Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:2226

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11795711 CV 25-3147
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:171 BWArt. 3:69 BWArt. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia bij effectenlease via niet-vergunde tussenpersonen

De zaak betreft effectenleaseovereenkomsten die wijlen contractant en eiseres via tussenpersonen sloten met Dexia. Dexia leende geld waarmee aandelen werden gekocht, maar door waardedaling leden zij verlies. De kernvraag was of Dexia de schade volledig moet vergoeden.

De rechtbank sluit aan bij eerdere jurisprudentie en oordeelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door contractant en eiseres als klant te accepteren terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tussenpersonen geen vergunning hadden voor het geven van financieel advies. De stellingen van eiseres over de advisering zijn voldoende concreet en onderbouwd, terwijl Dexia onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

Dexia's beroep op verjaring wordt verworpen omdat de volmacht van Leaseproces met terugwerkende kracht is bekrachtigd. Dexia wordt veroordeeld tot vergoeding van de betaalde termijnen en restschuld, vermeerderd met wettelijke rente, en in de proceskosten. De vorderingen van Dexia ten aanzien van andere overeenkomsten worden afgewezen of toegewezen afhankelijk van het verweer.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens contractant en erfgenaam en moet de schade volledig vergoeden met rente en proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11795711 CV 25-3147
vonnis van de kantonrechter van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] , te dezen handelende, voor zichzelf, en ten behoeve van de gemeenschap, in hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van [erflater] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en Dexia genoemd.

1.Kern van de zaak

1.1.
[erflater] en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] hebben via een tussenpersoon meerdere effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomsten hielden het volgende in. [erflater] en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] leenden geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [erflater] en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] betaalden met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moesten [erflater] en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [erflater] en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] verlies hebben geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [erflater] en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [erflater] en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 8 juli 2025, met een incidenteel verzoek ;
  • de conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
  • de conclusie van antwoord in het incident, tevens houdende repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
Wijlen [erflater] (verder: contractant) heeft de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[nummer 1]
18-11-1999
Profit Effect
3.2.
Contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] hebben de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop zij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
II.
[nummer 2]
23-11-2001
Security Plus Effect
3.3.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
17-11-2009
- € 5.456,68
Ja
II.
22-11-2006
€ 0,00
nvt
3.4.
Volgens opgave van Dexia heeft [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] op grond van de overeenkomsten I. en II. – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 27.027,99 aan maandtermijnen en een bedrag van € 5.456,68 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] € 3.959,92 aan dividenden ontvangen en € 2.260,42 aan fiscaal voordeel genoten.
3.5.
De gemachtigde van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] , Leaseproces, heeft bij brief van 19 april 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van overeenkomsten I. en II. ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
3.6.
Contractant heeft verder nog de volgende leaseovereenkomsten (reconventie) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Naam overeenkomst
III.
[nummer 3]
Accelerator Effect
IV.
[nummer 4]
Accelerator Effect
V.
[nummer 5]
Accelerator Effect
VI.
[nummer 6]
Accelerator Effect
VII.
[nummer 7]
Accelerator Effect
3.7.
Het batig saldo van overeenkomsten die voor contractant winstgevend zijn geweest bedraagt € 18.887,52.
4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en de incidenten in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
4.1.
[eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 Dexia zal veroordelen afschriften te verstrekken van de aanvraagformulieren,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld tegenover contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat contractant en iedere erfgenaam van contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] zelf schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] van al datgene dat contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] aan Dexia hebben betaald onder de overeenkomsten I. en II., vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] , met rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een (voorwaardelijke) tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en contractant gesloten overeenkomsten met nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] en [nummer 7] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] verschuldigd is,
 [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en de verzoeken in het incidentalgemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
ontvankelijkheid [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident]
5.4.
Dexia verzoekt [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] een verklaring van erfrecht over te leggen, teneinde te kunnen bepalen of [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] de enige erfgenaam van contractant is en om die reden ook ten behoeve van de gemeenschap van de nalatenschap van contractant kan procederen. [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] heeft een overlijdensakte overgelegd, waaruit blijkt dat zij en contractant ten tijde van het overlijden van contractant gehuwd waren, waarmee zij op basis van de wettelijke erfregeling als langstlevende echtgenoot rechtstreeks erfgenaam is.
5.5.
De kantonrechter overweegt als volgt.
[eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] is erfgenaam en daarmee procesgerechtigd. Zij stelt de vordering in ten behoeve van zichzelf en ten behoeve van de gemeenschap, in hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van contractant.
De vraag of [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] gerechtigd is namens eventuele andere erfgenamen - ook als deze een grotere groep zou inhouden dan de nu in rechte verschenen erfgenaam - kan optreden, wordt bevestigend beantwoord. Wanneer er sprake is van een vordering tegen een derde, dan is immers iedere deelgenoot tot instelling daarvan bevoegd (artikel 3:171 BW Pro), tenzij een regeling anders bepaalt. Dat sprake is van een dergelijke regeling is gesteld noch gebleken.
Vereist is dat de procederende deelgenoot kenbaar maakt dat hij optreedt in de hoedanigheid voor de gezamenlijke, zo veel mogelijk met name genoemde deelgenoten en dat hij een uitspraak ten behoeve van de gemeenschap wenst (zo is bepaald in het Cento-arrest [2] ). Met andere woorden: de deelgenoot is de formele procespartij en de nalatenschapsgemeenschap c.q. de deelgenoten gezamenlijk zijn de materiële procespartij. [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] kan derhalve worden ontvangen in haar vordering.
verjaring
5.6.
Dexia heeft zich beroepen op verjaring. Dexia constateert dat contractant is overleden op 5 september 2017, zodat namens hem in 2017 voor het laatst een poging tot stuiting van de verjaring is gedaan. De eerstvolgende stuitingshandeling van Leaseproces dateert uit 2021, maar die is niet langer namens contractant verricht en, gelet op het feit dat [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] pas in 2025 een volmacht aan Leaseproces verleende, ook niet namens [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] . Dit betekent volgens Dexia dat de vorderingen in verband met de overeenkomsten in 2022 zijn verjaard, nu er in de tussenliggende periode geen geldige stuitingshandeling door contractant of [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] heeft plaatsgevonden.
5.7.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] op bekrachtiging ex artikel 3:69 BW Pro slaagt en acht daarvoor het volgende redengevend. Als gevolg van het overlijden van contractant is de volmacht van Leaseproces geëindigd. Desondanks heeft Leaseproces nadien mede namens contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] (en de eventuele erfgenamen van contractant) nog brieven aan Dexia verstuurd (onder andere in maart 2019 en oktober 2021). Leaseproces (en met haar Dexia) ging er van uit dat zij op dat moment nog steeds gevolmachtigde van contractant was. Lid 1 van het hiervoor genoemde artikel geeft de volmachtgever, waaronder tevens moet worden verstaan zijn rechtsopvolger, de mogelijkheid om met terugwerkende kracht alsnog een rechtshandeling te bekrachtigen. [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] heeft Leaseproces op 2 juni 2025 gevolmachtigd om namens haar op te treden en tevens om mogelijke stuitingshandelingen te bekrachtigen, aldus de als productie B bij dagvaarding overgelegde volmacht. Dexia heeft niet weersproken dat dit een geldige volmacht is, dat [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] een dergelijke bevoegdheid toekomt en evenmin dat zij van deze volmacht op de hoogte is gebracht. Ook heeft Dexia niet weersproken dat zij zich pas in deze procedure op het standpunt stelt dat er geen sprake is van een geldige volmacht. Dit betekent dat een eventuele verjaring van de vordering van contractant steeds tijdig is gestuit.
tussenpersoon
5.8.
Contractant heeft overeenkomst I. met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [de tussenpersoon] . Contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] hebben overeenkomst II. afgesloten via de tussenpersoon Financieel [de tussenpersonen] (verder ook: de tussenpersonen). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersonen niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.9.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersonen contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] hebben geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersonen contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies hebben verstrekt, rusten op [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.10.
[eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“1996
(Mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] hadden een bestaande adviesrelatie met de tussenpersoon [de tussenpersoon] . (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] hadden namelijk reeds diverse verzekeringen lopen via de tussenpersoon, waaronder een autoverzekering en een inboedelverzekering. Vervolgens is vanuit die bestaande adviesrelatie een afspraak gemaakte voor een huisbezoek om de financiële situatie van (mede)contractant door te nemen met een financieel adviseur van [de tussenpersoon] en de mogelijkheden van vermogensopbouw te onderzoeken. Vervolgens is [adviseur 1] , financieel adviseur van [de tussenpersoon] (hierna te noemen als: “adviseur 1”) langs geweest bij (mede)contractant. Tijdens het gesprek was [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] eveneens aanwezig.
Alvorens het gesprek was adviseur 1 op de hoogte van de gehele financiële situatie van (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] . Tijdens het eerste gesprek heeft adviseur 1 geïnformeerd naar de wensen en nader geïnformeerd naar de financiële situatie van (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] . Zo kwam ter sprake dat (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] eigen ondernemers waren. Samen exploiteerden zij een installatiebedrijf waarmee zij onder andere sanitaire voorzieningen installeerden, onderhielden en repareerden. Daarnaast is met adviseur 1 gesproken over de wens van (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] om vermogen op te bouwen om het pensioen aan te vullen, nu zij als eigen ondernemers zelf in hun pensioen moesten voorzien. (Mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] gaven aan dat zij reeds een bedrag hadden gespaard voor hun pensioen. Adviseur 1 gaf vervolgens aan dat hij een geschikt product kon adviseren om de doelstelling van (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] te kunnen verwezenlijken.
Adviseur 1 adviseerde (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] om vijf Accelerator Effect overeenkomsten van Bank Labouchere af te sluiten met ieder een vooruitbetaling van NLG 4.000 per overeenkomst. Omdat hiervoor met adviseur 1 was gesproken adviseerde adviseur 1 (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] om een deel van het spaargeld aan te wenden voor het doen van de vooruitbetalingen. Adviseur 1 gaf aan dat (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] met het overige deel van het spaargeld konden blijven sparen via de gewone spaarrekening.
Volgens adviseur 1 zouden (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] hun pensioen konden aanvullen.
(Mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] hadden geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwden daarom volledig op de deskundigheid van adviseur 1 en zijn advies. Om deze reden hebben (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] het advies van adviseur 1 opgevolgd. Conform het advies van adviseur 1 hebben (mede)contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] vijf Accelerator Effect overeenkomsten afgesloten met ieder een vooruitbetaling van NLG 4.000,- per overeenkomst.
De aanvraag voor de vijf Accelerator Effect overeenkomsten is door adviseur 1 in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend. Adviseur 1 heeft er vervolgens zorg voor gedragen dat de getekende overeenkomsten terechtkwamen bij Bank Labouchere. (…)
1999
In 1999 heeft adviseur 1 [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant wederom benaderd met de vraag of zij interesse hadden om te worden voorzien van nader advies. [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant antwoordden hierop bevestigend. Vervolgens is opnieuw een afspraak gemaakt voor een huisbezoek.
Alvorens het gesprek was adviseur 1 reeds op de hoogte van de gehele financiële situatie van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant. Tijdens het eerste gesprek heeft adviseur 1 wederom geïnformeerd naar de wensen. Tevens heeft adviseur 1 opnieuw nader geïnformeerd naar de financiële situatie van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant en gevraagd naar hoe de zaken liepen. [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant gaven wederom aan als wens te hebben om vermogen op te bouwen voor het pensioen, aangezien zij een eigen installatiebedrijf exploiteerden en derhalve zelf hun pensioen moesten verzorgen. Eveneens is met adviseur 1 gesproken over het inkomen van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant. Ook kwamen de reeds eerder afgesloten Accelerator Effect overeenkomsten aan de orde, waarbij adviseur 1 kenbaar maakte dat deze op winst stonden. Adviseur 1 adviseerde [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant vervolgens om nog een effectenleaseovereenkomst af te sluiten om er zeker van te zijn dat zij hun doelstelling zouden bereiken.
Adviseur 1 adviseerde [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant om een Profit Effect overeenkomsten van Bank Labouchere af te sluiten met een maandbetaling van NLG 300,- per maand. De hoogte van de maandbetaling is vastgesteld en geadviseerd door adviseur 1 aan de hand van het inkomen van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant. Op deze manier zouden [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en contractant nog meer vermogen opbouwen ten behoeve van hun doelstelling.
[eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant hadden nog steeds geen ervaring met of kennis van complexe financiële producten en vertrouwden daarom volledig op de deskundigheid van adviseur 1 en zijn advies. Om deze reden hebben [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant het advies van adviseur 1 opgevolgd. Conform het advies van adviseur 1 hebben [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant een Profit Effect overeenkomst afgesloten met maandbetalingen van NLG 297,96 per maand.
De aanvraag voor de Profit Effect overeenkomst is door adviseur 1 in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. Adviseur 1 heeft er vervolgens zorg voor gedragen dat de getekende overeenkomsten terechtkwamen bij Bank Labouchere.
2001
In 2001 zijn [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant via kennissen in contact gekomen met de tussenpersoon Financieel [de tussenpersonen] . Tijdens een bezoek – aan het kantoor van de tussenpersoon – werden [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant door de adviseur van Financieel [de tussenpersonen] , te weten [adviseur 2] (hierna te noemen als: “adviseur 2”), gewezen op een mooi spaarproduct waarmee zij aanzienlijk vermogen konden opbouwen. Adviseur 2 gaf vervolgens aan of [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant geïnteresseerd waren om op dat moment geadviseerd te worden over hun financiën en de mogelijkheden van vermogensopbouw met een mooi spaarproduct. Hiermee stemden [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant in.
Tijdens het gesprek heeft adviseur 2 geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant. Zo is met adviseur 2 gesproken over het gegeven dat [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant ondernemers waren en een installatiebedrijf runden. Ook kwam ter sprake dat [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant reeds eerder vijf Accelerator Effect overeenkomsten en één Profit Effect overeenkomst hadden afgesloten via [de tussenpersoon] . Ook werd gesproken over het gegeven dat de looptijd van de vijf Accelerator Effect overeenkomsten tot een einde was gekomen en dat [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant daaraan een spaarbedrag hadden overgehouden. Daarnaast is gesproken over de wens van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant om vermogen op te bouwen teneinde het pensioen aan te vullen. Adviseur 2 gaf aan dat hij nog een geschikt product kon adviseren om ervoor te zorgen dat [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant groot vermogen zou opbouwen voor hun doelstelling.
Adviseur 2 adviseerde [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant om een Security Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van LNG 24.000,-. Omdat hiervoor was gesproken over het spaargeld adviseerde adviseur 2 [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant om het spaargeld aan te wenden voor het doen van de vooruitbetaling. Volgens adviseur 2 zouden [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant op deze wijze nog meer vermogen zouden opbouwen om hun doelstelling te verwezenlijken.
(…)Conform het advies van adviseur 2 hebben [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en (mede)contractant een Security Effect overeenkomst afgesloten met een vooruitbetaling van NLG 24.104,18.
(…).”
5.11.
[eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 18 november 1999 met contractnummer [nummer 1] , voorzien van de tekst:
“Adviseur [kenmerk 2] ”,
- een kopie van de overeenkomst van 23 november 2001 met contractnummer [nummer 2] , voorzien van de tekst:
“Adviseur [kenmerk 1] [de tussenpersonen] ”,
- kopieën van de vijf op 15 november 1996 gesloten Accelerator Effect overeenkomsten, voorzien van de tekst:
“Adviseur: [de tussenpersoon] ”,- een kopie van een uittreksel van de KvK van [de tussenpersoon] met als beschrijving van de werkzaamheden ‘Assurantiebemiddeling, Assurantiën, M.M.S. Spaarbank, Uitgave weekblad, Onroerend goed’,
- een kopie van een uittreksel van de KvK van Financieel [de tussenpersonen] , met als beschrijving van de werkzaamheden ‘Assurantie-tussenpersoon; financiële planning’,
- een screenshot van de toenmalige website van Financieel [de tussenpersonen] .
aanhoudingsverzoek
5.12.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.13.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.14.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.15.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in hun geval heeft [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia5.16. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersonen aan contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.17. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens hen onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
5.18.
Hoewel het Security Plus Effect een garantieproduct is, hetgeen inhoudt dat bij beëindiging van de overeenkomst de restschuld (restant hoofdsom na aftrek van de waarde van de effecten) is verrekend met de opbrengst van de optie in verband met de garantie (waardoor deze restschuld nihil werd), laat dit onverlet dat contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] schade hebben geleden bestaande uit de betaalde inleg (termijnbetalingen).
vorderingen van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident]5.19. De door [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] heeft gehandeld door hen als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] niet alleen als klant aanbracht maar hen tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.20.
De als gevolg hiervan door contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
5.21.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.22.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het incidentele verzoek van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident]
5.23.
verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van de aanvraagformulieren. Uit het voorgaande volgt dat [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] in het gelijk zal worden gesteld. Zij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
het incidentele verzoek van Dexia
5.24.
Dexia verzoekt dat [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.25.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] destijds aan Leaseproces hebben verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.26.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] worden begroot op € 87,00.
vorderingen Dexia
5.27.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia ten aanzien van de overeenkomsten I. en II. afgewezen. [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] heeft ten aanzien van de overeenkomsten III., IV., V., VI. en VII. geen steekhoudend verweer gevoerd. De vordering van Dexia ten aanzien van deze overeenkomsten zal daarom worden toegewezen.
proceskosten
5.28.
Omdat [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 954,47.
5.29.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident]
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in het incident van Dexia
6.3.
wijst het verzoek af,
6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] , tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] heeft gehandeld door contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] als cliënten te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersonen contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] niet alleen als klant aanbrachten maar hen tevens persoonlijk hadden geadviseerd en zij geen vergunning daarvoor bezaten,
6.6.
verklaart voor recht dat contractant en iedere erfgenaam van contractant en [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.7.
veroordeelt Dexia om aan [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.20.,
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.12.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en contractant gesloten overeenkomsten met nummer [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] en [nummer 7] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] verschuldigd is,
6.13.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres in conventie in de hoofdzaak en verzoekster in het incident] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
6.14.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Aldus gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
typ: ksf
coll:

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.ECLI:HR:2000:AA7043
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.