Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2014 in de zaken tussen:
Phoenica B.V. en [eiser1] (13/879),
de burgemeester van de gemeente Maasgouw,
Phoenica B.V. en [eiser1] (13/881, 14/2710 en 14/2711),
het college van Gedeputeerde Staten van Limburg,
Procesverloop
Overwegingen
het leven en de gezondheid van veel personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate zijn geschaad of worden bedreigd. Van een dreiging voor een ongeval met een zodanige ernst en omvang blijkt uit de rapporten niet. Daar komt bij dat ter voorkoming van mogelijk brandgevaar met minder ingrijpende, op wegneming van dat gevaar gerichte, maatregelen had kunnen worden volstaan. Voorts trokken GS in dezen gezamenlijk met de burgemeester op. Op 17 augustus 2012, de datum waarop het noodbevel is genomen, zijn GS met toepassing van spoedeisende bestuursdwang tot het plaatsen van een (gedeeltelijk) hek overgegaan. Op de plaatsen waar er een doorgang naar het terrein aanwezig was, is op 17 augustus 2012 in opdracht en onder toezicht van GS immers in 2 uur tijd een hek geplaatst, waardoor het terrein feitelijk niet meer voor derden toegankelijk was. Daarmee was de gevaarzetting dat derden op een voor hun gezondheid schadelijke manier in aanraking konden komen met afvalwater of andere gevaarlijke (afval)stoffen weggenomen. Verder was daardoor ook het gevaar op brandstichting adequaat bestreden. Ten aanzien van de ingestelde 24-uurs bewaking is de rechtbank van oordeel dat dit in de gegeven situatie, nu het terrein reeds door GS van een deugdelijk hekwerk was voorzien en er een noodverordening van kracht was op grond waarvan betreden van het terrein strafbaar was gesteld, als een niet noodzakelijke, disproportionele maatregel dient te worden aangemerkt. Daarbij zij nog overwogen dat door eisers onbestreden gebleven is gesteld dat de gebouwen allemaal waren afgesloten en voorzien waren van een deugdelijk werkzame alarminstallatie.
Beslissing
- verklaart de beroepen tegen de besluiten van de burgemeester van de gemeente Maasgouw (de burgemeester) van 31 januari 2013, voor zover daarbij de bezwaren van eisers tegen de noodverordening niet-ontvankelijk zijn verklaard, ongegrond;
- verklaart de beroepen tegen de besluiten van de burgemeester van 31 januari 2013, voor zover daarbij de bezwaren van eisers tegen het noodbevel ongegrond zijn verklaard, gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten in zoverre;
- herroept het primaire besluit van 17 augustus 2012 voor zover daarbij een noodbevel is gegeven en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt de burgemeester op de betaalde griffierechten van € 636,00 aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.948,00.
- verklaart de beroepen tegen de besluiten van het college van Gedeputeerde Staten van Limburg (GS) van 5 februari 2013 gegrond en vernietigt die besluiten;
- herroept de primaire besluiten van 16 augustus 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
- draagt GS op de betaalde griffierechten van € 636,00 aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt GS in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.922,00.
- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de kostenverhaalsbeschikkingen van 13 augustus 2013 en 10 juni 2014;
- veroordeelt GS in de proceskosten van eisers tot een bedrag van
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2014.