ECLI:NL:RBLIM:2026:5128

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
11859350 CV EXPL 25-3631
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige advisering en schadevergoeding bij effectenleaseovereenkomst met Dexia

Eiser heeft via een tussenpersoon effectenleaseovereenkomsten gesloten met Dexia, waarbij hij verlies leed. Hij vordert schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van Dexia, die via een niet-vergunde tussenpersoon persoonlijk advies zou hebben gegeven. Dexia voert verweer en stelt onder meer dat eiser niet ontvankelijk is vanwege een vaststellingsovereenkomst tussen Dexia en de ex-echtgenote van eiser.

De kantonrechter oordeelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomst aan te gaan terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning persoonlijk advies gaf. De vaststellingsovereenkomst met de ex-echtgenote maakt dat Dexia niet meer aansprakelijk is voor die overeenkomst, en eiser moet zich tot zijn ex-partner wenden voor eventuele vorderingen.

De schadevergoeding wordt vastgesteld op basis van betaalde termijnen minus genoten voordelen. Het verzoek om inzage in documenten wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens eiser en wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens vergunningplichtige advisering door tussenpersoon.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11859350 CV 25-3631
vonnis van de kantonrechter van 20 mei 2026
in de zaak van
[lessee 1] , handelende ten behoeve de gemeenschap,
wonende te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [lessee 1] en Dexia genoemd.

1.Kern van de zaak

1.1.
[lessee 1] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [lessee 1] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [lessee 1] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [lessee 1] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [lessee 1] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [lessee 1] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [lessee 1] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 20 augustus 2025;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, tevens houdende een antwoord in het incident;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
[lessee 1] en zijn inmiddels ex-vrouw (verder: [lessee 2] ) hebben de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop [lessee 1] danwel [lessee 2] als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Op naam van
I.
[nummer 1]
20-04-1998
Capital Effect
[lessee 2]
II.
[nummer 2]
30-10-1998
Capital Effect
[lessee 1]
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
I.
16-03-2006
€ 442,39
II.
05-05-2006
€ 1.604,39
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [lessee 2] op grond van de overeenkomst met nummer [nummer 1] – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 6.402,14 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [lessee 2] € 894,51 aan dividenden ontvangen en € 1.077,19 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4.
Volgens opgave van Dexia heeft [lessee 1] op grond van de overeenkomst met nummer [nummer 2] – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 4.111,38 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [lessee 1] € 830,50 aan dividenden ontvangen en € 677,18 aan fiscaal voordeel genoten.
3.5.
Bij beschikking van de rechtbank Maastricht van 23 april 2003 is de echtscheiding tussen [lessee 1] en [lessee 2] uitgesproken. [lessee 1] en [lessee 2] hebben een echtscheidingsconvenant opgesteld.
3.6.
De gemachtigde van [lessee 1] , Leaseproces, heeft bij brief van 12 maart 2007 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
3.7.
[lessee 2] heeft in 2021 met Dexia ten aanzien van de overeenkomst met nummer 2007674 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Dexia heeft uit hoofde van deze vaststellingsovereenkomst een uitbetaling aan [lessee 2] gedaan.
3.8.
Op 11 december 2024 heeft Dexia ten aanzien van de overeenkomst met nummer [nummer 2] een bedrag van € 813,10 aan [lessee 1] uitgekeerd, volgens Dexia een onverplichte betaling waarvan € 388,89 rente was.
3.9.
[lessee 1] en [lessee 2] hebben in 2024 een akte ondertekend waarbij zij – onder andere – bevestigen dat [lessee 2] haar vorderingen uit de overeenkomsten met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] uit hoofde van de ontbonden gemeenschap heeft overgedragen aan [lessee 1] en Dexia daarvan op de hoogte zal worden gesteld.

4.De vordering en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident

4.1.
[lessee 1] vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- voorwaardelijk:
 Dexia zal veroordelen het aanvraagformulier en haar versie van de ondertekende overeenkomst aan [lessee 1] te verstrekken,
- onvoorwaardelijk:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [lessee 1] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat [lessee 1] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [lessee 1] van al datgene dat [lessee 1] en/of [lessee 2] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [lessee 1] , met rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 [lessee 1] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [lessee 1] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [lessee 1] gesloten overeenkomst met nummer [nummer 2] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [lessee 1] verschuldigd is,
 [lessee 1] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en het verzoek in het incidentalgemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [lessee 1] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[lessee 1] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
ontvankelijkheid van [lessee 1] ten aanzien van de overeenkomst met nummer [nummer 1]
5.4.
Dexia voert aan dat [lessee 1] niet ontvankelijk is ten aanzien van de overeenkomst met nummer [nummer 1] , nu tussen Dexia en [lessee 2] in 2021 een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij [lessee 2] kwijting aan Dexia heeft verleend ten aanzien van haar vordering tot de overeenkomst met nummer [nummer 1] , die enkel op naam van [lessee 2] stond. De overeenkomst met nummer [nummer 1] is met [lessee 2] afgewikkeld en [lessee 2] bezat in 2024 geen vordering op Dexia meer die zij aan [lessee 1] kon overdragen.
5.5.
[lessee 1] stelt zich op het standpunt dat [lessee 2] niet zelfstandig bevoegd was om als enige deelgenoot afstand van recht te doen van de vorderingen van de gehele gemeenschap. De vaststellingsovereenkomst uit 2021 is gesloten tussen [lessee 2] en Dexia na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Op dat moment bestond de vordering van de gemeenschap op Dexia nog onverdeeld.
5.6.
Overwogen wordt als volgt.
De echtscheiding tussen partijen is in 2003 uitgesproken. [lessee 1] en [lessee 2] hebben toen een echtscheidingsconvenant opgesteld. In dat convenant is, anders dan [lessee 1] en de in 2024 opgemaakte akte willen doen geloven, niets geregeld over de overeenkomsten met Dexia.
5.7.
Vervolgens sluit [lessee 2] met Dexia een vaststellingsovereenkomst ten aanzien van de overeenkomst met nummer [nummer 1] , waarbij Dexia en [lessee 2] deze overeenkomst hebben willen afwikkelen. De overeenkomst staat enkel op naam van [lessee 2] en [lessee 2] en [lessee 1] zijn al bijna 20 jaar gescheiden. Naar het oordeel van de kantonrechter hoefde Dexia er na al die jaren geen rekenschap meer mee te houden en/of onderzoek naar te doen of de overeenkomst eventueel in een nog onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap zou vallen.
5.8.
Dat [lessee 2] dan na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en het innen van het in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen bedrag, haar (niet meer bestaande) vordering aan [lessee 1] overdraagt, toont enkel aan dat ook [lessee 2] in beginsel in de veronderstelling verkeerde dat haar overeenkomst aan haar was toebedeeld. [lessee 2] heeft met Dexia een vaststellingsovereenkomst gesloten ter afwikkeling van de overeenkomst met nummer [nummer 1] en heeft Dexia daarbij finaal gekweten. [lessee 2] had geen vordering meer op Dexia en daarom was er dan ook geen vordering meer om over te dragen.
5.9.
[lessee 1] kan gelet op het voorgaande niet worden ontvangen in zijn vordering ten aanzien van de overeenkomst met nummer [nummer 1] . Indien [lessee 1] daadwerkelijk meent nog een vordering ten aanzien van die overeenkomst te hebben, dient hij zich tot [lessee 2] te wenden.
Capital Effect [nummer 2]
verjaring
5.10.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [lessee 1] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.11.
[lessee 1] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Primaz Adviesgroep (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.12.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [lessee 1] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [lessee 1] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [lessee 1] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [lessee 1] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [lessee 1] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.13.
[lessee 1] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende, waarbij voor de volledigheid, ook de gang van zaken ten aanzien van de overeenkomst met nummer [nummer 1] wordt meegenomen:
“ [lessee 1] maakte al enige tijd gebruik van de diensten van een vaste verzekeringsagent en financieel adviseur, genaamd [adviseur] (hierna te noemen: ‘adviseur’). Via deze adviseur heeft [lessee 1] verschillende verzekeringen en een hypotheek afgesloten. Het persoonlijk contact met de adviseur vond altijd plaats bij [lessee 1] thuis en in het kader van de verzekeringen werd (halfjaarlijks een afspraak gepland. Gedurende deze huisbezoeken vertelde de adviseur dat hij zijn werkzaamheden op een gegeven moment voort zou zetten vanuit een advieskantoor, genaamd Primaz Adviesgroep. Voor [lessee 1] veranderde er praktisch niets aan het contact met zijn vaste adviseur.
Capital Effect d.d. 20-04-1998 (overeenkomstnummer [nummer 1] )
In 1998 stond opnieuw een huisbezoek gepland met de adviseur bij [lessee 1] thuis. Bij dit bezoek was, zoals gebruikelijk, ook zijn toenmalig echtgenote aanwezig. Naast enkele verzekeringskwesties heeft [lessee 1] bij dit huisbezoek geïnformeerd naar financiële mogelijkheden om zijn spaargeld beter te laten renderen. De financiële omstandigheden van [lessee 1] waren bekend bij de adviseur in het kader van hun jarenlange adviesrelatie. Op dat moment is er met de adviseur gesproken over de manier waarop [lessee 1] spaarde en is met de adviseur gesproken over de wens van [lessee 1] om te sparen op een manier dat er een hoger rendement kon worden behaald dan wanneer hij het geld op een spaarrekening zou zetten. Ook is een lange termijn doelstelling besproken om een voorziening te treffen om in het onderhoud van zijn woning te kunnen voorzien. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij bij [lessee 1] terug zou komen met een geschikt product.
De adviseur kwam op korte termijn opnieuw op huisbezoek bij [lessee 1] en nam een tweede
adviseur mee van Primaz Adviesgroep. De adviseurs adviseerden [lessee 1] om een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten. Daarbij adviseerden zij op basis van de besproken financiële mogelijkheden van [lessee 1] om een Capital Effect Overeenkomst af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 150,-. Volgens de adviseurs zou [lessee 1] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [lessee 1] een hoger rendement zou behalen dan wanneer hij het geld op een spaarrekening zou zetten. Op die wij ze zou [lessee 1] ook een voorziening kunnen treffen om op termijn het onderhoud aan de woning te financieren. De adviseurs zetten hun advies kracht bij door middel van rekenvoorbeelden waarbij met een zeer rooskleurig rendement de opbrengst over het verloop van enkele jaren werd voorgerekend. Daarbij werden geen scenario’s geschetst waarbij het rendement negatief zou zijn. Deze rekenvoorbeelden werden na het huisbezoek weer meegenomen door de adviseurs.
[lessee 1] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en ver
trouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Met name nu hij al jaren een goede verstandhouding had met de betreffende adviseur. Om deze reden heeft [lessee 1] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de Capital Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. [lessee 1] heeft deze Capital Effect overeenkomst op naam van zijn voormalig echtgenote afgesloten, maar beiden hebben getekend. Uiteindelijk is een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 148,52.
Capital Effect d.d. 30-10-1998 (overeenkomstnummer [nummer 2] )
Later in 1998 heeft opnieuw een huisbezoek plaatsgevonden met de adviseur bij [lessee 1] thuis. Bij dit bezoek heeft [lessee 1] de wens herhaald om op een manier te sparen waarbij een hoger rendement kon worden behaald dan wanneer hij het geld op een spaarrekening zou zetten. Met de adviseur werd besproken dat [lessee 1] nu meer geld overhield per maand en dat hij dit geld kon investeren. De adviseur adviseerde om een tweede Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten. Op basis van de besproken financiële mogelijkheden adviseerde de adviseur de tweede Capital Effect overeenkomst af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 100,-. Volgens de adviseur zou [lessee 1] op deze wijze nog meer vermogen op bouwen, waardoor [lessee 1] een hoger rendement zou behalen dan wanneer hij het geld op een spaarrekening zou zetten.
[lessee 1] had buiten de eerder afgesloten Capital Effect overeenkomst geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Met name nu hij al jaren een goede verstandhouding had met de betreffende adviseur. Om deze reden heeft [lessee 1] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de tweede Capital Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. [lessee 1] heeft de tweede Capital Effect overeenkomst op zijn eigen naam afgesloten, maar beiden hebben getekend. Uiteindelijk is een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 99,57.
De adviseurs hebben [lessee 1] nooit geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo hebben zij er
niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [lessee 1] op deze risico’s gewezen was had hij de Capital Effect overeenkomsten nooit afgesloten.”
5.14.
[lessee 1] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 30 oktober 1998 met contractnummer [nummer 2] , voorzien van de tekst:
“Adviseur [kenmerk] Primaz Adviesgroep B.V.”,
- een kopie van een uittreksel van de KvK van de tussenpersoon met als beschrijving van de werkzaamheden
“de financiële dienstverlening in het algemeen en het adviseren op het gebied van hypotheken, financieringen, beleggingen en assurantiën, in bijzonder beheersmaatschappij het verstrekken en aangaan van geldleningen, financierings- en investeringsprogramma’s, het beheer van- en het beschikken over registergoederen en het stellen van zekerheden, ook voor schulden van anderen, vermogensbeheer en makelaardij”,
- een schermafbeelding van de toenmalige website van de tussenpersoon, waarop onder andere te lezen was.
“De economie draait goed en voor velen dienen zich nu de mogelijkheden aan om meer uit hun vermogen te halen; Door te beleggen bijvoorbeeld. (…) Wat gebeurt er met uw financiële situatie als U plotseling zonder werk komt te zitten of arbeidsongeschikt raakt? En als U of uw partner komt te overlijden, hoe zijn dat de nabestaanden verzorgd? Dt zijn allemaal aspecten om zorgvuldig over na te denken. De nieuwe belastingwetgeving maakt het niet bepaald gemakkelijker op. Het is daarom zeker geen overbodige luxe om een financieel adviseur in de arm te nemen. Dat heeft niets te maken met arm of rijk zijn, dat heeft te maken met verstandige keuzes maken. Want de financiële beslissingen die U neemt, zullen voor een groot deel ook uw toekomst bepalen! Laat U daarom begeleiden door een vakman, een financieel specialist. Maar wel een die duidelijke taal spreekt: PRIMAZ adviesgroep.
Primaz adviesgroep zorgt voor een deskundig advies bij uw financiële planning: Wilt U graag in contact komen met een van onze financiële adviseurs bel dan naar het telefoonnummer (…).”
aanhoudingsverzoek
5.15.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.16.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.17.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.18.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [lessee 1] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [lessee 1] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [lessee 1] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [lessee 1] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [lessee 1] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [lessee 1] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [lessee 1] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.19.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [lessee 1] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [lessee 1] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [lessee 1] voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.20. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [lessee 1] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [lessee 1] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [lessee 1] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [lessee 1]5.21. De door [lessee 1] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia ten aanzien van de overeenkomst met nummer [nummer 2] onrechtmatig jegens [lessee 1] heeft gehandeld door [lessee 1] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [lessee 1] niet alleen als klant aanbracht maar [lessee 1] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.22.
De als gevolg hiervan door [lessee 1] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [lessee 1] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
5.23.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.24.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [lessee 1] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
de voorwaardelijke vordering van [lessee 1]
5.25.
vordert Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier en de bij Dexia in bezit zijnde ondertekende overeenkomst. Uit het voorgaande volgt dat [lessee 1] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat de vordering zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
het incidentele verzoek van Dexia
5.26.
Dexia verzoekt dat [lessee 1] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.27.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [lessee 1] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.28.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [lessee 1] worden begroot op € 87,00.
vorderingen Dexia
5.29.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.30.
Gelet op de uitkomst van de procedure bestaat aanleiding voor compensatie van de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [lessee 1] , tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia ten aanzien van de overeenkomst met nummer [nummer 2] onrechtmatig jegens [lessee 1] heeft gehandeld door [lessee 1] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [lessee 1] niet alleen als klant aanbracht maar [lessee 1] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.4.
verklaart voor recht dat [lessee 1] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.5.
veroordeelt Dexia om aan [lessee 1] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.22.,
in reconventie
6.6.
wijst de vorderingen af,
in conventie en in reconventie
6.7.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
Aldus gewezen door mr. Piëtte, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
typ:
coll:

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.