Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 november 2018 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] , verweerder
Procesverloop
€ 4.235,-.
Overwegingen
in Amsterdamheeft ontmoet en hem het geld heeft gegeven. Eisers hebben verder een verklaring van afdracht en ontvangst van 24 juli 2016 overgelegd. In deze verklaring staat dat [D] een bedrag van € 150.000,- dat eigendom is van [B] heeft overhandigd aan eiser. Eiser heeft in dit stuk verklaard dat hij een bedrag van € 150.000,- heeft ontvangen van [D] . In een in beroep overgelegde (ongedateerde) schriftelijke verklaring (bijlage bij de brief van eisers’ gemachtigde d.d. 12 juni 2018) staat dat eiser een bedrag van € 250.000,- van zijn broer zou lenen, maar dat hij uiteindelijk maar een bedrag van € 170.000,- heeft geleend, omdat dit voldoende was om de juwelierszaak te beginnen. Een bedrag van € 150.000,- is vervoerd door de heer [D] , afkomstig uit Sydney. Dit is vervoerd naar Stockholm. Eiser en de heer [A] zijn vervolgens met de auto naar Stockholm gegaan om dit geld in ontvangst te nemen en mee te nemen naar Nederland. Het resterende bedrag van € 20.000,- is door de heer en mevrouw [C] , afkomstig uit Sydney, vervoerd vanuit Sydney naar Schiphol en vanuit daar
naar [woonplaats].