ECLI:NL:RBLIM:2026:6373

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
ROE 26/1064
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 5.5 OwArt. 5.33a OwArt. 2.1 Verordening fysieke leefomgeving 2021Art. 5:32b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen lasten onder dwangsom bouw in strijd met omgevingsvergunning

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen twee lasten onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld heeft opgelegd wegens bouwen in strijd met een verleende omgevingsvergunning op een locatie in Bocholtz. Verzoeker betwist de oplegging en vordert schorsing van de dwangsommen.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het niet in zijn macht heeft om de overtredingen te beëindigen, ondanks dat hij stelt dat de eigenaar van een aangrenzend perceel geen toestemming geeft. Ook is geoordeeld dat de hoogte van de dwangsommen in redelijke verhouding staat tot het geschonden belang en de beoogde werking, mede gezien een recidivetoeslag en eerdere handhavingsmaatregelen.

Verder is de begunstigingstermijn van circa drie maanden niet onredelijk kort, mede omdat verzoeker al geruime tijd op de hoogte is van de handhaving en de termijn meerdere malen is verlengd. Het concrete zicht op legalisatie ontbreekt, omdat het college niet bereid is de vergunning te verlenen voor de overtredingen. Ook de technische uitvoerbaarheid van de aanpassingen is niet onhaalbaar gebleken.

De voorzieningenrechter concludeert dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die handhavend optreden onevenredig maken en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de lasten onder dwangsom wordt afgewezen omdat verzoeker onvoldoende aannemelijk maakt dat hij de overtredingen niet kan beëindigen en de dwangsommen en termijnen redelijk zijn.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/1064
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , uit Bocholtz, verzoeker

(gemachtigde: mr. B.H.A. Augustin),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Simpelveld,het college
(gemachtigden: mr. N.A.J. Mennen en M.L.H. Maasen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee opgelegde lasten onder dwangsom vanwege het bouwen in strijd met een verleende omgevingsvergunning op de locatie [adres] in Bocholtz. Verzoeker is niet eens met de oplegging van deze lasten. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert in zijn verzoekschrift (met verwijzing naar zijn beroepschrift) een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college handhavend mocht optreden.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

3. Met het besluit van 15 september 2025 heeft het college aan verzoeker diverse lasten onder dwangsom opgelegd, waaronder de twee lasten die thans nog in geschil zijn. Met het bestreden besluit van 20 april 2026 heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen voornoemd besluit ongegrond verklaard. Verzoeker heeft daartegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening met een verweerschrift gereageerd.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Wat is de relevante voorgeschiedenis van dit verzoek?
6. Bij besluit van 27 maart 2023 heeft het college aan verzoeker een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een voormalig schoolgebouw tot twee villa’s op de locatie [adres] in Bocholtz. Tijdens een controle op
11 september 2023 is geconstateerd dat in afwijking van deze omgevingsvergunning is gebouwd. Daarbij zijn vier overtredingen vastgesteld:
1) Het doen wijzigen van een voorgevel ten opzichte van de vergunde situatie;
2) Het behouden van een bestaand doorlopend dak en twee pilaren aan de voorzijde van de panden;
3) Het uitbreiden van de woningen aan de achterzijde door deze over twee bouwlagen aan elkaar te verbinden;
4) Het doen oprichten van drie keermuren zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
7. Op 7 november 2023 heeft verzoeker een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om de vastgestelde overtredingen te legaliseren. Deze aanvraag is bij besluit van 15 augustus 2024 buiten behandeling gesteld, omdat verzoeker niet alle gegevens voor de beoordeling van deze aanvraag had ingediend.
8. Naar aanleiding van de constateringen van de toezichthouder heeft het college op
1 december 2023 aan verzoeker twee lasten onder dwangsom opgelegd. Het gaat om lasten die zien op het behouden van het bestaande doorlopende dak en twee pilaren aan de voorzijde van de panden (1) en het uitbreiden van de woningen aan de achterzijde door deze over twee bouwlagen te verbinden (2). Tegen deze twee lasten heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 2 oktober 2024 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld. [1]
9. Na het verlopen van de begunstigingstermijn heeft een toezichthouder tijdens controles op 24 april 2024 en 15 augustus 2024 geconstateerd dat niet aan de lasten is voldaan en de maximale dwangsommen van € 24.000,- zijn verbeurd.
10. Vervolgens heeft verzoeker op 20 januari 2025 weer een omgevingsvergunning aangevraagd voor de legalisatie van onder andere de verbinding dak en pilaren voorzijde en de verbinding tussen de woningen aan de achterzijde. Deze aanvraag is bij besluit van
17 juli 2025 ook buiten behandeling gesteld, omdat verzoeker opnieuw niet alle gegevens voor de beoordeling van deze aanvraag had ingediend.
Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?
11. Bij brief van 13 december 2024 heeft het college aan verzoeker bericht voornemens te zijn tot het opleggen van nieuwe lasten onder dwangsom, omdat de eerder vastgestelde overtredingen niet door verzoeker zijn beëindigd. Een toezichthouder heeft op 5 augustus 2025 een controle op het perceel uitgevoerd. Tijdens die controle zijn zes overtredingen vastgesteld.
12. Het college heeft naar aanleiding van deze controle zes lasten onder dwangsom opgelegd. Deze opgelegde lasten houden in dat verzoeker de volgende zes overtredingen moet beëindigen en beëindigd houden:
het wijzigen van de voorgevel ten opzichte van de vergunde situatie: verspringend gevelbeeld en gevelindeling in strijd met artikel 5.5, tweede lid, onder c, van de Omgevingswet (Ow);
het behouden van het bestaande doorlopende dak en twee pilaren aan de voorzijde van het pand in strijd met artikel 5.5, tweede lid, onder a en c, van de Ow;
het uitbreiden van de woningen aan de achterzijde door deze over twee bouwlagen te verbinden in strijd met artikel 5.5, tweede lid, onder a en c, van de Ow;
het zonder vergunning oprichten van twee keermuren in strijd met artikel 5.1 eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow en artikel 5.1 tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow;
het zonder vergunning oprichten van een erfafscheiding (achtererf) in strijd met artikel 5.1 eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow en artikel 5.1 tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow;
het zonder vergunning op openbaar toegankelijk weg c.q. trottoir plaatsen van isolatie in strijd met artikel 2.1 eerste lid onder c, van de Verordening fysieke leefomgeving 2021.
13. Het college heeft aan het niet beëindigen en beëindigd houden van de overtredingen de volgende dwangsommen verbonden:
last 1: € 1.000,- per week, met een maximum van € 6.000,-;
last 2: € 4.000,- per week, met een maximum van € 24.000,-;
last 3: € 4.000,- per week, met een maximum van € 24.000,-;
last 4: € 7.500,- per week, met een maximum van € 45.000,-;
last 5: € 1.000,- per week, met een maximum van € 5.000,-;
last 6: € 500,- ineens.
Het college heeft aan deze lasten een begunstigingstermijn tot en met 20 december 2025 verbonden.
14. Op 1 oktober 2025 heeft verzoeker een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de legalisatie van de overtredingen van de lasten 1 tot en met 5.
15. Bij brief van 11 november 2025 heeft verzoeker het college verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het college heeft bij besluit van 21 november 2025 dit verzoek afgewezen en ambtshalve de begunstigingstermijn van de lasten 2 en 3 verlengd tot en met 20 maart 2025.
16. Daarna heeft het college bij besluit van 11 december 2025 de lasten 1, 4 en 5 ingetrokken, omdat verzoeker ten aanzien van die lasten een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning van 1 oktober 2025 heeft ingediend en het college bereid is om daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen. Ten aanzien van de overtreding van last 6 heeft het college bij brief van 20 januari 2026 verzoeker bericht dat tijdens een controle op
13 januari 2026 is vastgesteld dat deze overtreding is beëindigd en dus aan de last is voldaan.
17. Vervolgens heeft verzoeker op 5 maart 2026 aan het college gevraagd om de begunstigingstermijn voor de lasten 2 en 3 te verlengen. Het college heeft bij besluit van
19 maart 2026 besloten om uit coulance de begunstigingstermijn van deze lasten te verlengen tot vier weken na de beslissing op bezwaar.
18. Naar aanleiding van het bezwaar van verzoeker tegen de lasten onder dwangsom heeft de bezwaarschriftencommissie aan het college geadviseerd om de lasten onder dwangsom te herroepen en na afhandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning van 1 oktober 2025 een nieuw standpunt in te nemen.
19. In de beslissing op bezwaar heeft het college het advies van de bezwaarschriftencommissie niet gevolgd. Volgens het college biedt artikel 5.33a van de Ow expliciet de mogelijkheid om een omgevingsvergunning gedeeltelijk te verlenen en gedeeltelijk te weigeren wanneer slechts enkele activiteiten voldoen aan de toepasselijke beoordelingsregels. Ook volgt uit vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan een last onder dwangsom mag beperken tot die onderdelen waarvoor geen concreet zicht op legalisatie bestaat, wanneer de overtreder zelf een aanvraag heeft ingediend die op (gedeeltelijke) legalisatie ziet. Het college heeft dan ook terecht beoordeeld welke specifieke onderdelen van de aanvraag mogelijk vergunbaar zijn en welke niet. Dit heeft ook geleid tot de intrekking van de lasten 1, 4 en 5. Verder is het college van standpunt dat de bezwaarschriftencommissie een te vergaande toets heeft toegepast door inhoudelijk te beoordelen of de omgevingsvergunning (gedeeltelijk) zou moeten worden verleend.
20. Verzoeker heeft bij e-mail van 29 april 2026 het college verzocht om de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank in beroep. Daarop heeft college bij besluit van 12 mei 2026 besloten om de begunstigingstermijn niet te verlengen.
21. Verzoeker heeft onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure ingediend en daarbij verzocht om een ordemaatregel te treffen. Bij brief van 13 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om het treffen van een ordemaatregel afgewezen.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
22. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van zo’n spoedeisende situatie dat een beslissing in de hoofdzaak – in dit geval de uitspraak in beroep – niet kan worden afgewacht.
22.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat ten tijde van het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en het onderzoek op zitting niet alle dwangsommen waren verbeurd. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit.
Sluit de voorzieningenrechter kort?
23. Als iemand hangende een beroepsprocedure een verzoek om voorlopige voorziening indient, kan de voorzieningenrechter gelijk uitspraak doen op het beroep (kortsluiten) als hij van oordeel is dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
23.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat op zitting door het college is toegelicht dat de eerder aan verzoeker opgelegde lasten onder dwangsom bij besluit van 1 december 2023 identiek zijn aan de onderhavige lasten 2 en 3. Tegen deze eerder opgelegde lasten onder dwangsom loopt een beroepsprocedure [2] bij de rechtbank zoals hiervoor onder 8 ook is overwogen. De voorzieningenrechter acht op voorhand niet uitgesloten dat een uitspraak in het beroep van verzoeker waarin dit verzoek om voorlopige voorziening is gedaan betekenis kan hebben voor de afdoening van het andere aanhangige beroep van verzoeker. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter geen toepassing geven aan artikel 8:86 van Pro de Awb en alleen op het verzoek om een voorlopige voorziening beslissen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Heeft verzoeker het in zijn macht om de overtredingen te beëindigen?
24. Voor het eerst op zitting heeft verzoeker aangevoerd dat hij niet aan de lasten 2 en 3 kan voldoen, omdat hij niet de eigenaar is van het perceel aan de [adres] en de eigenaar van dat perceel (zijn schoonzoon) geen toestemming wil verlenen om het pand in overeenstemming met de omgevingsvergunning te brengen. Verzoeker is enkel eigenaar van het perceel aan de [adres] terwijl de lasten zich uitstrekken over beide percelen en om aan de lasten te voldoen ook werkzaamheden op beide percelen nodig zouden zijn.
24.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geldt als voorwaarde voor het opleggen van een last onder dwangsom dat de overtreder het in zijn macht moet hebben om aan de illegale situatie een einde te maken. [3] Daarvoor is nodig dat de overtreder juridisch en/of feitelijk in staat moet worden geacht om aan de lastgeving te voldoen.
24.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het niet in zijn macht heeft om de overtredingen te beëindigen. Verzoeker heeft niet met stukken onderbouwd dat hij geen eigenaar (meer) is van het perceel aan de [adres] . Ook heeft hij niet onderbouwd wanneer een eventuele eigendomsoverdracht zou hebben plaatsgevonden. In het geval de eigendomsoverdracht zich heeft voorgedaan na het bestreden besluit kon en hoefde het college daarmee ook geen rekening te houden waardoor de voorzieningenrechter dat ook niet in zijn beoordeling mag meenemen.
24.3.
Voor zover al sprake zou zijn geweest van een eigendomsoverdracht voorafgaand aan het bestreden besluit, geldt dat de voorzieningenrechter in dat geval van oordeel is dat het niet aannemelijk is geworden dat verzoeker het niet in zijn macht zou hebben om werkzaamheden te verrichten op het perceel [adres] . Daartoe is voor de voorzieningenrechter van belang dat op zitting door verzoeker is toegelicht dat verzoeker en zijn schoonzoon samen bij de bouw van de panden zijn betrokken. Sterker nog, verzoeker heeft verteld dat vanwege een medische omstandigheid van verzoeker zijn schoonzoon de dagelijkse leiding over het project heeft overgenomen. Het legalisatietraject voor beide percelen wordt ook door de schoonzoon, al dan niet in samenspraak met verzoeker, gedaan. Een en ander impliceert naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat er tussen verzoeker en schoonzoon privaatrechtelijke afspraken bestaan als het gaat om de realisatie van de twee villa’s. Kennelijk heeft hij voor deze activiteiten wel de medewerking en/of toestemming van verzoeker gekregen. Het enkele feit dat de schoonzoon eigenaar zou zijn van [adres] is voor de voorzieningenrechter dan ook onvoldoende om de conclusie te trekken dat verzoeker het niet in zijn macht heeft om de overtredingen op te heffen. Het ligt op de weg van verzoeker om, gelet op de verhoudingen tussen verzoeker en zijn schoonzoon, dit onderbouwd inzichtelijk te maken.
Zijn de dwangsommen te hoog?
25. Verzoeker voert aan dat de hoogte van de dwangsommen voor de lasten 2 en 3 zodanig hoog zijn vastgesteld dat zij hun herstellende karakter verliezen en feitelijk een bestraffend effect hebben. Van belang is dat de overtredingen niet eenvoudig of snel te beëindigen zijn, omdat het gaat om technisch complexe en ingrijpende bouwkundige aanpassingen waarvan nog niet vaststaat of deze überhaupt uitvoerbaar en veilig zijn. Bovendien loopt nog een legalisatietraject. Ook is van belang dat de te verwachten kosten om aan de lasten te voldoen aanzienlijk zijn en mogelijk ver uitstijgen boven wat redelijkerwijs van verzoeker kan worden gevergd. Door deze lasten komt verzoeker in een financieel onhoudbare positie terecht. Het college heeft bovendien niet gemotiveerd waarom voor deze hoogte van de dwangsommen is gekozen.
25.1.
In artikel 5:32b, derde lid, van de Awb is bepaald dat het bedrag van de dwangsom in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
25.2.
Een bestuursorgaan komt bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte toe. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. [4] Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde dwangsom wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. [5]
25.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college voor last 2 een dwangsom heeft vastgesteld van € 4.000,- per week met een maximum van € 24.000,- en voor last 3 is ook een dwangsom vastgesteld van € 4.000,- per week met een maximum van € 24.000,-. Het college heeft uitgebreid toegelicht hoe de hoogte van de dwangsommen is bepaald waarbij rekening is gehouden met een geraamd herstelbedrag om de overtredingen ongedaan te maken en een financiële prikkel. Ook heeft het college bij het bepalen van de hoogte van de dwangsommen rekening gehouden met de omstandigheid dat eerder bij besluit van
1 december 2023 aan verzoeker lasten onder dwangsom voor dezelfde overtredingen zijn opgelegd die niet hebben geleid tot de beëindiging daarvan. Om de prikkel tot het ongedaan maken van de overtredingen te versterken heeft het college besloten om de hoogte van de dwangsommen daaraan aan te passen door die te verdubbelen (een recidivetoeslag) zoals ook volgt uit de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht. Dat verzoeker mogelijk in financiële problemen komt door de hoogte van de lasten, is geen omstandigheid die het college bij de bepaling van de hoogte van de dwangsommen hoeft te betrekken. Uit rechtspraak volgt immers dat de financiële omstandigheden van degene tot wie de
last is gericht niet bepalend zijn voor het vaststellen van de hoogte van de
dwangsom. [6] Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom de hoogte van de dwangsommen in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsommen.
Is de begunstigingstermijn te kort?
26. Verzoeker voert verder aan dat de begunstigingstermijn te kort is om aan de lasten onder dwangsom te voldoen. Het college heeft bij het vaststellen van de lasten onder dwangsom onvoldoende rekening gehouden met de aard en de complexiteit van de lasten en de feitelijke uitvoerbaarheid. Over de feitelijke uitvoerbaarheid stelt verzoeker dat het nog onzeker is of de verlangde aanpassingen technisch uitvoerbaar en veilig zijn, nu een bouwkundig onderzoek door Palte niet is afgerond en een legalisatieprocedure loopt. Het college had ervoor moeten kiezen om de begunstigingstermijn nogmaals te verlengen dan wel de handhaving op te schorten totdat duidelijkheid bestaat over de uitkomst van het legalisatietraject en het bouwkundige onderzoek.
26.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt geldt dat die termijn niet wezenlijk langer mag zijn dan nodig is om de overtreding te kunnen beëindigen. Een begunstigingstermijn mag ook niet korter zijn dan nodig is om de overtreding te kunnen beëindigen.
26.2.
De voorzieningenrechter ziet in het betoog van verzoeker geen aanleiding voor het oordeel dat de begunstigingstermijn onredelijk kort is. In dat verband is van belang dat de begunstigingstermijn van de lasten 2 en 3 voor ongeveer drie maanden zijn vastgesteld. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat het niet mogelijk is om binnen deze termijn de overtredingen te beëindigen. Bovendien was het voor verzoeker al geruime tijd bekend dat het college ten aanzien van de overtredingen handhavend wil optreden, nu het college bij besluit van 1 december 2023 al eerder lasten onder dwangsom voor deze overtredingen heeft opgelegd en dat deze dwangsommen ook zijn verbeurd. Het college heeft in dit handhavingstraject bovendien twee keer de begunstigingstermijn verlengd, waardoor verzoeker geruime tijd (in totaal ongeveer acht maanden) de mogelijkheid had om aan de lasten te voldoen. Dat verzoeker het onderzoek van Palte en het legalisatietraject wil afwachten, maakt het voorgaande niet anders. De begunstigingstermijn hoeft niet afgestemd te worden op de tijd die volgens verzoeker nodig is voor een constructeur zoals Palte om onderzoek te doen naar de volgens verzoeker evidente onuitvoerbaarheid van de lasten maar juist aan de termijn die nodig is om aan de lasten te voldoen en dus de overtredingen te beëindigen. Nog daargelaten dat verzoeker het college op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in de voortgang van Palte en wanneer een rapport over de (on)uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in kwestie te verwachten valt. Ook op zitting kon verzoeker daar weinig over zeggen. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de begunstigingstermijn ook niet bedoeld is om verzoeker de tijd te geven om de overtredingen te legaliseren. De begunstigingstermijn mag dus ook niet worden afgestemd op de tijd die nodig is om de beslissing op de aanvraag van 1 oktober 2025 tot legalisering te nemen. [7]
Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien?
27. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het behouden van het bestaande doorlopende dak en twee pilaren aan de voorzijde van het pand (last 2) en het uitbreiden van de woningen aan de achterzijde door deze over twee bouwlagen te verbinden (last 3) in afwijking met de verleende omgevingsvergunning van
27 maart 2023 zijn gebouwd en dat dus sprake is van overtredingen. In dat geval volgt uit de rechtspraak van de Afdeling [8] dat als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is.
28. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Is er sprake van concreet zicht op legalisatie?
29. Verzoeker stelt dat sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat hij op
1 oktober 2025 een volgens hem ontvankelijke aanvraag voor legalisatie van de lasten 2 en 3 heeft ingediend. Het college had om die reden van handhavend optreden moeten afzien. Anders dan het college stelt, is bij de beoordeling of sprake is van concreet zicht op legalisatie niet doorslaggevend of het college op voorhand niet wil meewerken, maar of op voorhand evident is dat legalisatie juridisch en feitelijk onmogelijk is. Dat is hier niet het geval. Verder voert verzoeker aan dat het onderzoek van [naam] nog loopt waarin wordt onderzocht of de woningen technisch en veilig van elkaar gescheiden kunnen worden. De technische en feitelijke haalbaarheid van de verlangde aanpassingen staan dus nog niet vast.
29.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het enkele feit dat het college niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen in beginsel volstaat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. [9] Het college heeft meermaals kenbaar gemaakt niet bereid te zijn om mee te werken aan de legalisering van de overtredingen van de lasten 2 en 3, omdat kortgezegd sprake moet zijn van twee losse woningen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.
Zijn er overige bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien?
30. Verzoeker voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat volgens hem de verlangde bouwkundige aanpassingen technisch niet uitvoerbaar zijn. Als dat al wel het geval is, dan wordt verzoeker zeer waarschijnlijk geconfronteerd met aanzienlijke financiële gevolgen om aan de lasten te voldoen, terwijl volgens verzoeker de ruimtelijke verschillen tussen het bouwplan dat is vergund en wat thans door hem is gerealiseerd minimaal zijn. Het college heeft volgens verzoeker voorts niet onderkend dat de impact voor verzoeker groot is en dat de noodzaak tot handhavend optreden in deze fase niet vaststaat. Verzoeker had meer tijd moeten krijgen om [naam] zijn onderzoek te laten afronden. Ook stelt verzoeker dat van belang is dat hij zich gedurende het hele traject constructief en coöperatief heeft opgesteld en het college juist maatwerk had moeten leveren. Ook had het college moeten nagaan of minder ingrijpende alternatieven mogelijk zijn zoals het opschorten van handhaving totdat duidelijkheid bestaat over de legalisatie en de bouwkundige haalbaarheid. Volgens verzoeker heeft het college zijn belangen bij de belangenafweging onvoldoende betrokken.
30.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat thans niet is gebleken dat het vergunde bouwplan in absolute zin onuitvoerbaar is. Dat blijkt niet uit de dossierstukken. Dan wijst de voorzieningenrechter met name op de door verzoeker voor de zitting ingediende e-mail van [naam] van 19 juni 2026. [naam] geeft daarin aan dat de impact van de noodzakelijke aanpassingen op de huidige bebouwing aanzienlijk zal zijn en dat vergaande constructieve maatregelen nodig zullen zijn. Wat precies nodig is, is nog onduidelijk. Nader onderzoek is daarvoor nodig. [naam] zegt echter niet dat het niet mogelijk is om de omgevingsvergunning uit te voeren. Daar komt bij dat het college heeft aangegeven dat zijn constructeur heeft aangetoond dat het bouwen volgens de verleende omgevingsvergunning mogelijk is. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze mededeling, te meer nu verzoeker dus geen stukken heeft overgelegd die het tegendeel bewijzen.
30.2.
Over het standpunt van verzoeker dat van hem niet gevergd kan worden om in overeenstemming met de omgevingsvergunning te bouwen gezien de grote financiële gevolgen die dit voor hem heeft om het bouwplan uit te voeren, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen voor verzoeker heeft, biedt geen grond voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan om die reden behoort af te zien. [10] Dit komt immers voor risico van verzoeker, aangezien hij in afwijking van de omgevingsvergunning heeft gebouwd. Daar komt bij dat verzoeker ook niet heeft onderbouwd wat de omvang van de financiële gevolgen is. Dat het resultaat van de aanpassingen mogelijk ruimtelijk gezien beperkt is en dat dit een reden is om van handhaving af te zien, volgt de voorzieningenrechter ook niet. Dat standpunt is niet onderbouwd en wordt door het college bovendien betwist in de lasten waarin het college uitlegt waarom hij niet wil meewerken aan legalisatie van wat verzoeker heeft gerealiseerd. Een reden voor schorsing levert dit dan ook niet op.
30.3.
Ook een afweging van het handhavingsbelang van het college afgezet tegen de overige gestelde belangen van verzoeker en met name het door hem gestelde belang dat hij graag tijd wil om het rapport van [naam] aan te leveren, levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden voor schorsing op. De voorzieningenrechter overweegt dat het handhavingstraject sinds 2023 loopt, waarbij voor verzoeker sinds die periode al duidelijk was dat hij niet conform de omgevingsvergunning heeft gebouwd en dat het college daartegen handhavend wil optreden. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker pas op 11 maart 2025 [naam] opdracht heeft gegeven om te onderzoeken of en zo ja, hoe aan de hand van de bouwtekeningen de omgevingsvergunning van 27 maart 2023 technisch uitvoerbaar is ten aanzien van de overtredingen van de lasten 2 en 3. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat uit het verslag van de bezwaarschriftenhoorzitting van 14 maart 2026 blijkt dat [naam] pas vanaf januari 2026 met het onderzoek kan starten. Ten tijde van de zitting was de uitkomst van dat onderzoek nog steeds niet bekend. Verzoeker gaf aan dat het maanden kan duren voordat een rapport er is. Ook uit de e-mail van [naam] van 19 juni 2026 volgt geen tijdlijn. Een tussentijdse rapportage of anderszins inzicht in wat voor werk is verricht geeft verzoeker ook niet. In dat licht is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onevenredig als het college besluit om niet van handhavend optreden af te zien. Het is immers niet alleen onduidelijk wat in een rapport van [naam] komt te staan, maar het is ook totaal onduidelijk wanneer dat rapport er dan komt. In die omstandigheid hoeft het college niet van handhavend optreden af te zien.
30.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker bovendien genoeg tijd gehad, ook gelet op het feit dat de begunstigingstermijn meermaals is verlengd door het college, om in de bezwaarfase zijn standpunt over de (on)mogelijkheid van de uitvoering van de omgevingsvergunning te onderbouwen. Het komt voor risico en rekening van verzoeker dat hij pas in een laat stadium een onderzoek door [naam] laat uitvoeren en dat onderzoek ook nog eens lang op zich laat wachten.

Conclusie en gevolgen

20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 1 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 juli 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zaaknummer ROE 24/4699.
2.Zaaknummer ROE 24/4699.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3326.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:118.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3942.
6.Zei de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7185.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3590.
8.In de uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2430.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:539.