AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek schadevergoeding wegens onrechtmatig bestuurshandelen gemeente Nederweert
Verzoeker, voormalig senior beleidsmedewerker milieu bij de gemeente Nederweert, vordert schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de gemeente in verband met zijn ontslag en de gevolgen daarvan. Hij stelt materiële en immateriële schade te hebben geleden, waaronder kosten voor psychologische hulp en pensioenbreuk.
De rechtbank oordeelt dat het ontslagbesluit rechtmatig was, aangezien de Centrale Raad van Beroep het ontslag wegens verstoorde arbeidsverhoudingen heeft bevestigd. Schade die voortvloeit uit gebeurtenissen vóór 1 juli 2013 valt buiten de verzoekschriftprocedure en is bovendien verjaard. De gemeente heeft voldoende re-integratie-inspanningen verricht en er is geen onrechtmatig handelen vastgesteld.
De immateriële schade wegens vermeende slechte behandeling en het niet naleven van zorgplicht wordt niet toegewezen, mede vanwege het ontbreken van causaal verband en verjaring. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt wel toegewezen, waarbij de Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.500.
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af, vergoedt geen griffierecht of proceskosten, en geeft informatie over hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar €1.500 toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/2643
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026
in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert, het college
(gemachtigden: mr. A.G. Kerkhof en M.H.P. Lucassen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding van verzoeker. Verzoeker stelt hier recht op te hebben, omdat hij door onrechtmatige besluitvorming en handelingen van de gemeente Nederweert zowel materiële als immateriële schade heeft geleden
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verzoeker geen recht heeft op een schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Verzoeker krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met de brief van 7 juli 2022 heeft verzoeker het college en de gemeenteraad van Nederweert aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade.
2.1.
Met de brief van 4 oktober 2022 heeft het college geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor de door verzoeker gestelde schade. Het verzoek om schadevergoeding wordt niet gehonoreerd.
2.2.
Op 9 november 2022 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de brief van 4 oktober 2022.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 21 mei 2025 gevoegd behandeld met het beroep van verzoeker met zaaknummer ROE 22/2836. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van het college.
2.5.
Na de zitting zijn de beroepen gesplitst en is in ieder beroep afzonderlijk uitspraak gedaan.
Voorgeschiedenis
3. Verzoeker was sinds 1 maart 1978 werkzaam bij de gemeente Nederweert, laatstelijk in de functie van senior beleidsmedewerker milieu bij de afdeling Bouwen en Milieu. Het college heeft verzoeker met ingang van 1 november 2010 primair op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie en subsidiair op grond van verstoorde verhoudingen ontslag verleend (ontslagbesluit). Bij uitspraak van 2 augustus 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] , beslissend op het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2010 [2] , de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Daarbij heeft de CRvB geoordeeld dat het college bevoegd was verzoeker te ontslaan vanwege ernstig en duurzaam verstoorde verhoudingen. De CRvB heeft zelf in de zaak voorzien en verzoeker alsnog een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering toegekend.
3.1.
Verzoeker heeft zich niet kunnen neerleggen bij dit ontslag en de omstandigheden daaromheen. Dit heeft geleid tot een groot aantal bestuursrechtelijke-, civielrechtelijke-, strafrechtelijke-, tuchtrechtelijke en klachtrechtelijke procedures tegen de gemeente Nederweert en organen van en personen die werkzaam zijn (geweest) bij of voor deze gemeente. Verzoeker heeft ook een enorme hoeveelheid verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, Wet open overheid, Wet bescherming persoonsgegevens en Algemene Verordening Gegevensbescherming ingediend bij de gemeente Nederweert, maar ook bij andere bestuursorganen. Daarnaast heeft hij een klacht tegen de gemeente Nederweert ingediend bij de Ombudsman en is op zijn verzoek een bejegeningsonderzoek gestart door het Huis voor de Klokkenluiders. Verder heeft verzoeker een vloed aan brieven en e-mails aan de gemeente Nederweert gezonden die direct of indirect verband hielden met zijn ontslag; een aantal daarvan gingen over het aansprakelijk stellen van de gemeente Nederweert voor de door hem gestelde geleden schade.
3.2.
Verzoeker heeft in 2014 een vordering ingesteld bij de civiele rechter om de gestelde schade vergoed te krijgen. De procedure is geëindigd met het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 mei 2018. [3] Het Hof heeft het vonnis van de rechtbank waartegen hoger beroep bij het Hof was gericht vernietigd en zich onbevoegd verklaard om van het geschil kennis te nemen. Het Hof heeft de gemeente Nederweert gevolgd in zijn verweer dat verzoekers vordering uitsluitend via een verzoekschriftprocedure, als bedoeld in artikel 8:90 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), had moeten worden ingesteld.
3.3.
Daarna heeft verzoeker in 2020 een verzoekschriftprocedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt. Bij uitspraak van 15 maart 2022 [4] heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om het verzoek om schadevergoeding in behandeling te nemen, omdat de schadeoorzaken die volgens verzoeker tot de door hem gestelde schade hebben geleid, hebben plaatsgevonden vóór 1 juli 2013 en dus het recht van toepassing was dat gold vóórdat de verzoekschriftprocedure in werking trad.
3.4.
Verzoeker heeft daarop op 11 april 2022 bij het college en de gemeenteraad van Nederweert een verzoek tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit ingediend. Hij stelt materiële en immateriële schade te hebben geleden door het handelen van de gemeente Nederweert in verband met zijn ontslag. Het college heeft met het besluit op bezwaar van 8 november 2022 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en verzoekers schadeverzoek afgewezen vanwege verjaring. Verzoeker heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank (dit is de gevoegde zaak bekend onder zaaknummer ROE 22/2836). In deze zaak wordt vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.
3.5.
Verzoeker heeft op 7 juli 2022 bij het college en de gemeenteraad van Nederweert een verzoekschriftprocedure ingediend, voor zover de door hem gestelde materiële en immateriële schade ziet op schade geleden ná 1 juli 2013. Dit is de start van de onderhavige procedure.
Beoordeling door de rechtbank
4. Voor de in deze uitspraak genoemde artikelen verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.
Is er sprake van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90, eerste lid, van de Awb?
5. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de brief van het college van 4 oktober 2022, waarbij zijn verzoek om schadevergoeding van 7 juli 2022 werd afgewezen.
5.1.
Dit beroepschrift van 9 november 2022 – gelet op de inhoud ervan in combinatie met de brief van 7 juli 2022, waarin staat dat het verzoek betrekking heeft op schade van ná 1 juli 2013 – vat de rechtbank op als een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank om het college op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade, die verzoeker stelt door toedoen van het college te hebben geleden. Immers, de reactie van het college van 4 oktober 2022 op de brief tot aansprakelijkstelling van 7 juli 2022 is niet vatbaar voor bezwaar en beroep.
5.2.
Voor zover verzoeker in beroep heeft aangevoerd dat het college hem ten onrechte niet heeft gehoord en hem ook geen termijn heeft gegeven voor het overleggen van bewijsstukken, overweegt de rechtbank dat het college daartoe helemaal niet verplicht is in het kader van deze verzoekschriftprocedure. Het is de rechtbank die beslist op het verzoek tot schadevergoeding, niet het college. Het college kan alleen reageren op verzoekers brief tot aansprakelijkstelling van 7 juli 2022, maar zelfs dat hoeft hij in het kader van de verzoekschriftprocedure niet te doen.
Inhoudelijk oordeel
6. De rechtbank stelt vast dat verzoeker het verzoek tot aansprakelijkheidstelling voor schade zowel heeft gericht aan de gemeenteraad als aan het college. De gemeenteraad heeft op 27 september 2022 de afhandeling van dat verzoek overgedragen aan het college. De rechtbank zal dan ook alleen het college aanmerken als verwerende partij.
De schade die verzoeker vergoed wil krijgen
7. Verzoeker heeft de gestelde schade gespecificeerd in zijn brief van 7 juli 2022. Als materiële schade heeft verzoeker opgevoerd de kosten voor het zelf inschakelen van een psycholoog respectievelijk psychiater voor de periode 1 juli 2013 tot en met 2020 (te weten: € 3.080,-) en de schade als gevolg van pensioenbreuk, die ontstaan is doordat de gemeente Nederweert hem ook na 1 juli 2013 niet heeft ondersteund bij het vinden van ander werk (re-integratietaak). Verzoeker heeft in dit verband verwezen naar zijn posttraumatische stressstoornis (PTSS). Deze diagnose is bij verzoeker vastgesteld in 2014. Op 1 juli 2014 heeft verzoeker zich ziekgemeld bij de uitkeringsinstantie. Verzoeker meent dat door de PTSS en de houding van de gemeente hij zich niet kon richten op de arbeidsmarkt en de toekomst. Verzoeker wil deze pensioenschade vergoedt krijgen van 1 juli 2013 tot aan de datum van zijn AOW-gerechtigde leeftijd in 2023, te specificeren bij afzonderlijke opgave.
7.1.
Verder heeft verzoeker € 25.000,- aan immateriële schade gevorderd. De grondslag voor deze vordering ligt volgens verzoeker in het feit dat de gemeente Nederweert hem volledig heeft genegeerd in en na de re-integratieperiode en na de diagnose PTSS in 2014. Eiser meent dat als de gemeente zich aan de wettelijke regels en beleidsregels had gehouden, hij vrijwel zeker nooit gezondheidsklachten had gekregen. Door de houding en gedrag van de gemeente is verzoeker van mening dat hij een ernstig trauma heeft opgelopen. De volgende acht gebeurtenissen laten naar de mening van verzoeker zien hoe hij is behandeld door de gemeente Nederweert:
niet optreden tegen grensoverschrijdend gedrag (pesten);
geen procedurele fairheid in de ontslagprocedure;
niet naleving van de zorgplicht door de gemeente;
het onthouden van de gemeente van een toegezegde vertrouwenspersoon;
geen hulp van de gemeente bij het zoeken naar het vinden van een nieuwe baan;
onjuiste of tekortschietende omgang met klachten en meldingen;
door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) onjuist informeren van de Vaste Kamercommissie Binnenlandse Zaken;
onrechtmatig stopzetten van de na-wettelijke uitkering.
Toetsingskader
8. De verzoekschriftprocedure [5] is in werking getreden op 1 juli 2013 en niet van toepassing op schade die het gevolg is van schadeoorzaken van vóór 1 juli 2013. Op grond van het overgangsrecht blijft op verzoeken om vergoeding van die schade het recht van toepassing dat vóór 1 juli 2013 gold. [6]
8.1.
De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt als gevolg van onder meer een onrechtmatig besluit, een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar belanghebbende is. [7]
8.2.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moet de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiten bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat er een oorzakelijk verband is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. De bewijslast ten aanzien van de gestelde schade en de omvang daarvan en van het causale verband tussen deze schade en het onrechtmatige besluit ligt in beginsel bij de verzoeker. [8]
8.3.
Deze rechtspraak geldt ook in het geval waar het gaat om een onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar in de zin van artikel 1, van de Ambtenarenwet, belanghebbende is.
8.4.
De rechtbank zal hierna de door verzoeker gestelde schade bespreken.
De materiële schade
9. Verzoeker heeft de kosten van het eigen risico voor het zelf inschakelen van een psycholoog/psychiater voor de periode 2013-2020 opgevoerd als schade.
9.1.
De rechtbank moet eerst vaststellen aan welke maatstaf dit onderdeel van het verzoek tot schadevergoeding dat door verzoeker is ingediend, moet worden getoetst. Anders gezegd, waar is deze schade door veroorzaakt? Is er sprake van onrechtmatig overheidshandelen dat deze schade heeft veroorzaakt? En is dat handelen te herleiden naar een besluit, waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld, of naar een onrechtmatige handeling?
9.2.
Verzoeker stelt onder meer dat hij zijn ontslag geen plaats heeft kunnen geven en dat het college (onder verwijzing naar een brief van 13 september 2013) tijdens zijn dienstverband adviezen van de bedrijfsarts en het UWV niet heeft opgevolgd en hem destijds geen vertrouwenspersoon heeft toegewezen. Verzoeker stelt dat hij daardoor de hulp heeft moeten inroepen van een psycholoog/psychiater om geestelijk niet onderuit te gaan.
9.3.
Dat verzoeker zijn ontslag geen plaats heeft kunnen geven is te herleiden tot het ontslagbesluit. De rechtbank is – anders dan verzoeker – van oordeel dat het ontslagbesluit van verzoeker niet onrechtmatig is. De eerste ontslaggrond (ongeschiktheid) is weliswaar gesneuveld in hoger beroep bij de CRvB [9] , maar de tweede ontslaggrond (verstoorde arbeidsverhouding) is overeind gebleven. Verder zag de gegrondverklaring van het hoger beroep op een motiveringsgebrek, omdat er geen ontslagregeling was toegekend (in verband met de tweede ontslaggrond). De CRvB heeft de rechtsgevolgen in stand gelaten en zelf in de zaak voorzien door aan het ontslag alsnog de minimaal vereiste ontslagregeling te verbinden. Verzoeker heeft met terugwerkende kracht alsnog deze ontslagregeling gekregen met wettelijke rente. De schade, die eiser geleden heeft als gevolg van de afwikkeling van het ontslag, is dus al vergoed en dat er nog andere schade is geweest, die voortvloeit uit het niet in eerste instantie toekennen van de juiste ontslagregeling, is niet gebleken. Het ontslag van verzoeker is – gelet op het voorgaande – dan ook rechtmatig.
9.4.
Wat er verder ook zij van het ontslagbesluit, dit rechtmatige besluit en ook de door verzoeker gestelde onrechtmatige handelingen van de gemeente tijdens verzoekers werkzame periode, waaronder het niet toekennen van een vertrouwenspersoon, zijn gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan vóór 1 juli 2013 of zijn gevolgen van het handelen van de gemeente van vóór die datum. Deze schade hoort niet binnen deze verzoekschriftprocedure thuis en is hoe dan ook verjaard, omdat de vordering niet tijdig meer is gestuit na de tweede helft van 2018. Deze schade kan dus ook om die reden niet worden toegewezen.
9.5.
Verzoeker heeft verder aangevoerd dat hij materiële schade heeft geleden door pensioenbreuk doordat de gemeente hem ook na 1 juli 2013 niet goed aan een baan zou hebben geholpen.
9.6.
De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel verzoekers eigen verantwoordelijkheid is om een nieuwe baan te vinden. Verzoeker beroept zich op wat de gemeente in zijn ogen allemaal voor hem had moeten doen, zoals bijvoorbeeld bemiddelen bij de Regionale Uitvoeringsdienst. Gebleken is dat in 2013 de gemeente verzoeker heeft aangemeld bij een re-integratiebureau. Hiermee heeft de gemeente voldoende inspanningen verricht voor de re-integratie van verzoeker als zijn ex-ambtenaar. Niet is gebleken dat het college zich in dit kader niet aan enige wettelijke verplichting heeft gehouden en zodoende onrechtmatig tegen verzoeker heeft gehandeld. Dat verzoeker zich niet kon vinden in de aan hem opgelegde sollicitatieplicht van het betreffende re-integratiebureau en dus niet verder wilde met dit bureau komt voor zijn eigen rekening en risico. Nu er geen sprake is van onrechtmatig handelen van het college, kan verzoeker de vermeende schade niet verhalen op het college.
9.7.
Verder heeft verzoeker aangegeven dat hij materiële schade heeft geleden, omdat de gemeente niet het gesprek met hem is aangegaan over zijn PTSS. De rechtbank volgt het standpunt van het college dat het niet aangaan of het weigeren van een gesprek niet kan worden herleid tot een onrechtmatige handeling als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Voor zover verzoeker heeft bedoeld te betogen dat hij als gevolg van zijn PTSS (pensioen)schade heeft geleden, overweegt de rechtbank dat verzoeker op zitting heeft verklaard dat de PTSS het gevolg is van het pesten op de werkvloer en (de uitvoering van) het ontslag (het verzaken van de gemeente van zijn zorgplicht). Dit pestgedrag en het ontslag heeft plaatsgevonden vóór 1 juli 2013, een periode die buiten het kader van deze verzoekschriftprocedure valt. De diagnose PTSS is echter in 2014 gesteld door de Stichting ’45; dat is dus wel na 1 juli 2013. De vordering van schade voortvloeiend uit PTSS is echter verjaard, omdat verzoeker met betrekking tot deze schade in de periode na het vonnis van gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch op 29 mei 2018 (in een vordering tot schadevergoeding bij de burgerlijke rechter) geen concrete stuitingsbrief meer naar de gemeente Nederweert heeft geschreven. De gestelde schade kan dus niet aan verzoeker worden toegewezen.
De immateriële schade
10. Verzoeker heeft gesteld schade te hebben geleden, omdat de gemeente hem (kort gezegd) volledig heeft genegeerd en hij daardoor gezondheidsklachten (een trauma) heeft gekregen, is ontslagen en dit ontslag geen plek heeft kunnen geven. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een achttal handelingen van de gemeente naar voren gebracht.
10.1.
Voor wat betreft de volgende door eiser aangevoerde handelingen – waarbij de rechtbank verder in het midden laat of deze onrechtmatig zijn – is de rechtbank van oordeel dat de schadeoorzaken daarvan betrekking hebben op de periode vóór 1 juli 2013 of hun grondslag in die periode hebben: (i) het niet optreden tegen grensoverschrijdende gedrag (pesten), (ii) geen procedurele fairheid in de ontslagprocedure, (iii) niet naleving van de zorgplicht, (iv) het onthouden van een toegezegde vertrouwenspersoon en (v) geen hulp bieden bij het zoeken naar een nieuwe baan. Het is dan ook maar de vraag of de door eiser gestelde schade, als er al sprake is van onrechtmatig handelen, in een verzoekschriftprocedure als deze kan worden meegenomen. Wat daar verder ook van mag zijn, de eventuele rechtsvordering tot vergoeding van de schade, die uit deze handelingen voortvloeit, is in ieder geval verjaard, omdat deze, zoals hiervoor al meermaals is overwogen, niet tijdig is gestuit.
10.2.
Ten aanzien van het onthouden van een toegezegde vertrouwenspersoon merkt de rechtbank nog op dat in het verweerschrift is toegelicht dat verzoeker destijds heeft geprocedeerd tegen de afwijzing van zijn verzoek om toewijzing van een nieuwe vertrouwenspersoon. Omdat verzoeker tegen het besluit op bezwaar geen beroep heeft ingesteld, is dit besluit onherroepelijk geworden. Het besluit dateert dan ook niet alleen van vóór 1 juli 2013, maar het betreft ook een rechtmatig (en dus geen schadeveroorzakend) besluit. Verzoeker heeft deze procedure over een vertrouwenspersoon op zitting niet weersproken.
10.3.
Voor zover verzoeker heeft gesteld dat hij brieven heeft gestuurd naar de gemeente en dat zijn klachten niet behandeld zijn, overweegt de rechtbank dat het college in beginsel wel gehouden is om klachten te beantwoorden. Voor de rechtbank is het echter op geen enkele manier duidelijk geworden wat de immateriële schade precies is, die verzoeker stelt te hebben geleden vanwege het feit dat de klacht zelf niet in behandeling is genomen, nog daargelaten de vraag of er sprake is van causaal verband tussen het als schadeoorzaak genoemde vermeende onrechtmatig handelen en de gestelde schade. Dit is niet, althans onvoldoende, door verzoeker aangetoond. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om schadevergoeding op dit punt toe te kennen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor schadevergoeding.
10.4.
Het onjuist informeren door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) van de vaste commissie BZK in de Tweede Kamer is naar het oordeel van de rechtbank geen onrechtmatige besluit of handeling van de gemeente Nederweert. Verzoeker heeft ook ten aanzien van deze gebeurtenis niet aangegeven wat de schade is. Deze gebeurtenis is niet relevant voor dit schadeverzoek.
10.5.
Als laatste gebeurtenis heeft verzoeker het onrechtmatig stopzetten van verzoekers na-wettelijke uitkering genoemd. De rechtbank stelt vast dat de CRvB bij uitspraak van 27 oktober 2022 [10] het stopzetten van de na-wettelijke uitkering in stand heeft gelaten. Dat betekent dat niet is voldaan aan artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a van de Awb. Er is immers geen sprake van een onrechtmatig besluit. Het schadeverzoek van verzoeker op dit onderdeel kan dan ook niet worden toegewezen.
Overige beroepsgronden
11. Verzoeker heeft naar voren gebracht dat het verweerschrift te laat is ingediend. Dit is volgens hem in strijd met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. In dit artikel is bepaald dat binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan, dit bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt en een verweerschrift indient. Het college heeft het verweerschrift ingediend op 30 april 2025. De in artikel 8:42 vanPro de Awb genoemde termijn van vier weken is een termijn van orde. [11] Dat wil zeggen dat in de wet een overschrijding van deze termijn geen consequenties zijn verbonden. Gelet op het tijdsverloop tussen de indiening van het verweerschrift en de zitting, was er genoeg tijd om inhoudelijk op het verweerschrift te reageren. De rechtbank ziet dan ook – anders dan verzoeker – geen aanleiding om het verweerschrift buiten beschouwing te laten.
11.1.
De rechtbank heeft de brieven van verzoeker van 23 mei 2025 en 4 juli 2025 wel buiten beschouwing gelaten, omdat deze brief na sluiting van het onderzoek zijn ingediend.
11.2.
Wat eiser verder nog heeft aangevoerd in beroep, leidt niet tot een ander oordeel.
Overschrijding van de redelijke termijn
12. Verzoeker heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het EVRM [12] .
12.1.
De rechtbank wijst het verzoek toe. De rechtbank beoordeelt het verzoek aan de hand van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [13] Uitgangspunt is dat de behandeling door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn is geweest, als de uitspraak niet binnen twee jaar na - in dit geval - de ontvangst van het verzoekschrift is gedaan. Uitgangspunt is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden. Of de redelijke termijn is overschreden, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop deze door de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.
12.2.
De redelijke termijn is in deze zaak aangevangen op 9 november 2022, de datum van indiening van het verzoekschrift. Gelet op de datum van de uitspraak betekent dit dat de redelijke termijn met ruim 14 maanden is overschreden, zodat een schadevergoeding van € 1.500,- gerechtvaardigd is. De overschrijding van de redelijke termijn wordt geheel toegerekend aan de rechtbank. De rechtbank zal daarom de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) opdragen dit bedrag te vergoeden.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er bestaat geen grond voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Verzoeker krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
13.1.
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 1.500,- aan schadevergoeding aan verzoeker wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 januari 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb:
Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inzake vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen.
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
2 Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.
1. Indien de schade wordt veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de Hoge Raad in enige of hoogste aanleg oordeelt, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd.
2 In de overige gevallen is de bestuursrechter bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25 000 bedraagt met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente, en onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen.
3 De bestuursrechter is in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, niet bevoegd indiende belanghebbende het verzoek heeft ingediend nadat hij ter zake van de schade een geding bij de burgerlijke rechter aanhangig heeft gemaakt.
4 Zolang het verzoek van de belanghebbende bij de bestuursrechter aanhangig is, verklaart de burgerlijke rechter een vordering tot vergoeding van de schade niet ontvankelijk.
1. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit.
2 Ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift vraagt de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
1. Indien het verzoek wordt gedaan gedurende het beroep tegen of het hoger beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit, wordt het ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep of het hoger beroep aanhangig is.
2 In dat geval is artikel 8:90, tweede lid, niet van toepassing.
3 Indien het verzoek wordt gedaan in hoger beroep beslist de hoger beroepsrechter op het verzoek, tenzij hij het verzoek naar de rechtbank verwijst omdat het naar zijn oordeel behandeling door de rechtbank behoeft.
1. Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de verzoeker;
b. de dagtekening;
c. een aanduiding van de oorzaak van de schade;
d. een opgave van de aard van de geleden of de te lijden schade en, voor zover redelijkerwijs mogelijk, het bedrag van de schade en een specificatie daarvan;
e. de gronden van het verzoek.
2 Bij het verzoekschrift worden zo mogelijk een afschrift van het schadeveroorzakende besluit waarop het verzoekschrift betrekking heeft, en van het verzoek, bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, overgelegd.
3 Artikel 6:5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 310 vanPro Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op verzoeken om schadevergoeding op grond van deze titel. De verjaringstermijn vangt evenwel niet eerder aan dan de dag na die waarop:
a. de vernietiging van het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk is geworden, of
b. het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het besluit heeft erkend.
1. Op het verzoek en de behandeling daarvan zijn de artikelen 6:6, 6:14, 6:15, 6:17, 6:21, 6:24, 8:8 tot en met 8:28, 8:29 tot en met 8:51, 8:52 tot en met 8:55, 8:56 tot en met 8:69, 8:71, 8:74 tot en met 8:80 en 8:81 tot en met 8:87 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing is indien de schade is veroorzaakt door een besluit als bedoeld in artikel 26 vanPro die wet.
2 In afwijking van het eerste lid is bij indiening van het verzoek overeenkomstig artikel 8:91 geenPro griffierecht verschuldigd.
Indien de bestuursrechter het verzoek geheel of gedeeltelijk toewijst, veroordeelt hij het bestuursorgaan tot vergoeding van schade.
Artikel IV van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten:
1. Op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit of die handeling in werking is getreden, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.
2 Op schade, veroorzaakt door een handeling ter uitvoering van een besluit dat werd bekendgemaakt voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit in werking is getreden, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.
3 Indien het eerste besluit tot uitvoering van een activiteit is genomen voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit in werking is getreden, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip ook van toepassing op schade, veroorzaakt door latere besluiten of andere handelingen ter uitvoering van diezelfde activiteit.