Eiser, die van december 2021 tot juli 2022 gedetineerd was, verzocht om inzage in dagrapportages die over hem waren bijgehouden. De minister weigerde aanvankelijk inzage, waarna eiser bezwaar maakte en beroep instelde. De rechtbank Rotterdam vernietigde het eerste besluit wegens onvoldoende motivering en het niet horen van eiser, waarna de minister een nieuw besluit nam met gedeeltelijke inzage.
Eiser stelde dat hij ten onrechte niet was gehoord en dat de inzage onvolledig was. De rechtbank oordeelde dat eiser inderdaad ten onrechte niet was gehoord, omdat de minister de gemachtigde van eiser niet tijdig had betrokken bij de hoorzitting. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat eiser niet was benadeeld en voldoende gelegenheid had gehad zijn gronden kenbaar te maken.
Verder concludeerde de rechtbank dat de minister volledige inzage had gegeven in de dagrapportages, ondanks dat deze niet chronologisch waren en zonder paginanummering. Eiser kon geen concrete aanwijzingen geven dat er meer rapportages waren. Ook stelde eiser dat een bestuurlijke dwangsom was verbeurd wegens overschrijding van een beslistermijn, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was.
Ten slotte werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van € 2.000, waarvan € 1.000 ten laste van de minister en € 1.000 ten laste van de Staat der Nederlanden komt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, en tot betaling van de schadevergoeding aan eiser.