Tijdens de zitting is toegelicht dat de medische situatie van de zoon inmiddels onder controle is, maar dat de angst voor terugkeer van de ziekte groot blijft bij eisers en dat begrijpt de rechtbank zeker. Eisers hebben langere tijd moet leven met grote onzekerheid over de gezondheid van hun zoon en met ingrijpende behandelingen. Dat heeft ongetwijfeld een grote impact op hun persoonlijke welzijn.
8.2.
Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na de termijn ingediend bezwaarschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Of dit het geval is, moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van de belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen. De beoordeling van de bijzondere omstandigheden van eisers vergt een op het individuele geval gerichte contextuele benadering. [5] De rechtbank moet in dit geval beoordelen of en in hoeverre aan eisers valt te verwijten dat zij niet tijdig bezwaar hebben gemaakt. Daarbij is de hoedanigheid van eisers van belang, hun mate van deskundigheid en de omvang van de termijnoverschrijding.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het is aan eisers is te wijten dat zij niet tijdig bezwaar hebben gemaakt. Eisers procederen in hun hoedanigheid als ondernemers van de vennootschapen oefenen dit bedrijf al een geruime tijd uit. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat van eisers mag worden verwacht dat zij bij ziekte iemand inschakelen om hun belangen te behartigen. Onbetwist stelt het college dat eisers bij eerdere overtredingen gebruik hebben gemaakt van een advocaat-gemachtigde - ook in 2022 in een eerdere procedure -, en dat hun huidige gemachtigde hen vertegenwoordigt vanaf maart 2023. Verder acht de rechtbank van belang dat de overschrijdingen van de termijn fors zijn, namelijk vijf respectievelijk acht maanden. Het bezwaar tegen de last onder bestuursdwang van 12 oktober 2022 had uiterlijk 23 november 2022 ingediend moeten worden, maar is op 8 mei 2023.Het bezwaar tegen het invorderingsbesluit van 12 januari 2023 had uiterlijk op 23 februari 2023 ingediend moeten worden, maar is op 30 oktober 2023 ingediend. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is een verschoonbare termijnoverschrijding. De beroepsgrond slaagt niet.
In de zaken met zaaknummers ARN 23/6503 en ARN 24/7083 (kostenverhaal):
Komt aan eisers een beroep op het overgangsrecht toe?
9. Eisers betogen dat evident geen sprake is van een overtreding omdat hun activiteiten onder het overgangsrecht vallen. Sinds mensenheugenis voeren eisers de activiteiten uit op hun percelen, stammend uit een tijd dat sprake was van een uitbreidingsplan zonder gebruiksvoorschriften. Het college heeft in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel het beroep op het overgangsrecht niet onderzocht.
9.1.
Deze beroepsgrond is een herhaling van wat in bezwaar is aangevoerd, zoals het college ook naar voren heeft gebracht. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat het aan eisers is om te onderbouwen waarom het overgangsrecht van toepassing is. Uit vaste rechtspraak blijkt namelijk dat degene die zich beroept op het overgangsrecht de plicht heeft om aannemelijk te maken dat het overgangsrecht van toepassing is. [6] Dat hebben eisers niet onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van overmacht van eisers?
10. Eisers betogen dat sprake is van overmacht door de medische situatie van hun zoon waardoor zij niet tijdig hebben kunnen voldoen aan de lasten onder bestuursdwang van 12 en 26 oktober 2022 voordat de begunstigingstermijn verstreek.
10.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat eisers in de procedure tegen een kostenverhaalsbesluit in beginsel niet met succes gronden naar voren kunnen brengen die zij tegen de last onder bestuursdwang hadden kunnen aanvoeren. [7] Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Dat wordt door eisers niet aangevoerd.
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt dat deze beroepsgrond zich richt tegen de begunstigingstermijn van de lasten onder bestuursdwang. Dit hadden eisers in de procedure tegen de last onder bestuursdwang aan de orde kunnen stellen. De rechtbank is van oordeel dat de medische situatie van de zoon weliswaar zeer ingrijpend is in het persoonlijke leven van eisers, maar niet tot gevolg heeft dat sprake is van overmacht, zodat eisers dit als nog in de procedure tegen het kostenverhaalsbesluit aan de orde kunnen stellen. Zoals overwogen onder 8.3 betekent de medische situatie van de zoon van eisers, die ook al bekend was ten tijde van de oplegging van de lasten onder bestuursdwang, niet dat het voor hen onmogelijk was om zakelijk gezien tijdig te (laten) reageren. Het had dan ook op de weg van eisers gelegen op dat moment in contact te treden met het college. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen eisers een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?
11. Eisers betogen dat er bestuurlijke toezeggingen zijn gedaan waardoor kostenverhaal onredelijk is. De wethouder heeft volgens eisers toegezegd dat de uitvoering van de lasten onder bestuursdwang worden opgeschort om eisers rust te gunnen. Eisers wijzen op de brief van 6 februari 2023, waaruit zij dit afleiden. Verder is het in procedure brengen van een nieuw bestemmingsplan dat voorzag in het positief bestemmen van de activiteiten van eisers een toezegging.
11.1.
Voor de bespreking van deze beroepsgrond hanteert de rechtbank het stappenplan zoals uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019. [8] Dat bestaat uit drie stappen. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Die betreft de belangenafweging. In het kader daarvan moet de vraag worden beantwoord of geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de gewekte verwachtingen in de weg staan.
11.2.
De rechtbank overweegt dat wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. [9]
11.3.
De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat een toezegging is gedaan door de wethouder dat de lasten onder bestuursdwang niet ten uitvoer zouden worden gelegd. Eisers hebben deze toezegging namelijk niet onderbouwd en daarmee is niet voldaan aan de eerste stap uit de hierboven genoemde rechtspraak. [10] Eisers hebben de mogelijkheid gekregen om de opgeslagen roerende zaken zelf te verkopen, maar dit gaat over de situatie nadat de bestuursdwang was toegepast. Daarnaast is het in procedure brengen van een nieuw bestemmingsplan naar het oordeel van de rechtbank geen toezegging waarop eisers redelijkerwijs hebben mogen vertrouwen. Het college heeft voldoende toegelicht dat de bestemmingsplanprocedure is beëindigd omdat eisers ondanks herhaald verzoek van het college de ontbrekende onderzoeken niet heeft overgelegd. Er is dus niet voldaan aan de eerste stap (een toezegging). De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de kosten die op eisers worden verhaald te hoog?
12. Eisers betogen dat de uitvoering van de bestuursdwang onzorgvuldig is. De opslagkosten zijn veel te hoog. Het college heeft ten onrechte geen offertes gevraagd bij vergelijkbare bedrijven. Verder is er geen specificatie van de werkzaamheden gegeven en is het aantal uren en het uurloon niet onderbouwd en exorbitant hoog. In strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zijn de uitvoeringskosten niet in alle redelijkheid zo laag mogelijk gehouden. In de bezwaarfase hebben eisers een offerte overgelegd voor opslag tegen een beduidend lager bedrag.
12.1.
Artikel 5:25, eerste lid, van de Awb luidt: ‘
De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te worden.’
Artikel 5:30, eerste lid, van de Awb luidt: ‘
Indien een meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken nadat zij is meegevoerd, kan worden teruggegeven, kan het bestuursorgaan de zaak verkopen.’
12.2.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de toepassing van bestuursdwang en kostenverhaal in de regel samen gaan. Voor het maken van een uitzondering kan volgens de Afdeling aanleiding bestaan indien de aangeschrevene van de ontstane situatie geen verwijt valt te maken en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat de betreffende kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen. Verder kunnen andere bijzondere omstandigheden het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van kostenverhaal. [11]
12.3.
In de zaak met zaaknummer ARN 23/6503 blijkt – anders dan eisers stellen – uit de overgelegde stukken dat het college ook een andere offerte bij een vergelijkbaar bedrijf heeft opgevraagd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet voor de offerte van [naam bedrijf 2] heeft kunnen kiezen.
Verder is in het primaire besluit van 1 maart 2023 gespecificeerd wat de werkzaamheden zijn geweest, voor welk aantal uren en tegen welk uurtarief. Ook heeft het college aannemelijk gemaakt dat het aantal uren nodig is om de bestuursdwang voor te bereiden en te begeleiden. Eisers hebben verder in reactie hierop niet onderbouwd waarom de uren en uurtarieven te hoog zouden zijn.
12.4.
In de zaak met zaaknummer ARN 24/7083 is het college bij beslissing op bezwaar gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar van eisers tegen de hoogte van de opslagkosten. Het college heeft besloten om de opslagkosten na afloop van de dertien wekentermijn van artikel 5:30 Awb Pro niet in rekening te brengen. Het college heeft daarom de opslagkosten over de periode van 3 mei 2023 tot en met 23 mei 2023 in mindering gebracht van het totale verhaalsbedrag. [12] Daarmee is het college gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar van eisers. Voor het overige heeft het college voldoende toegelicht dat de opgeslagen roerende zaken 761 m² in beslag namen tegen een maandelijkse huur van € 30 per m² (exclusief BTW), inclusief verzekering en beveiliging tegen diefstal. Ook heeft het college voldoende toegelicht dat de offerte van eisers niet vergelijkbaar is omdat daarbij uitgegaan wordt van een opslag van 241 m² en niet duidelijk is of er sprake was van een verzekerde en beveiligde situatie. Het college heeft daarom terecht in de offerte geen reden gezien om te twijfelen aan de hoogte van de huurprijs van de opslag. De beroepsgronden slagen niet.
Heeft het college ten onrechte privéspullen van eisers verkocht?
13. Eisers betogen dat er ten onrechte ook privéspullen die niet onder de last onder bestuursdwang vielen, zijn meegenomen en zijn verkocht.
13.1.
Nu in de bestuursdwangbeschikking niet is opgenomen hoe het college de bestuursdwang zal uitvoeren, is de wijze van uitvoering een feitelijke handeling door de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan hoort. Dat geldt ook voor de feitelijke verkoop van hetgeen is meegevoerd door het college. Dat betekent dat het niet gaat om een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, maar om feitelijk of privaatrechtelijk handelen. [13] Dit is toetsbaar door de civiele rechter. De beroepsgrond kan reeds daarom niet slagen.
Heeft het college de roerende zaken juist getaxeerd?
14. Eisers betogen dat de taxatie van de meegenomen wagens te laag is. Eisers hebben aan de hand van marktplaatsgegevens aangetoond wat de waarde van de wagens is.
14.1.
Het college heeft zich terecht gebaseerd op de taxatierapporten van een erkende taxateur. Eisers hebben geen contra-expertise overgelegd, noch op een andere manier een begin van bewijs geleverd dat twijfel doet ontstaan over de juistheid van de taxatierapporten. In hetgeen eisers hebben aangevoerd is ook geen grond gelegen voor het oordeel dat de taxateur niet deskundig is te achten. De door eisers overgelegde aanbieding op Marktplaats toont nog niet aan dat de aangeboden wagen ook daadwerkelijk voor die prijs is verkocht. Verder is aannemelijk dat een geheel aan roerende zaken altijd een lagere opbrengst heeft dan losse zaken die individueel worden verkocht. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn eisers bij de verkoop van de roerende zaken voldoende gecompenseerd?
15. Eisers betogen in de zaak met zaaknummer ARN 24/7083 dat de verkoop van de roerende zaken niet voldoet aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verkoop van de roerende zaken voor een bedrag van € 5.000 is absurd laag en de zaken zijn 40 keer meer waard.
15.1.
Uit artikel 5:25, eerste lid, van de Awb volgt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder geschiedt. Uit artikel 5:29, eerste lid, van de Awb volgt dat het college voor de toepassing van bestuursdwang zaken kan meevoeren en opslaan. Op grond van het derde lid van die laatste bepaling draagt het college ook zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft het deze zaak terug aan de rechthebbende. Uit artikel 5:30 van Pro de Awb volgt dat indien de zaak niet kan worden teruggegeven binnen dertien weken, het bestuursorgaan de zaak kan verkopen. [14]
15.2.
Uit artikel 5:25 eerste Pro lid van de Awb in samenhang met artikel 5:29, eerste lid van de Awb volgt dat de kosten van opslag bij eisers in rekening kunnen worden gebracht. Bij beslissing op bezwaar heeft het college het verschil tussen de getaxeerde executiewaarde van de roerende zaken van € 17.850 en het verkoopbedrag van € 5.000, zijnde € 12.850, in mindering gebracht op het totale verhaalsbedrag. Daarmee staat vast dat eisers de getaxeerde executiewaarde van de roerende zaken van € 17.850 vergoed hebben gekregen voor de roerende zaken. Zoals onder 14 is overwogen heeft het college kunnen uitgaan van de taxaties. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college hiermee een reële prijs voor de roerende zaken heeft vergoed aan eisers. Daarmee is voldaan aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de verkoop van de roerende zaken in strijd met het Didam-arrest?
16. Eisers betogen in de zaak met zaaknummer ARN 24/7083 dat de verkoop van de roerende zaken door het college strijdig is met het zogenoemde ‘Didam-arrest’. Anders dan het college zijn eisers van mening dat het Didam-arrest ook van toepassing is op roerende zaken met een grote waarde. Bij de verkoop van roerende zaken moet het college alle potentiële gegadigden de mogelijkheid bieden om mee te dingen naar de roerende zaken en een en ander vooraf openbaar bekend maken via een openbare biedingsprocedure.
16.1.
In het Didam-arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat een overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak als er meerdere gegadigden zijn of redelijkerwijs valt te verwachten dat er meerdere gegadigden zijn. [15] Dit arrest gaat over uitgifte van grond door overheidslichamen. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen is bepaald in dit arrest niet onverkort van toepassing op roerende zaken. Het Didam-arrest is er op gericht om gegadigden bij uitgifte van grond een kans te geven. In dit geval gaat het om de verkoop van roerende zaken in het kader van de uitvoering van bestuursdwang. Dat is naar zijn aard niet te vergelijken met de uitgifte van grond. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het Didam-arrest niet van toepassing is bij de verkoop van roerende zaken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder bestuursdwang, de invordering van een dwangsom en de kostenverhaalbesluiten in stand blijven. Eisers krijgen dus geen gelijk. Wel krijgen eisers in de zaken ARN 23/6503 en ARN 24/7083 het griffierecht vergoed omdat de twee kostenverhaalbesluiten van rechtswege onderdeel uitmaken van de procedure over de lasten onder bestuursdwang. Daar heeft de rechtbank ten onrechte griffierecht geheven. Daarom krijgen eisers in de zaak met zaaknummer ARN 23/6503 het betaalde griffierecht van € 365,- terug, en in de zaak met zaaknummer ARN 24/7083 het betaalde griffierecht van € 371,- terug. Voor het overige krijgen eisers het griffierecht niet terug, en krijgen zij ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • bepaalt dat de griffier van de rechtbank het betaalde griffierecht van € 365,- in het beroep met zaaknummer ARN 23/6503 aan eisers terugbetaalt;
  • bepaalt dat de griffier van de rechtbank het betaalde griffierecht van € 371,- in het beroep met zaaknummer ARN 24/7083 aan eisers terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoewel de curator in deze zaken de eiser is, spreekt de rechtbank omwille van de leesbaarheid over ‘eisers’.
2.Tussenarrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 december 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:10714 en eindarrest van 28 december 2013.
3.Dit is mogelijk ingevolge artikel 8:22 van Pro de Awb en respectievelijk artikel 27 van Pro de Faillissementswet (voor zaaknummers 23/6503 en 23/6505) en artikel 25 van Pro de Faillissementswet (voor zaaknummers 23/8097 en 24/7083).
4.Op grond van artikel 5:31c van de Awb.
5.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 onder 3.3.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:628 onder 3.2.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1042.
8.Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
9.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2822, r.o. 10.2.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694 onder 11.2.
11.Uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:257.
12.Het college heeft het in mindering te brengen bedrag aan opslagkosten over 21 dagen in mei 2023 als volgt berekend. € 20.761,18 : 23 x 21 = € 18.955,86.
13.Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1389, overweging 5.4, van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:514 en van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1266.
14.Uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1618.
15.Hoge Raad 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778.