ECLI:NL:RBLIM:2025:11810

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
ROE 25/543
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging bijstandsuitkering en nabetaling in het kader van duurzaam gescheiden leven

In deze uitspraak van de Rechtbank Limburg, gedateerd 1 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade behandeld. Eiseres heeft verzocht om aanpassing van haar bijstandsuitkering, die aanvankelijk op de gehuwdennorm was vastgesteld, naar de alleenstaandennorm, omdat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. De rechtbank oordeelt dat, hoewel eiseres haar echtgenoot uit de Basisregistratie Personen (BRP) heeft laten uitschrijven, dit niet voldoende bewijs levert voor duurzaam gescheiden leven vóór 9 januari 2024. Het beroep is gedeeltelijk gegrond, omdat het college het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie niet-ontvankelijk heeft verklaard, wat de rechtbank onterecht acht. De rechtbank oordeelt dat de uitkeringsspecificatie van 25 april 2024 als een besluit moet worden aangemerkt en dat eiseres recht heeft op wettelijke rente over de nabetaling. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit van 25 april 2024 voor zover het college geen wettelijke rente heeft toegekend. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/543

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade

(gemachtigde: J. Pruis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat in de eerste plaats over de wijziging van de bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm en vervolgens naar de alleenstaandennorm, met als gevolg een nabetaling. In de tweede plaats gaat deze uitspraak over het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie, die door het college niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe en aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 16 april 2024 heeft het college de bijstandsuitkering per
15 december 2023 gewijzigd van 50% van de gehuwdennorm, naar de gehuwdennorm en per 9 januari 2024 gewijzigd naar de alleenstaandennorm. Als gevolg van deze wijziging ontvangt eiseres een nabetaling.
2.1.
Bij uitkeringsspecificatie van 25 april 2024 is de specificatie van de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (PW) over de maand april 2024 vastgesteld, waarbij ook een bedrag aan nabetaling van bijstand is meegenomen in het totaal uit te keren bedrag van netto € 2.852,66.
2.2.
Met het besluit van 5 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres gericht tegen de uitkeringsspecificatie van 25 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast is het college met het bestreden besluit bij het besluit van 16 april 2024 gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Op 9 oktober 2025 heeft eiseres haar beroep aangevuld. Zij verwijst in verband met de eerder door haar geclaimde immateriële schadevergoeding naar een brief van de huisarts van 26 augustus 2025, waarbij zij wordt doorverwezen naar een psycholoog.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres ontving samen met haar voormalig echtgenoot vanaf 2 februari 2023 een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm. Samen hebben zij een minderjarige zoon. Per 25 juli 2023 heeft het college de bijstandsuitkering gewijzigd naar 50% van de gehuwdennorm, omdat de voormalig echtgenoot van eiseres langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven en daarom niet langer recht op een bijstandsuitkering heeft. Bij e-mail van 13 november 2023 heeft eiseres verklaard dat zij haar voormalig echtgenoot heeft laten uitschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) en dat zij “op zoek is” naar een echtscheiding.
3.1.
Naar aanleiding hiervan heeft het college een onderzoek opgestart naar het recht op bijstand. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat eiseres haar voormalig echtgenoot heeft laten uitschrijven op het gezamenlijke BRP-adres per 27 september 2023. Eiseres heeft tijdens een gesprek verklaard dat haar voormalig echtgenoot op 15 december 2023 is teruggekeerd uit het buitenland en vanaf die datum bij haar in de woning is verbleven.
3.2.
Vanaf 9 januari 2024 verblijft de voormalig echtgenoot niet meer in de woning van eiseres. Op 21 januari 2024 is de voormalig echtgenoot ingeschreven in de BRP van de gemeente [gemeente] . Op 25 januari 2024 is de echtscheidingsprocedure formeel in gang gezet.
3.3.
Naar aanleiding hiervan heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals vermeld onder 2 tot en met 2.2.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het college de bijstandsuitkering per 15 december 2023 terecht heeft gewijzigd naar gehuwdennorm en vervolgens per 9 januari 2024 naar alleenstaandennorm en of het college terecht heeft geconcludeerd dat vóór 9 januari 2024 geen sprake is van duurzaam gescheiden leven van eiseres en haar voormalige echtgenoot. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het college deze uitkeringsnorm had moeten afstemmen op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW. Verder beoordeelt de rechtbank of de hoogte van het vrij te laten vermogen juist is vastgesteld. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar van eiseres gericht tegen de uitkeringsspecificatie van 25 april 2024, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verder beoordeelt de rechtbank of de uitkeringsspecificatie voldoende duidelijk is en of de hoogte van het bedrag van de nabetaling juist is vastgesteld. Tot slot beoordeelt de rechtbank of aanspraak kan worden gemaakt op een immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:106 BW. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

Het besluit van 16 april 2024

Duurzaam gescheiden leven

4.1.
Eiseres meent dat zij duurzaam gescheiden leeft van haar voormalig echtgenoot vanaf 27 juni 2023, subsidiair vanaf 24 juli 2023 en meer subsidiair vanaf 27 september 2023, in ieder geval eerder dan 9 januari 2024. Eiseres stelt dat zij vóór 9 januari 2024 ook al recht heeft op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang.
4.2.
De periode in geding loopt van 27 juni 2023 (datum verzoek wijziging bijstandsnorm) tot 9 januari 2024 (datum waarop het college aan eiseres bijstand naar alleenstaandennorm heeft verstrekt). Vaststaat dat eiseres met haar voormalig echtgenoot in deze periode gehuwd was.
4.3.
Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten pas sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door tenminste één van hen als blijvend is bedoeld. [1] Of die situatie zich voordoet, zal ondubbelzinnig moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden. [2] Het enkele gegeven dat de echtgenoten feitelijk gescheiden van elkaar leven als gevolg van het verblijf van één van hen in het buitenland, betekent nog niet dat dan ook gesproken moet worden van een duurzaam gescheiden leven als hiervoor bedoeld. [3] Een echtelijke samenleving kan immers ook bestaan zonder dat van samenwonen sprake is.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat voor wat betreft de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven er in dit geval een aantal perioden te onderscheiden zijn. Hierbij is aansluiting gezocht bij de door eiseres in het beroepschrift genoemde datums vanaf wanneer volgens eiseres sprake is van duurzaam gescheiden leven met haar voormalig echtgenoot. In het hiernavolgende zullen daarom achtereenvolgens de volgende datums aan bod komen:
  • De periode vanaf 27 juni 2023;
  • De periode vanaf 24 juli 2023;
  • De periode vanaf 27 september 2023.
De periode vanaf 27 juni 2023
4.5.
De rechtbank stelt vast dat eiseres samen met haar voormalig echtgenoot vanaf 2 februari 2023 een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm ontvingen. De voormalig echtgenoot heeft op 26 juni 2023 bij het college een melding gemaakt van zijn verblijf in het buitenland. De reden voor dit verblijf was het volgen van een kappersopleiding. Vervolgens heeft eiseres op 24 juli 2023 aan het college laten weten dat haar voormalig echtgenoot langer dan vier weken in het buitenland verblijft en dat het niet bekend is wanneer hij terugkeert. Naar aanleiding hiervan heeft het college op 27 juli 2023 besloten om de bijstandsuitkering te wijzigen naar 50% van de gehuwdennorm, omdat de voormalig echtgenoot van eiseres langer dan vier weken in het buitenland verblijft.
4.6.
De rechtbank concludeert dat uit de voorgaande feiten niet blijkt dat vanaf 27 juni 2023 sprake is van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Het enkele gegeven dat eiseres en haar voormalig echtgenoot in die periode feitelijk niet samenwoonden als gevolg van het verblijf in het buitenland van de voormalig echtgenoot, betekent nog niet dat dan ook gesproken moet worden van een duurzaam gescheiden leven. Het college heeft dan ook terecht geoordeeld dat op 27 juni 2023 geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven.
De periode vanaf 24 juli 2023
4.7.
De rechtbank stelt vast dat de rechtbank in haar uitspraak van 30 januari 2024 [4] reeds heeft geoordeeld dat in de periode 26 juli 2023 tot en met 24 augustus 2023 geen sprake is van duurzaam gescheiden leven van eiseres en haar voormalig echtgenoot.
4.8.
De rechtbank ziet geen aanleiding daar nu anders tegenaan te kijken. De rechtbank verwijst dan ook naar haar eerdere uitspraak van 30 januari 2024. Eiseres heeft geen nieuwe relevante feiten en omstandigheden naar voren gebracht die een ander licht werpen op de situatie. De periode vanaf 24 juli 2023 tot 27 september 2023 is iets ruimer dan de periode die de rechtbank in de eerdergenoemde uitspraak van 30 januari 2024 heeft beoordeeld. Maar ook voor wat betreft die iets ruimere periode heeft eiseres geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat zij duurzaam gescheiden leefde van haar voormalig echtgenoot. Het college heeft terecht geconcludeerd dat op 24 juli 2023 geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven.
De periode vanaf 27 september 2023
4.9.
De rechtbank stelt vast dat eiseres haar voormalig echtgenoot op 27 september 2023 heeft laten uitschrijven bij haar op het BRP-adres. Enkel uit de uitschrijving uit het BRP-register kan niet worden opgemaakt dat eiseres een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving heeft beoogd. Voor een uitschrijving uit het BRP-register kunnen ook andere redenen zijn. Daarbij komt dat eiseres het college hierover pas informeert met haar e-mailbericht van 13 november 2023. In dit e-mailbericht verklaart zij ook dat zij sinds 26 juni 2023 alleen woont met haar zoontje, dat zij een inkomen uit uitkering heeft van € 825,56, dat zij alle kosten van levensonderhoud zelf betaalt en geen financiële hulp van haar man ontvangt. Verder verklaart eiseres dat zij sinds juli “op zoek is” naar een echtscheiding en dat dit proces traag verloopt. Maar pas op 25 januari 2024 heeft zij een officieel echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank. Eiseres stelt dat zij al veel eerder dan januari 2024 een advocaat heeft ingeschakeld in verband met de echtscheidingsprocedure, maar hiervan heeft zij geen bewijsstukken overgelegd. Ook heeft zij geen andere bewijsstukken overgelegd, waaruit volgt dat eiseres op 27 september 2023, daadwerkelijk al bezig was met het regelen van de echtscheiding.
4.10.
Die bewijsstukken heeft zij ook niet verstrekt bij haar e-mail bericht van 19 maart 2024. In deze mail heeft zij verklaard dat zij in de zomer van 2023, na het doorlopen van de administratieve procedures in verband met het aanvragen van de Nederlandse nationaliteit, opnieuw een scheiding heeft aangevraagd bij haar advocaat. Vanwege het lange proces in verband met het opmaken en vertalen van huwelijksakten uit Iran en gezondheidsproblemen, is pas in januari 2024 officieel een echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank. Eiseres heeft echter geen bewijsstukken ingebracht dat dit de reden is dat het echtscheidingsverzoek pas in januari 2024 is ingediend.
4.11.
De rechtbank weegt ook mee dat de voormalig echtgenoot van eiseres op 15 december 2023 weer is teruggekomen uit het buitenland. Vanaf die datum heeft hij een aantal weken in de woning van eiseres verbleven. De stelling van eiseres dat dit verblijf van de voormalig echtgenoot in haar woning, noodgedwongen en vooropgezet tijdelijk was, heeft zij niet onderbouwd. Zij heeft aangevoerd dat de politie haar dit had geadviseerd en ook dat medewerkers van de gemeente op de hoogte waren, maar dit blijkt niet uit de stukken. Vanaf 9 januari 2024 verblijft de voormalig echtgenoot niet meer in de woning van eiseres. Per 21 januari 2024 is de voormalig echtgenoot ingeschreven in de BRP van de gemeente [gemeente] . Op 25 januari 2024 is een echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank. Verder is ter zitting op 30 oktober 2025 gebleken dat de scheiding op 17 april 2025 is ingeschreven.
4.12.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat zij vanaf 27 september 2023 duurzaam gescheiden leefde van haar voormalig echtgenoot.
4.13.
De rechtbank concludeert dat vanaf 15 december 2023 geen sprake meer is van een niet-rechthebbende partner, nu de voormalig echtgenoot op 15 december 2023 weer is teruggekeerd naar Nederland en eiseres samen met haar voormalig echtgenoot vanaf die datum weer gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad op het uitkeringsadres van eiseres. De rechtbank is daarom van oordeel dat college het recht op uitkering met ingang van 15 december 2023 terecht gewijzigd heeft voortgezet naar de gehuwdennorm.
4.14.
Gelet op het echtscheidingsverzoek op 25 januari 2024 vindt de rechtbank het aannemelijk dat eiseres vanaf 9 januari 2024 (de datum dat de voormalig echtgenoot niet meer bij eiseres in de woning verblijft), het vaste voornemen had om het huwelijk te beëindigen. Dit betekent dat vanaf die datum sprake was van een door eiseres gewilde, bestendige verbreking van de echtelijke samenleving. Eiseres leefde vanaf die datum duurzaam gescheiden van haar voormalig echtgenoot.
Afstemming
5. Eiseres voert aan dat het college de hoogte van de bijstandsuitkering op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW hoger had moeten vaststellen. Er zijn in dit geval bijzondere redenen waarom de bijstandsuitkering afwijkend van de norm moet worden vastgesteld. Eiseres heeft die in de bezwaarfase toegelicht. Zij wijst daarbij op extra medische kosten, de kosten van de auto en de kosten van telefoon met abonnement. Daarnaast verwijst eiseres naar artikel 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). De bezwaarschriftencommissie is daar ten onrechte niet op ingegaan.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang. Artikel 18, eerste lid van de PW, bepaalt dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging of een verhoging van de bijstand is alleen plaats in zeer bijzondere situaties. [5] Het is, volgens vaste rechtspraak, aan degene die deze afstemming wenst om aannemelijk te maken dat er een zeer bijzondere situatie is, zoals hiervoor bedoeld. De enkele omstandigheid dat sprake is van een niet-rechthebbende partner, is onvoldoende om de bijstand op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW, hoger af te stemmen. [6] Wel blijkt uit vaste rechtspraak [7] dat op het college de verplichting rust om bij de toepassing van artikel 24 van de PW (de 50% norm) vanwege een niet-rechthebbende partner die in het buitenland verblijft, onderzoek te doen naar de aanwezigheid van zeer bijzondere omstandigheden.
5.2.
Aan deze onderzoeksplicht heeft het college ook voldaan. Het college heeft namelijk naar aanleiding van het besluit van 27 juli 2023, waarbij de bijstand is gewijzigd naar 50% van de gehuwdennorm, onderzoek gedaan naar de inkomsten en uitgaven van eiseres. Dit besluit is al beoordeeld door de rechtbank in de eerdergenoemde uitspraak van 30 juli 2024.
5.3.
Ook in deze procedure heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zeer bijzondere situatie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de PW. Eiseres heeft in de bezwaar- en beroepschriften en tijdens de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie van 21 november 2024 haar stelling dat de bijstand hoger had moeten worden vastgesteld, telkens herhaald, zonder daarbij een nadere onderbouwing te geven. Ook ter zitting op 30 oktober 2025 heeft eiser desgevraagd geen nadere onderbouwing gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in deze, niet met bedragen en objectieve stukken onderbouwde, reactie geen aanleiding hoeven zien om te concluderen dat de bijstand zou moeten worden afgestemd op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van eiseres zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de PW. Voor wat betreft het beroep op artikel 27 van het IVRK oordeelt de rechtbank dat het enkele gegeven dat eiseres de zorg over haar kind heeft, onvoldoende is voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van haar kind. Ten slotte weegt de rechtbank ook mee dat eiseres eerder een uitkering naar 50% gehuwdennorm kreeg vanwege de niet-rechthebbende partner en nu een uitkering naar de norm voor gehuwden gekregen heeft. Hiermee is voor een deel van de periode juist sprake van een hoger inkomen.
Hoogte vrij te laten vermogen
6. Eiseres voert aan dat het bedrag aan vrij te laten vermogen van € 15.123,50 zoals vermeld in het besluit van 16 april 2024, te laag is. Dit onjuiste bedrag is ten onrechte niet aangepast in de beslissing op bezwaar van 5 februari 2025.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang. De rechtbank overweegt dat het college bij de wijziging van de bijstandsnorm, het vrij te laten vermogen van eiseres opnieuw heeft vastgesteld. Niet in geschil is dat het vermogen van eiseres negatief was. Voor de bijstandsverlening wordt haar vermogen daarom op nihil gesteld. Bij een negatief of op nihil vastgesteld vermogen valt de ruimte voor vermogensaanwas (het bedrag waarmee het vermogen kan toenemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van de bijstand) samen met de voor eiseres geldende vermogensgrens, zoals opgenomen in artikel 34, derde lid onder c, van de PW. Op grond van artikel 34, derde lid, onderdeel c van de PW, zoals dat gold ten tijde van het besluit van 16 april 2024, gold een voor eiseres vrij te laten vermogen van € 15.150,00. Het college heeft ter zitting erkend dat in het besluit van 16 april 2024 het onjuiste bedrag van € 15.123,50 is genoemd, maar ook dat dit als hersteld kan worden beschouwd in het bestreden besluit. Uit het bestreden besluit kan namelijk worden afgeleid dat de ruimte voor vermogensaanwas gelijk is aan de toepasselijke vermogensgrens. Door in het bestreden besluit van 5 februari 2025 te verwijzen naar artikel 34, derde lid, van de PW en te benoemen dat het vermogen terecht is vastgesteld op nihil moet het ervoor worden gehouden dat het college het onjuiste bedrag alsnog heeft gecorrigeerd. Maar het was natuurlijk duidelijker geweest als het college in het bestreden besluit het juiste bedrag aan vrij te laten vermogen had genoemd (€ 15.150,00).

De uitkeringsspecificatie van 25 april 2024

Niet-ontvankelijkheid van bezwaar
7. Eiseres voert in beroep aan dat zij wel bezwaar kan maken tegen de uitkeringsspecificatie van 25 april 2024. In het besluit van 16 april 2024 is de hoogte van de nabetaling namelijk niet genoemd. Er wordt in dit besluit slechts aangegeven dat eiseres nog een specificatie ontvangt.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Daarbij is het volgende van belang. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB ligt aan elke betaling van de bijstandsuitkering een besluit tot die betaling ten grondslag. [8] Wanneer een daartoe strekkend besluit ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in de uitkeringsspecificatie. Daartegen kan dan bezwaar worden gemaakt. Als de periodieke betalingen volgens een vast patroon verlopen en er geen veranderingen zijn opgetreden, kan de grondslag van de betaling niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld. Dan is in het algemeen alleen sprake van een herhaling van een eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op rechtsgevolg en kan om die reden niet worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de uitkeringsspecificatie van 25 april 2024 als een voor bezwaar vatbaar besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt, omdat de uitkeringsspecificatie rechtsgevolgen heeft. In het besluit van 16 april 2024 is immers slechts aangegeven dat eiseres een nabetaling ontvangt over de periode 15 december 2023 tot 9 januari 2024 en een nabetaling ontvangt over de periode vanaf 9 januari 2024. De hoogte van de te ontvangen nabetaling wordt niet genoemd in het besluit van 16 april 2024. De uitkeringsspecificatie van 25 april 2024 is in dit geval daarom géén herhaling van het besluit van 16 april 2024. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat met de uitkeringsspecificatie van 25 april 2024 sprake is van een besluit gericht op enig rechtsgevolg, als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het rechtsmiddel van bezwaar stond dus open tegen de uitkeringsspecificatie. Het college heeft het bezwaar van eiseres daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en had het bezwaarschrift van eiseres inhoudelijk moeten behandelen.
De nabetaling
8. Gelet op hetgeen is overwogen onder 7.1 en 7.2 komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking, voor zover het college het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie niet-ontvankelijk heeft verklaard. Doende wat het college had moeten doen, zal de rechtbank inhoudelijk ingaan op de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de uitkeringsspecificatie van 25 april 2024.
8.1.
Eiseres voert aan dat het college de hoogte van de nabetaling over de periode
15 december 2023 tot en met 8 januari 2024 en over de periode vanaf 9 januari 2024 niet kenbaar heeft gemaakt en niet juist heeft vastgesteld. De splitsing in twee periodes die in het besluit van 16 april 2024 wordt gemaakt (enerzijds 15 december 2023 tot 9 januari 2024 en anderzijds de periode vanaf 9 januari 2024) volgt ook niet uit de uitkeringsspecificatie van 25 april 2024. Daarbij is ten onrechte wettelijke rente geweigerd. Over de verschuldigde wettelijke rente is het college verder wettelijke rente verschuldigd.
8.2.
Ter zitting is door eiseres erkend dat aan de hand van de herberekeningen in het dossier voldoende duidelijk is dat eiseres recht heeft op een nabetaling van € 1.718,97. Tussen partijen is daarmee niet langer in geschil dat de hoogte van het bedrag aan nabetaling juist is.
8.3.
De beroepsgrond dat het college ten onrechte geen wettelijke rente heeft betaald over de nabetaling in de periode december 2023 tot en met maart 2024, slaagt. In verband met het op 16 april 2024 achteraf alsnog toekennen van bijstand, heeft eiseres recht op wettelijke rente over de nabetaling. Het college had dit meteen in de uitkeringsspecificatie kunnen doen, dus daarom herroept de rechtbank het besluit van 25 april 2024 voor zover geen wettelijke rente is toegekend. De rechtbank bepaalt dat het college alsnog de wettelijke rente over de nabetaling moet toekennen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de CRvB van 25 januari 2012. [9] Voor iedere termijn afzonderlijk, telkens na afloop van een jaar, moet het bedrag waarover de rente wordt berekend worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De aldus berekende wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.
Het verzoek om immateriële schade
9. Eiseres voert aan dat een immateriële schadevergoeding aan haar moet worden toegekend en verwijst daarbij naar artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het onderzoek en ook de besluitvorming heeft een forse impact op eiseres gehad, zowel op financieel, maar zeer zeker ook op psychisch gebied. Verwezen wordt naar het aanvullend bezwaarschrift van 5 november 2024 en de brief van de huisarts van 26 augustus 2025, waaruit volgt dat eiseres is doorverwezen naar een psycholoog.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan eiseres geen immateriële schadevergoeding toekomt. Daarbij is het volgende van belang. Uit 7.1 tot en met 8.3 volgt dat de onrechtmatigheid van het besluit van 25 april 2024 vaststaat, maar ook dat het besluit van 16 april 2024 niet onrechtmatig is. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden is onder meer de aard en strekking van het vernietigde besluit een relevante factor. De onrechtmatigheid zit in het niet-toekennen van wettelijke rente over de nabetaling van bijstand. Door alsnog wettelijke rente te betalen wordt eiseres hiermee in voldoende mate gecompenseerd. Dat zij hierdoor immateriële schade heeft geleden, heeft zij niet aannemelijk gemaakt met hetgeen zij stelt in het bezwaarschrift van 5 november 2024 en met de brief van de huisarts van 26 augustus 2025.

Conclusie en gevolgen

10. De conclusie is dat het beroep gegrond is. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt voor het deel van het besluit waarbij het bezwaar gericht tegen de uitkeringsspecificatie van 25 april 2024 niet-ontvankelijk is verklaard en geen wettelijke rente is toegekend over de nabetaling. De rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het besluit van 25 april 2024 in zoverre te herroepen, te bepalen dat het college de wettelijke rente aan eiseres vergoedt en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van het bestreden besluit.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in totaal € 3.108,-. Bestaande uit € 1.814,- voor de proceskosten in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1) en
€ 1.294,- voor de proceskosten in bezwaar (1 punt voor het indienen van bewaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 5 februari 2025 voor zover het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2024 niet-ontvankelijk is verklaard;
  • verklaart het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2024 gegrond en herroept het besluit van 25 april 2024 voor zover het college geen wettelijke rente heeft toegekend;
  • bepaalt dat het college wettelijke rente toekent, zoals uiteengezet in rechtsoverweging 9.2;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 3.108,-.
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 51,00 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Maas-Last, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 december 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1999.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 1 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2414.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492.
6.Vergelijk de uitspraken van 9 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1846 en 20 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2101.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4103 en 24 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2014.
8.Zie onder meer de uitspraken van de CRvB van 8 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2313 en 28 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:180.