ECLI:NL:RBLIM:2026:4258

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ROE 22/2755
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:1 AwbArt. 2:4 AwbArt. 6 EVRMArt. 7:4 AwbArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inzage persoonsgegevens in Fraude Signalering Voorziening en volledigheid inzage

Eiser verzocht inzage in zijn persoonsgegevens opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). De minister van Financiën verstrekte een overzicht van deze gegevens, maar verklaarde het bezwaar van eiser tegen deze inzage niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van bezwaargronden. Eiser stelde dat hij recht had op volledige inzage, waaronder screenprints van zijn registratie, en dat de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard.

De rechtbank oordeelde dat de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard en vernietigde het bestreden besluit. De rechtbank stelde zelf vast dat eiser geen recht heeft op de screenprints, omdat deze geen stukken zijn die op de zaak betrekking hebben zoals bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb en dat de AVG geen recht geeft op integrale stukken maar op persoonsgegevens in een geschikte vorm. De rechtbank wees ook het verzoek om een onderzoek naar volledigheid van de inzage af.

Daarnaast kende de rechtbank eiser een schadevergoeding van € 2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank zelf. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank stelde het bezwaar van eiser ongegrond en verving het vernietigde besluit door haar eigen oordeel. Het beroep werd daarmee gegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar ongegrond verklaard en een schadevergoeding van € 2.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/2755

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire),
en

de minister van Financiën,

(gemachtigden: mr. M.A.N. van de Kerkhoff, mr. M.M.J. Hoek).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiser [1] tegen het besluit van de minister van 3 november 2022 (het bestreden besluit). De minister heeft het bezwaar van eiser tegen het besluit op zijn inzageverzoek van 14 april 2022 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank beslist ook op het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen.
1.1
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft deze zaak samen behandeld met de zaken met zaaknummers: ROE 23/615, ROE 23/1496, ROE 23/1593, 23/1594 en ROE 24/4211. De rechtbank doet in de zaken van de andere eiseressen afzonderlijk uitspraak en in deze uitspraak dus alleen uitspraak op het beroep en verzoek van eiser.
2. Na sluiting van het onderzoek heeft eiser de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen. Reden hiervoor is dat onlangs bekend is geworden dat een zogenoemde datakluis is gevonden die onder andere wordt doorzocht op het dossier FSV (Fraude Signalering Voorziening).
3. De rechtbank heeft in het verzoek geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en wijst het verzoek af. Wat eiser aanvoert geeft geen reden te oordelen dat het onderzoek in deze zaak niet volledig is geweest. Dit alleen al omdat het aantreffen van die datakluis en wat daar uit zou kunnen komen niet tot een andere uitkomst van deze zaak kan leiden gelet op de vragen die in deze zaak voorliggen.

Beoordeling door de rechtbank

De beroepszaken
Wat ging aan het instellen van het beroep vooraf?
4. Eiser heeft de Belastingdienst om inzage gevraagd van zijn registratie in de FSV. De minister heeft het verzoek opgevat als een verzoek om inzage op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en het verzoek toegewezen. De minister heeft aan eiser een overzicht verstrekt van de persoonsgegevens van eiser die de minister in de FSV heeft opgenomen.
5. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. De minister heeft het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de bezwaargronden.
Wat voert eiser in beroep tegen het bestreden besluit aan en slaagt dit?
Bijstand of vertegenwoordiging door een gemachtigde
6. Eiser voert aan dat de bekendmaking van het besluit op het inzageverzoek in strijd is met artikel 2:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden.
7. De rechtbank heeft gezien dat de minister het besluit op het inzageverzoek aan eiser zelf bekend heeft gemaakt in plaats van aan zijn gemachtigde. De rechtbank heeft ook gezien dat eiser tijdig bezwaar heeft gemaakt en dat de minister vervolgens een besluit op het bezwaar heeft genomen. Eiser is door de bekendmaking van het besluit op zijn inzageverzoek aan hem zelf in plaats van aan zijn gemachtigde daarom niet benadeeld. Het tast het bestreden besluit, dat inhoudt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is omdat de gronden van bezwaar ontbreken, ook niet aan. Daarom ziet de rechtbank hierin geen reden het bestreden besluit te vernietigen. Wat eiser aanvoert slaagt dus niet.
De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar
8. Eiser vindt niet terecht dat de minister het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser voert daarover aan dat hij wel bezwaargronden heeft ingediend.
8.1
Eiser is het niet eens met de inzage die hij naar aanleiding van het inzageverzoek heeft gekregen. Hij vindt dat hij recht heeft op alle stukken. Eiser heeft gesteld dat hij om zijn bewijspositie veilig te kunnen stellen belang heeft bij alle stukken. Eiser wijst op de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] dat het uitgangspunt is mensen zo veel mogelijk inzage te geven van hun registratie in de FSV en dat mensen daar recht op hebben op grond van de AVG. Eiser vindt dat hij in elk geval op grond van de artikelen 8:42 en 7:4 van de Awb recht heeft op alle stukken. Eiser verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018 [2] en verschillende algemene stukken/publicaties. Dit laatste om te onderbouwen dat de minister een onjuist standpunt inneemt met betrekking tot de stukken die op de zaak betrekking hebben en/of dat niet zomaar kan worden uitgegaan van wat de minister stelt.
9. Eiser heeft hiermee concreet gemaakt waarom hij het niet eens is met het besluit op het inzageverzoek. Wat eiser aanvoert slaagt dus. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.
10. Eiser heeft in bezwaar ook nog aangevoerd dat de minister heeft aangestuurd op een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar terwijl volgens eiser volstrekt helder was wat eiser wilde. Deze handelwijze vindt eiser in strijd met artikel 2:4 van Pro de Awb en het beginsel van détournement de pouvoir. De rechtbank ziet geen reden hier nog op in te gaan omdat zij al van oordeel is dat de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank laat dit daarom onbesproken.
11. Ter finale geschilbeslechting gaat de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De minister heeft de rechtbank gevraagd gebruik te maken van deze bevoegdheid. Volgens de minister is het besluit op het inzageverzoek juist en zal een herbeoordeling van dat besluit niet tot een andere uitkomst leiden. De rechtbank is het daarmee eens en ziet daarom reden van deze bevoegdheid gebruik te maken.
De stukken
12. De rechtbank is gebleken dat het eiser met wat hij in bezwaar heeft aangevoerd tegen de inzage die hij naar aanleiding van het inzageverzoek heeft gekregen gaat om de screenprints van zijn registratie in de FSV (de screenprints).
13. Uit artikel 15 van Pro de AVG en vaste rechtspraak [3] over het recht op een kopie van persoonsgegevens blijkt het volgende.
Artikel 15 van Pro de AVG geeft de betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke duidelijkheid te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en om inzage te krijgen van die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van Pro de AVG is de betrokkene de mogelijkheid te geven zich van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens op de hoogte te stellen en de juistheid van de persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
13.1
Een verwerkingsverantwoordelijke is op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG verplicht aan de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens van de betrokkene die onder zijn verantwoordelijkheid worden verwerkt. Deze verplichting houdt niet in dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is een kopie te verstrekken van de stukken waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een verwerkingsverantwoordelijk mag deze stukken verstrekken, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, zoals een overzicht van de persoonsgegevens. Als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15 van Pro de AVG wordt voldaan.
13.2
Soms is het nodig dat informatie in een bepaalde context wordt geplaatst om de informatie te kunnen begrijpen. Dat kan met zich meebrengen dat de verwerkingsverantwoordelijke dan niet met een overzicht kan volstaan en de stukken moet verstrekken waarin de persoonsgegevens staan maar dan wel alleen voor zover dat nodig is om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten op grond van artikel 15 van Pro de AVG uit te kunnen oefenen. Een recht op inzage van persoonsgegevens is iets anders dan een recht op toegang tot bestuurlijke stukken. Artikel 15 van Pro de AVG is niet bedoeld om toegang tot bestuurlijke stukken te verzekeren.
14. Op grond van (artikel 15 van Pro) de AVG en gelet op de vaste rechtspraak over het recht op een kopie van persoonsgegevens heeft eiser dus geen recht op een kopie van integrale stukken. De toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën [naam] , die eiser heeft aangehaald, is gebaseerd op de AVG. Omdat de AVG geen recht geeft op integrale stukken is deze toezegging ook niet te lezen als een toezegging dat de minister inzage geeft door (niet gelakte) screenprints van een registratie in de FSV te verstrekken.
15. In het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad (HR) van 4 mei 2018 heeft de HR een aanvulling gegeven op de eerder in het arrest van 10 april 2015 [4] gegeven uitgangspunten voor wat moet worden verstaan onder de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb. In algemene zin heeft de HR overwogen dat alle stukken die een bestuursorgaan heeft gebruikt bij zijn besluitvorming in beginsel tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren en moeten worden overgelegd. Voor gegevens in databases geldt dat zij slechts op de zaak betrekking hebben voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de aan de orde zijnde zaak. Deze gegevens vormen het op de zaak betrekking hebbende ‘stuk’, dat in de vorm van een afdruk of op een andere geschikte wijze ter beschikking moet worden gesteld. Een bestuursorgaan is op grond van artikel 8:42, eerste lid van de Awb niet verplicht om buiten de reeds ter beschikking staande of gestaan hebbende stukken nadere gegevens te vergaren.
16. Eiser stelt dat de minister screenprints kan verstrekken uit de FSV. De rechtbank weet ambtshalve dat de minister deze mogelijkheid heeft. De registratie van eiser in de FSV is naar het oordeel van de rechtbank daarom een verzameling van elektronische gegevens die raadpleegbaar kunnen worden gemaakt. De vraag is of de screenprints van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank beoordeelt het besluit op het inzageverzoek en het bestreden besluit aan de hand van wat eiser daartegen heeft aangevoerd. Om deze beoordelingen te kunnen maken heeft de rechtbank de screenprints van de registratie van eiser in de FSV niet nodig.
16.1.
Op grond van de uitgangspunten van de HR zijn de screenprints geen stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitgangspunten van de HR niet te volgen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 25 februari 2026 [5] nog in lijn met die uitgangspunten geoordeeld.
17. Omdat de screenprints geen stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Awb
zijn het, gelet op de samenhang tussen artikel 8:42 van Pro de Awb en artikel 7:4 van Pro de Awb, ook geen stukken waarvan eiser in de bezwaarschriftprocedure op grond van artikel 7:4 van Pro de Awb al inzage of een afschrift had moeten krijgen.
18. De hiervoor besproken bepalingen geven eiser dus geen recht op de screenprints. Dat eiser de screenprints om hem moverende redenen wil hebben en wat in de algemene stukken/publicaties staat waarnaar eiser verwijst maken dat niet anders. Dit betekent dat de minister niet verplicht is de screenprints aan eiser te verstrekken. Het bezwaar van eiser slaagt dus niet.
19. Eiser heeft in beroep nagenoeg hetzelfde aangevoerd over het recht op alle stukken. De rechtbank verwijst voor haar reactie daarop naar het voorgaande. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat de verwijzing naar artikel 6 EVRM Pro en artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en de beginselen van fair play en equality of arms geen reden geven voor een ander oordeel. Omdat de screenprints geen stukken zijn die op de zaak betrekking hebben is het niet verstrekken van de screenprints niet in strijd met een eerlijk proces waarop artikel
6 EVRM en artikel 17, eerste lid, van de Grondwet recht geven en de genoemde beginselen. Wat eiser aanvoert slaagt daarom ook niet.
Volledigheid inzage
20. Eiser verwijst in beroep verder nog naar een brief over de herziening van de uitwonendenbeurs gericht aan één van zijn kinderen. In de brief staat dat DUO de uitwonendenbeurs van (oud)studenten gaat herzien omdat tussen 2012 en 2023 bij de selectie van studenten voor huisbezoeken onbedoeld sprake is geweest van indirecte discriminatie. Er werd een algoritme gebruikt dat te vaak studenten met een migratieachtergrond selecteerde voor een huisbezoek. Het gebruik van dit algoritme is per direct gestopt. Eiser wil met deze verwijzing de impact schetsen die het selecteren via fraudesystemen en/of algoritmen heeft en dat de omstandigheid dat zijn kind gecontroleerd is alleen kan worden verklaard door het koppelen van systemen en gegevens. Alleen kennisname van alle systemen, informatie en stukken kan eiser overtuigen dat sprake is van toeval. Daarom verzoekt eiser om een onderzoek als bedoeld in de artikelen 8:50 of 8:51 van de Awb.
21. Wat eiser aanvoert, hoe triest ook dat zijn kind in deze controle van DUO is gevallen, geeft onvoldoende grond om, zoals de rechtbank het aangevoerde opvat, te twijfelen aan de volledigheid van de gegeven inzage. Dit omdat uit de brief van DUO blijkt dat zijn kind is uitgekozen voor een controle door het gebruik van een algoritme door DUO zelf. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding toepassing te geven aan de haar in de genoemde artikelen gegeven bevoegdheden om een onderzoek ter plaatse in te stellen. Die bevoegdheden strekken zich in deze zaak overigens niet uit tot alle systemen van de Belastingdienst maar slechts tot de FSV. Wat eiser in beroep aanvoert slaagt dus niet.
Horen
22. Eiser voert ook nog aan dat de minister hem had moeten horen. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel over het bezwaar van eiser was daar geen reden voor. Wat eiser aanvoert slaag daarom niet.
Het verzoek om schadevergoeding
23. Eiser verzoekt om vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure [6] oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld.
24. Vaste rechtspraak is dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. [7] De rechtbank gaat in deze zaak ook uit van een redelijke termijn van twee jaren. In vaste rechtspraak wordt verder voor vergoeding van die schade uitgegaan van een schadevergoeding van € 500,- voor een termijnoverschrijding tot zes maanden. [8]
25. De redelijke termijn is begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser door de minister op 29 juni 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met bijna twee jaren overschreden. De minister heeft op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom geheel aan de rechtbank te wijten. Dit betekent dat eiser een schadevergoeding toekomt van € 2.000,-. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) moet de schadevergoeding betalen.

Conclusie en gevolgen

26. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door haar oordeel, dat het bezwaar van eiser niet slaagt en dus ongegrond is, in zoverre in de plaats stellen van het vernietigde bestreden besluit.
Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-.

Griffierecht en proceskosten

In de beroepszaak
27. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht ter hoogte van € 184,- aan eiser vergoeden. De rechtbank ziet daarom geen reden nog een principiële uitspraak te doen op het standpunt van eiser dat de rechtbank van hem geen griffierecht heeft mogen heffen. De minister moet ook een vergoeding voor rechtsbijstand aan eiser betalen. Op grond van het besluit proceskosten telt de rechtbank één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 1 toe. Dit betekent dat de minister een proceskostenvergoeding aan eiser moet betalen van € 1.868,-.
Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding
28. Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moet betalen, moet de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ook een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiser in verband met dat verzoek heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) een proceskostenvergoeding moet betalen van € 467,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van het verzoek op de zitting. Het verzoek is namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen.

Wat overigens nog aan de orde is geweest

29. Eiser heeft in deze procedure een brief overgelegd van de Belastingdienst van 29 juli 2023 waarin hij geïnformeerd wordt over de uitkomst van het onderzoek naar de gevolgen die zijn registratie in de FSV voor hem heeft gehad. In de brief staat dat eiser niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. Eiser ziet deze brief als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Awb en stelt zich op het standpunt dat het beroep ook betrekking heeft op deze brief.
30. De rechtbank ziet dit anders. Deze procedure gaat over het beroep tegen het bestreden besluit waarmee de minister het bezwaar van eiser tegen het besluit op het inzageverzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van bezwaargronden. De genoemde brief houdt geen besluit in dat het bestreden besluit intrekt, vervangt of wijzigt. Het beroep heeft daarom geen betrekking op het besluit in die brief. De Afdeling heeft op 18 juni 2025 [9] geoordeeld dat de brief een besluit inhoudt. De rechtbank zal de brief van eiser waarin hij aangeeft het niet eens te zijn met de brief van de Belastingdienst van 29 juli 2023 aan de minister doorsturen om de brief als bezwaarschrift in behandeling te kunnen nemen.

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, verklaart het bezwaar ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
-bepaalt dat de minister het griffierecht ter hoogte van € 184,- aan eiser vergoedt;
-veroordeelt de minister tot het betalen aan eiser van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand van € 1.868,-;
-wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 2.000,- te betalen aan eiser door de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid);
-veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen aan eiser van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand van € 467,- .
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 mei 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voor een betere leesbaarheid van de uitspraak noemt de rechtbank eiser in de uitspraak ook als daar zou moeten staan de gemachtigde van eiser namens eiser.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:647), de uitspraak van de ABRvS van 8 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:487), de uitspraak van de ABRvS 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5088) en het arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2023 (ECLI:EU:C:2023:369).
6.Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb).
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3853).
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak genoemd in noot 7.